De geschiedenis van de familie Van Beeck Calkoen en de Nieuwe Kerk in De Bilt

De familie Van Beeck Calkoen: een Amsterdamse regentenfamilie

De familie Van Beeck Calkoen was een vooraanstaande regentenfamilie uit Amsterdam, actief in de 17e en 18e eeuw. De Calkoens hielden zich voornamelijk bezig met de lakenververij of waren kooplieden, met handelsrelaties zowel in de Levant als in Oost-Indië. Daarnaast bekleedden zij diverse bestuurlijke functies.

De oorsprong van de familie kan worden teruggevoerd tot Jan Willemsz. van Dort(h) (ca. 1575-1624), afkomstig uit het graafschap Zutphen. Hij vestigde zich rond 1600 in Amsterdam als lakenkoper. Zijn manufactuur bevond zich in de Barber(en)straat, in een pand genaamd 'De Blauwe Calkoen'. De familienaam is afgeleid van deze huisnaam, die een kalkoen in de gevel voerde. Op 24 mei 1603 werd Jan Willemsz. ingeschreven als poorter van Amsterdam onder de naam Jan Willemszoon Calkoen.

Uit zijn huwelijk met Alida Temminck (overleden in 1651) kwamen zes kinderen voort, waaronder:

  • Arent (1602-1660), lakenverver.
  • Willem (1604-1667), goudsmid.
  • Elisabeth, die trouwde met een goudsmid.
  • Engelbert (1609-1669), bierbrouwer.
  • Claes (1612-1687), lakenverver.
  • Isaac (1617-1672), wijnverlater.

Claes Calkoen (1612-1687) trouwde in 1634 met Elisabeth Danckerts, dochter van de Amsterdamse stadstimmerman Cornelis Danckerts. Claes was, net als zijn broers Arent en Engelbert, werkzaam in de lakenververij. Zijn bedrijf, 'De Calkoen', was gevestigd aan de Bloemgracht 134. Hij maakte carrière in het stadsbestuur, mede doordat hij zich voor zijn ondertrouw had aangesloten bij de gereformeerde kerk.

Een van de latere prominente leden van de familie was Nicolaas Calkoen, heer van Kortenhoef (1753-1817). Hij bekleedde functies als schepen, raad in de Admiraliteit van Amsterdam en directeur van de Sociëteit van Suriname. Hij was getrouwd met Sara Maria van Loon (1761-1806).

Zijn zoon, Abraham baron Calkoen (1774-1849), werd op 20 februari 1816 verheven in de Nederlandse adel en verkreeg op 18 april 1828 de titel van baron bij eerstgeboorte.

familiewapen van de familie Calkoen

Jan Frederik van Beeck Calkoen (1772-1811)

Een belangrijk lid van de familie, met een link naar zowel academische als bestuurlijke kringen, was Jan Frederik van Beeck Calkoen. Hij werd geboren in 1772 en overleed in 1811. In 1799 werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar aan de Universiteit Leiden.

Vanaf 1805 bekleedde hij de positie van hoogleraar in de filosofie, wiskunde en sterrenkunde aan de Universiteit Utrecht. Zijn overlijden vond plaats op 25 maart 1811, wat wordt aangeduid als de 'Lentemaand'. Hij werd begraven op het kerkhof in De Bilt.

Jan Frederik van Beeck Calkoen was een productief schrijver op diverse wetenschappelijke gebieden. Zijn publicaties omvatten:

  • Over de waarneming van twee sterren (Amsterdam, 1798)
  • Hemelsplein met de beschrijving, 2 delen (Amsterdam, 1799)
  • Over de verklaring der Mozaïsche en Christelijke godsdienstleer uit de beschouwing van de hoofdstoffen en natuurkrachten (Haarlem, 1800)
  • Euryalus over het schoon (Haarlem, 1802)
  • Wiskundige scheepsbouw en -bestuur (Dordrecht, 1805)
  • Zeemans handleiding tot het gebruik van den sextant en den octant (Amsterdam, 1806; ook in het Frans vertaald)
  • Over de zeekaarten (Rotterdam, 1808)
  • Nouvelle théorie de construction pour les mappemondes (Amsterdam, 1810)
  • Over de terugkaatsing des lichts, van parabolische of sphaerische spiegels, verschenen in de Verhandelingen der 1e klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut (1810, deel 1).

Postuum werd in dezelfde Verhandelingen een werk gepubliceerd over de theorie van de gemiddelde waarde uit een reeks grootheden of afzonderlijke waarnemingen.

portret van Jan Frederik van Beeck Calkoen, gegraveerd door W. Calkoen

De Nieuwe Kerk in De Bilt: geschiedenis en ontwikkeling

Het dorp De Bilt, voor het eerst vermeld in 1372, kende een lange geschiedenis die mede gevormd werd door de aanwezigheid van kloosters. In de 14e eeuw was er sprake van een nederzetting op een gunstige locatie op een uitloper van de Utrechtse Heuvelrug. Het kerkelijke leven speelde zich grotendeels af rond de kloosters, aangezien er in het dorp zelf geen kerk was gesticht. De bewoners vonden hun laatste rustplaats op de kloosterbegraafplaatsen.

In 1585 werd het Vrouwenklooster verwoest, en de overblijfselen werden gebruikt voor de versterking van de stadsmuur van Utrecht. De Sint-Laurensabdij en het nabijgelegen Vrouwenklooster kwamen onder het beheer van de Staten van Utrecht.

Tot ver in de 17e eeuw bleef De Bilt een klein dorp, waarbij de hervormde inwoners voornamelijk in Zeist ter kerke gingen. Ondanks diverse pogingen om een eigen kerkgebouw te stichten, werd pas in 1650 door de Staten van Utrecht 12.000 gulden beschikbaar gesteld voor de bouw van een kerk met een predikantshuis.

Op 27 april 1652 werd de kleine kerk aan de Dorpsstraat in gebruik genomen. Bij de kerk werden ook een kosterhuis (dat tevens als school diende) en een pastorie gebouwd. In hetzelfde jaar werden de kerk en de omliggende terreinen ingericht als begraafplaats, waardoor het oude kerkhof bij het voormalige Vrouwenklooster buiten gebruik raakte.

De kerk werd direct voorzien van grote zerken, waarvan de oudste dateert uit 1652 en behoort toe aan Dirck Salomonssen van Aernhem. Tot 1814 werd er in de kerk begraven, terwijl het gebruik van het kerkhof voortduurde. Gezien het ontbreken van andere begraafplaatsen in De Bilt, wordt aangenomen dat ook niet-hervormden er hun laatste rustplaats vonden, zeker tot 1818 toen in Utrecht een katholieke begraafplaats werd aangelegd.

aanzicht van de Nieuwe Kerk in De Bilt met het kerkhof

Het kerkhof van De Bilt: een begraafplaats voor velen

Vooral in de 18e en begin 19e eeuw werd het kerkhof van De Bilt een populaire begraafplaats voor welgestelde Utrechtenaren. Dit had te maken met de toenemende bezwaren tegen begraven in kerken en binnen de bebouwde kom in de grote steden. Geleerden, predikanten en medici kozen bewust voor het 'open' kerkhof in De Bilt.

Een voorbeeld hiervan is de zerk van de doopsgezinde predikant Marten Schagen, die in 1770 overleed. De Latijnse tekst op zijn zerk gaf aan dat hij zijn graf onder de blote hemel verkoos om de levenden niet te schaden.

Begin 19e eeuw was het kerkhof voorzien van bomen en groen. In augustus 1827 werd de gemeenten door Provinciale Staten geïnformeerd dat per 1 januari 1829 het begraven in kerken en binnen de bebouwde kom in plaatsen met meer dan 1.000 inwoners verboden zou zijn. Hoewel De Bilt in 1829 net iets meer dan 1.000 inwoners telde en het kerkhof aan de rand van de bebouwing lag, werd een verzoek om het kerkhof te mogen behouden ingediend.

Na correspondentie werd op 22 april 1828 toestemming verleend om het kerkhof voorlopig te behouden, onder de voorwaarde dat eigenaren van graven uit de kerk een gratis graf op het kerkhof kregen en er ruimte moest zijn voor alle gezindten. De kerkvoogden en het gemeentebestuur stelden een reglement op, en de burgerlijke gemeente kreeg zeggenschap over de uitgifte van graven aan buitenstaanders, hoewel de opbrengsten voor de kerk bleven.

In 1829 werd het verzoek om voortdurend gebruik afgewezen, en de gemeente werd gesommeerd een plan te maken voor een algemene begraafplaats buiten de bebouwde kom. Echter, na een brief aan de Koning, werd behoud van het kerkhof als burgerlijke begraafplaats toegestaan. Ook het verzoek om af te zien van de voorgeschreven muur rondom werd goedgekeurd.

Na de invoering van de Begraafwet in 1869 werden de regels aangescherpt. Vanaf 21 december 1870 werd begraven op bepaalde delen van het kerkhof verboden, met name langs de Dorpsstraat en de Kerksteeg, dicht bij de omliggende huizen.

Eind 19e eeuw werd een weiland aangekocht aan de 1e Brandenburgerweg voor de aanleg van een nieuwe gemeentelijke begraafplaats, die in september 1900 in gebruik werd genomen. In juli 1900 werd verzocht om sluiting van het kerkhof. Per 1 oktober 1900 werd het kerkhof gesloten, met de kanttekening dat bestaande rechthebbenden hun grafrechten konden blijven uitoefenen.

overzicht van grafzerken op het kerkhof van De Bilt

Transformations van het kerkhof

In de 20e eeuw onderging het kerkhof diverse veranderingen. In 1963 verdween een baarhuisje uit 1861. In 1965 werd een strook grond langs de Burgemeester de Withstraat verkocht voor parkeerplaatsen. In 1966 werd een opbouw op een grafkelder verwijderd.

De grafpalen van graven op het zuidelijke deel, grotendeels uit de 19e en 18e eeuw, zijn nu tegen de kerkmuur geplaatst. Deze palen, met initialen of namen en nummers, vertegenwoordigen waarschijnlijk de armere graven op het kerkhof.

Tegenwoordig ligt de kerk als een rustig eiland te midden van de 19e- en 20e-eeuwse bebouwing. Het kerkhof wordt aan drie zijden afgesloten door een smeedijzeren hekwerk. De voormalige hoofdingang aan de Dorpsstraat is voorzien van een sierlijk dubbel hekwerk tussen hardstenen pijlers. Een breed klinkerpad leidt naar de toren en de ingang aan de Burgemeester de Withstraat.

Het zuidelijke deel van het kerkhof heeft het karakter van een plantsoen met een gazon en struiken, met twee cirkels van beukenhaag die een kleine tuin vormen. Het noordelijke deel oogt authentieker, met een grasveld en rijen grafmonumenten, waaronder grote grafkelders. Twee monumentale kastanjes in de noordoosthoek zijn na 2015 gekapt.

De oude kosterswoning staat nog langs de Burgemeester de Withstraat, direct daarachter bevindt zich een modern kerkelijk zalencentrum. Richting de Dorpsstraat staat de in 1893 gebouwde pastorie.

Van de negentig grafmonumenten die nog te vinden zijn, bevinden zich 73 aan de noordzijde en 17 aan de zuidzijde. Op het noordelijke deel zijn veel grafkelders te vinden, vaak met een eenvoudige hardstenen zerk en soms omringd door een smeedijzeren hekwerk.

In 1994 werd het kerkhof geïnventariseerd. De werkgroep concludeerde dat tussen begin 20e eeuw en 1994 zeker 114 grafmonumenten waren verdwenen, gebaseerd op een kaart uit 1902.

Het kerkhof weerspiegelt veel van de dorpsgeschiedenis, met name uit de 19e eeuw. Opvallende grafmonumenten zijn verbonden aan bekende families zoals Strick van Linschoten, Van Boetzelaer en De Heus, maar ook aan gewone inwoners.

Verscholen tegen de Kerksteeg liggen de graven van de negentiende-eeuwse schoolmeesters Georg Diederik Enderlé en J. Leusden, die tevens koster waren.

Hoewel het kerkhof oorspronkelijk bedoeld was voor inwoners van De Bilt, werden er in de 18e en 19e eeuw ook diverse Utrechtse hoogleraren begraven. Dit kon te maken hebben met de tijdsgeest, vergelijkbaar met Leidse hoogleraren die in Katwijk werden begraven.

Naast hoogleraren bevinden zich op het kerkhof ook graven van adellijke dames en heren, vaak geassocieerd met buitenplaatsen in de omgeving van De Bilt. Sommigen waren ambachtsheer van De Bilt, zoals Johan Hendrik van Ewijck.

tags: #dominee #van #beeck #calkoen #in #1795