De reis begon met een ongemakkelijke tocht. De bus reed niet en voor de fiets was het te koud, dus werd de trein naar Abcoude genomen, vanwaar de weg te voet werd vervolgd. Het vooruitzicht was nog een klein uur lopen over het rijwielpad langs de Rijksstraatweg. Een felle noordooster blies zijwaarts in het gezicht en de eerste druppels van een flinke bui kletterden op het asfalt. In deze barre omstandigheden stopte er een busje naast de lopende persoon. De bestuurder, met een ladder uit de laadruimte stekend, bood een lift aan. Hij mompelde iets over dakpannen die voor Pasen weer op hun plaats moesten liggen, terwijl hij zijn sigaret doofde en met zijn duim naar achteren wees. Op de vraag waar hij heen moest, werd het adres van dominee Schouten genoemd. De bestuurder grijnsde en merkte op dat zijn grootvader nog ouderling bij hem was geweest, en noemde de dominee 'orthodox'.
De bestemming was een kleine, met klimop begroeide boerderij. Na een krakende opening van de voordeur verscheen de dominee, zwaar leunend op zijn stok. Hij leek vaag op een foto in toga, maar was zonder die context nauwelijks herkenbaar. Zijn stem galmde toen hij de bezoeker begroette en een hand uitstak. Deze ontmoeting volgde op een late telefoontje van de dominee, een stem die trilde van ingehouden woede. Dominee Hans Schouten, zo bleek, was een man die de hele Bijbel letterlijk nam, maar tegelijkertijd samenwoonde met een man en op zijn tachtigste priester werd.
Het gesprek met de dominee onthulde zijn levensverhaal en zijn onconventionele kijk op geloof en samenleven. Hij beschreef zijn relatie met Jaap als die van 'kameraden', levend zoals Jezus met zijn discipelen, en beloofde een brief te schrijven naar de bisschop van Haarlem om een vermeend misverstand te verduidelijken. De dominee benadrukte dat hij en Jaap al zestig jaar samenleefden en dat hij het probleem niet zo zag.
Dit bracht de herinnering naar boven aan Albert, een jongeman die ooit van huis vertrok met een boterham en een schoon hemd, onder de zegen van zijn vader die God smeekte hem te beschermen tegen verleidingen. Albert bereikte te voet de stad, verbaasd over de houtzaagmolens en het Amstel Hotel. Hij las over Karl Marx die de Amsterdamse kameraden zou toespreken en hoorde dominee Abraham Kuyper de kleine luiden aanmoedigen het juk van de elite af te werpen. Albert belandde in het drukke Joodse kwartier, waar visventers en kramers hun handel aanboden. Hij vond onderdak in een logement in de Lange Niezel, waar hij met tientallen andere jongens op zoek naar een beter leven in de kelder sliep.
Na een nacht werd Albert beroofd van zijn geld en door de waard de straat op gegooid. Daar, in september 1872, stond hij tegenover het huis waar ooit de Bickers woonden. Het pand was opgesplitst in woninkjes en winkeltjes, waaronder een winkel van een man die de 'Mof' werd genoemd vanwege zijn Frankfurter zuurkool. De Mof, bewogen door de aanblik van de magere jongen op zijn kapotte klompen, nam Albert in dienst als knechtje. Zo werd de grootvader van dominee Hans Schouten een knechtje bij de Mof, een periode die de geschiedenis niet volledig heeft vastgelegd.
Terug in de boerderij leidde dominee Schouten de bezoeker door een nauwelijks verlichte gang naar zijn werkkamer, volgestouwd met boeken. Drie, vier klokken tikten door elkaar heen. De dominee wilde psalm 62 voordragen, een psalm van koning David, maar de bezoeker luisterde niet aandachtig. De dominee las verder: "Bij u, Heer, is ontferming." Hij introduceerde zichzelf als Hans, priester, en legde uit dat zaligheid niet alleen door geloof, maar ook door gedrag kwam. Hij schaterde het uit, maar werd daarna ernstig. Hij vertelde over zijn familieachtergrond op de Veluwe, waar men geloofde dat God iemand bij voorbaat verworpen had. Dit besef van onvermijdelijke verwerping, ongeacht gebed of smeekbeden, drukte zwaar op hem.
Plotseling klaarde zijn gezicht op bij de komst van Jaap. De dominee vroeg hoe het met de vader van de bezoeker ging, waarop een positief antwoord volgde. De dominee wilde foto's zien, omdat hij wist dat zijn eigen einde naderde. Hij sprak over zijn grootvader, Albert, die klokkenmaker werd en een winkel opende in de Nes. Albert verafschuwde de mannen die er kwamen om te kaarten en te drinken, en de politieagenten die hij 'sarren' noemde. Hij sidderde bij de gedachte aan de vrouwen die hun lichaam te koop aanboden, maar was praktisch ingesteld en wist dat er voor hen geen redding mogelijk was. Albert trouwde met de dochter van de bakker en hun huwelijk was sober. Twintig kinderen werden geboren, veertien stierven, velen voor hun eerste jaar. De stad groeide, de armoede was groot, en de mensen werden vatbaar voor revolutie. Albert kwam onder de invloed van dominee Abraham Kuyper, die een kerkscheuring forceerde.
Op Paasmorgen 1886 werd Albert te laat bij de kerk. Dominee Pantekoek las het opstandingsverhaal voor en stelde dat het niet letterlijk moest worden genomen. Albert werd boos en begon dwars door de woorden van de dominee heen te zingen. Een zoektocht in het archief van de Vrije Universiteit en het Algemeen Handelsblad toonde aan dat er niets te vinden was over Albert Schouten die met tachtig medestanders zingend de kerk had verlaten. Dominee Pantekoek bleek al in 1878 te zijn overleden.
De winkel in de Oudebrugsteeg was veranderd in een plek waar pizza en kebab werden verkocht. De bezoeker keek naar de treetjes naar boven en beneden, volgestapeld met lege sausemmers. Een jongen, die vlees van het spit schraapte, riep: "Lady, can I help you?" Meer Engels sprak hij niet, en hoe begin je over het verleden van een huis in het Arabisch?
Dominee Schouten beschreef zijn geboorteplaats als een plek met een "boosaardige damp" en een "lucht" die hij nog rook. Hij vertelde over zijn broer Frits, die balletdanser wilde worden, maar door hun vader gedwongen werd klokkenmaker te worden. Frits liep van huis weg, werd teruggebracht, en na vier jaar van dwangarbeid in het reparatiehok, ontsnapte hij 's nachts. Een schipper redde hem uit het Damrak. Frits werd beschuldigd van bezetenheid door de duivel en naar de broeders met de blauwe koorden gestuurd. Op zijn volwassenheid monsterde hij aan op een schip naar San Francisco. Jaren later, na de oorlog, kwam het bericht dat hij met zijn auto van de pier in de baai was gereden. "Mijn vader huilde tranen met tuiten," zei Hans Schouten, "ik was acht en mijn broertje en ik durfden niets te zeggen." Ze correspondeerden uitvoerig, en al die brieven... Hij keek alsof hem iets vervelends te binnen schoot en stond kreunend op.
De tekst verschuift dan naar een discussie over de Europese Unie en haar militaire ambities. De auteur bekritiseert de lobby van de wapenindustrie, de mythes over defensie en de eigen rol van Europa in het creëren van onveiligheid door deelname aan militaire interventies. Er wordt een Europees Defensiefonds van 5,5 miljard euro voorgesteld voor militair onderzoek en gezamenlijke aankoop van materieel. De Commissie trekt vanaf 2020 een miljard euro uit voor defensiebedrijven, terwijl er slechts 25 miljoen euro beschikbaar is voor conflictpreventie en vredesopbouw.
Jeffrey Sachs, een Amerikaanse econoom, pleit voor een Europees plan voor de energietransitie en een sterk, zelfstandig buitenlands beleid. Hij stelt dat Europa het slachtoffer is geweest van de VS en vreest voor een oorlog met Iran. Hij roept Europa op om "nee, stop het!" te zeggen tegen de escalerende retoriek.
De auteur prijst het werk van Joseph Roth, met name zijn reisreportages uit Frankrijk. Roth's beschrijvingen van de polarisatie in het publieke debat en de angst voor verlies van nationale identiteit worden aangehaald. Een reportage over Saint-Quentin, waar de Eerste Wereldoorlog huishield, wordt als indrukwekkend beschreven. De ironie van toerisme naar slagvelden en de verwoesting die de oorlog teweegbracht, komen aan bod. Op een Duitse begraafplaats drukt een Franse opzichter elke Duitser de hand en vraagt: "Kameraad, waarom hebben we gevochten?" Tussen 40.000 onbekende soldaten word je een pacifist.
De tekst gaat verder met het levensverhaal van dominee Cornelis Christiaan Schot (1852-1920), geboren in Nederlands-Indië. Hij kwam als kind naar Nederland en werd theologie student aan de Universiteit Utrecht. Na de dood van zijn vader werd hij voogd van een groot gezin. Hij promoveerde op een dissertatie over de afscheiding van 1834 en werd predikant in Aagtekerke, later in Tholen en Hardenberg. In Tholen werd hij bekritiseerd voor zijn kerkelijke censuur en het 'in de ban' doen van gemeenteleden. Hij zwaaide een 'verdoemings-formulier' uit over mensen die niet in zijn kerk kwamen. Hij werd lid van de Antirevolutionaire Partij en nam deel aan het Gereformeerd Kerkelijk Congres. In Hardenberg scheidde hij zich af van de Nederlands Hervormde Kerk en sloot zich aan bij de dolerenden, wat leidde tot de bouw van de Höftekerk. Hij was redacteur van diverse theologische tijdschriften en mede-initiatiefnemer van het Sallandâs Volksblad. Hij werd geprezen als een breed ontwikkeld man en een raadsman voor velen. Na een bewogen leven overleed hij in 1920.
Een ander deel van de tekst beschrijft de militaire dienst van Tinus (1947-1950) in Nederlands-Indië. Hij diende bij de 14e Genie Veld Compagnie als chauffeur en oppasser. Hij nam deel aan het ruimen van bommen en mijnen, de aanleg van bruggen en landingstrips. Hij beschrijft de zeereis met de SS Volendam, de aankomst in Belawan, en zijn verblijf op Sumatra en Java. Hij kreeg de Orde voor de Vrede en 2 gespen. De tekst bevat gedetailleerde beschrijvingen van zijn werkzaamheden, de omstandigheden in Indië, en zijn kameraadschap met mede-militairen. Er wordt ook een verhaal verteld over een straf in Indië waarbij hij in een kooi in de wildernis moest slapen.
Verderop wordt een verhaal verteld over de schoenmaker Vadberg in Enby, die door de gemeente wordt verstoten vanwege een zonde. De predikant, broeder Simon, spreekt over de macht van de duivel en de noodzaak om hard te zijn tegen zonde. Moeder Tilda van Enby bezoekt Vadberg om hem te steunen. Augustsson, een rijke boer en voormalige bekende van Vadberg, denkt terug aan hun verleden en zijn afkeer van Vadberg. Vadberg voelt zich ziek en eenzaam, en overweegt naar de predikant te gaan voor hulp. Hij zit bij zijn huisje, denkt aan zijn overleden vrouw en kinderen, en bidt om ontferming.
Ten slotte wordt een biografie van de literatuurcriticus en televisiepresentator Michaël Zeeman (1958-2009) besproken. Willem Otterspeer, een vriend van Zeeman, schreef de biografie. De biografie wordt omschreven als een boek voor 'boekengekken', vol met citaten en uitweidingen over Zeemans liefde voor boeken.

Wie was Abraham Kuyper?
