De Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) vormen sinds 1892 een kerkverband binnen het protestantisme in Nederland, met wortels die teruggaan tot de Afscheiding van 1834. Het kerkverband ontstond na een periode van scheuringen en herenigingen binnen de gereformeerde beweging.
Historische Wortels en Ontstaan
De Afscheiding van 1834
De basis voor de CGK werd gelegd met de Afscheiding van 1834. In die periode maakten diverse gereformeerden zich los van de Nederlandse Hervormde Kerk, omdat de gereformeerde belijdenis daar niet langer naar behoren werd gehandhaafd. De theologische stroming van de 'Groninger Richting', onder leiding van hoogleraar Petrus Hofstede de Groot, verwierp de binding aan de Drie Formulieren van Enigheid. Dit leidde tot verzet van orthodoxe zijde.
Op 13 oktober 1834 tekenden de eerste afgescheidenen in het Groningse dorp Ulrum de Acte van Afscheiding of Wederkeer, waarmee zij aangaven terug te keren naar de gereformeerde leer. Binnen een jaar groeide deze beweging uit tot ongeveer 20.000 leden.
Scheuringen en Herenigingen
De periode na de Afscheiding werd gekenmerkt door externe druk vanuit de overheid en interne meningsverschillen. Dit resulteerde in een splitsing van de afgescheidenen in twee groepen: de Christelijke Afgescheiden Gemeenten en de Gereformeerde Kerken onder het Kruis. Dankzij de inzet van pleitbezorgers zoals Guillaume Groen van Prinsterer, stopte de overheid met de vervolgingen. In 1869 vond een belangrijke hereniging plaats tussen de Christelijke Afgescheiden Gemeenten en de meeste kruisgemeenten, wat leidde tot de vorming van de Christelijke Gereformeerde Kerk.
De Fusie van 1892 en de Doorstart
In 1886 scheidde zich opnieuw een groep gereformeerden los van de Hervormde Kerk, onder leiding van Abraham Kuyper, wat resulteerde in de Nederduitse Gereformeerde Kerken. Op 17 juli 1892 fuseerde de Christelijke Gereformeerde Kerk met dit kerkverband tot de Gereformeerde Kerken in Nederland. Echter, een kleine groep van drie gemeenten, waaronder die in Teuge, Zierikzee en Noordeloos, besloot in 1892 niet mee te gaan met deze fusie. Onder leiding van de predikanten Frederik Philip Louis Constant van Lingen en Jacobus Wisse Czn. zetten zij de Christelijke Gereformeerde Kerk voort.

Kenmerken en Theologische Stromingen
Kerkdienst en Sacramenten
De meeste Christelijke Gereformeerde Kerken houden op zondag twee kerkdiensten waarin de Bijbel centraal staat. De Bijbel wordt uitgelegd door een voorganger. De invulling van de kerkdienst en de Bijbeluitleg kan variëren, afhankelijk van de stroming waartoe een plaatselijke kerk behoort: van modern-orthodox tot behoudend bevindelijk-gereformeerd.
Net als in andere gereformeerde kerkverbanden kent de CGK twee sacramenten: de Heilige Doop en het Heilig Avondmaal.
Theologische Universiteit en Missionaire Activiteiten
Het kerkverband beschikt over een eigen Theologische Universiteit (TUA) en onderhoudt een eigen kerkelijke zending. Er wordt veel contact onderhouden met kerken in het buitenland die een gereformeerde signatuur hebben.
Geloofsbelijdenissen
De naam van het kerkverband verwijst naar de basis van de christelijke en gereformeerde belijdenissen. Deze zijn gebaseerd op de Apostolische Geloofsbelijdenis, de Geloofsbelijdenis van Nicea, de Geloofsbelijdenis van Athanasius en de Drie Formulieren van Enigheid.
Ledenaantallen en Geografische Spreiding
Per 1 januari 2025 telt het kerkverband 66.572 leden, wat neerkomt op circa 0,3% van de Nederlandse bevolking. Hiermee is de CGK het vierde protestantse kerkverband van Nederland qua ledenaantal. Het zwaartepunt van het kerkverband ligt geografisch in de zogenaamde Bijbelgordel.

Ontwikkelingen en Theologische Debatten
De Theologische School
Na de doorstart van de Christelijke Gereformeerde Kerk in 1892, werd in 1894 besloten tot de oprichting van een Theologische School. Deze werd aanvankelijk in Den Haag gevestigd en verhuisde later definitief naar Apeldoorn. Predikanten als Jacobus Wisse Czn. en Frederik Philip Louis Constant van Lingen waren belangrijke docenten in de beginfase.
Nadruk op Bevindelijkheid en Geloof
Na 1892 profileerde de Christelijke Gereformeerde Kerk zich overwegend als bevindelijk-gereformeerd. Predikant Van Lingen legde de nadruk op wedergeboorte en bekering, zonder de waardering voor wetenschap in tegenspraak met de Schrift te plaatsen. Later verschoof het accent naar de rechtvaardiging door het geloof, wat door sommigen werd gezien als een gevolg van een 'Calvijn-revival'.
Verhouding tot Andere Kerkverbanden
De CGK voelden zich geroepen tot de vereniging van alle gereformeerden die trouw wilden leven naar de Bijbel en de gereformeerde belijdenissen. Er waren contacten met de Gereformeerde Gemeenten, maar ook gereserveerdheid. Predikant G.H. Kersten van de Gereformeerde Gemeenten verweet de CGK een 'gebrek aan beginsel'.
De discussie rondom de drieverbondenleer, aangewakkerd door het catechisatieboekje van ds. J. Jongeleen in 1927, leidde tot spanningen. Kersten beschouwde het genadeverbond in dit boekje als 'te conditioneel' en 'losgemaakt van de verkiezing'.
Na de Tweede Wereldoorlog
In de periode na de Tweede Wereldoorlog speelde de invloed van theologen als J.G. Woelderink een rol. De opkomst van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKv) in 1944 leidde tot verdere bezinning. Hoewel er op het eerste gezicht veel overeenkomsten waren tussen de CGK en de GKv, waren er ook theologische verschillen, met name rond de leer van de veronderstelde wedergeboorte.
In 1952 verlieten predikanten als E. du Marchie van Voorthuysen en J. G. van Minnen het kerkverband, mede vanwege de wens om de gesprekken met de vrijgemaakten en synodaal gereformeerden te stoppen. De CGK-synode van 1953 uitte zorgen over de ontwikkeling van de prediking en andere verschijnselen die op toenemende vervlakking zouden wijzen.
Nieuwe Generaties Theologen
Professoren als Willem Kremer en B. J. Oosterhoff vertegenwoordigden een nieuwe generatie theologen. Kremer zette zich in voor een 'ander type prediking' met meer nadruk op 'het geloof' en 'de gemeente als verbondsgemeente'. Oosterhoff publiceerde studies die bezwaren opriepen, met uitspraken als "herinterpretatie" en "actualisering van teksten".
Prof. J. van Genderen keerde zich in 1951 tegen de opvattingen van Woelderink over de verkiezing, uit angst voor een abstracte predestinatieleer.

Stromingen en Discussies
Het Genadeverbond
De discussie rond het genadeverbond was een centraal thema, met name na het verschijnen van het catechisatieboekje van ds. J.J. Jongeleen in 1927. Dit boekje werd zowel door dr. Klaas Schilder (GKv) als door ds. G.H. Kersten (Gereformeerde Gemeenten) bekritiseerd.
Binnen de CGK waren er uiteenlopende opvattingen. Predikant Jacobus Gerardus van Minnen (1900-1971) koos de zijde van de Christelijke Gereformeerden tijdens de pennebestrijd tussen Kersten en Jongeleen. Hij had een 'ruimere' opvatting van de leer van het genadeverbond, gebaseerd op de accenten gelegd door ds. A. de Blois.
Kritiek op Vernieuwing
In de periode na de Tweede Wereldoorlog ontstond er binnen de CGK een groep die kritisch stond tegenover de vernieuwingsbeweging. Predikanten als H. Visser Mzn. en J. G. van Minnen voelden zich niet meer thuis in een kerk die zij beschouwden als een 'modaliteitenkerk' (een kerk met wezenlijk verschillende richtingen). Dit leidde tot afsplitsingen en de vorming van nieuwe kerkverbanden, zoals de Christelijke Gereformeerde Gemeenten (CGG) in 1947 en de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland (CGGIN) in 1952.
Verschillen in Prediking en Liturgie
Er ontstonden zorgen over de prediking, liturgie en levensopvatting binnen het kerkverband. De nadruk op de geloofstoepassing en het werk van de Heilige Geest leek minder aandacht te krijgen, ten faveure van 'verbondsobjectivering' en 'verbondsautomatisme'. De vrees bestond dat dit zou leiden tot vervlakking, verwereldlijking en een glijdende schaal naar charismatisch-evangelische bewegingen.
De synode van 1953 gaf, mede op aandrang van prof. G. Wisse, een Kanselboodschap uit waarin de zorgen werden geuit over het binnenhalen van de 'veronderstelde wedergeboorte door de achterdeur'.

Publicaties en Organen
Diverse publicaties speelden een rol in het kerkelijke leven. Het weekblad De Wekker groeide uit het eerdere 'Het Wekkertje'. Daarnaast verschenen een maandelijks zendingsblad genaamd Uw Koninkrijk kome en het blad Luctor et Emergo van de Bond van Christelijke Gereformeerde Jongelingsverenigingen. In 1896 verscheen het eerste kerkelijk jaarboekje.