Ds. W.S. Veltman: De Weg naar de Theologische School in Kampen

Jeugd en Opleiding

Ds. W.S. Veltman (1845-1922) begon zijn predikantschap in Zwartsluis in november 1868, kort na het afleggen van zijn kandidaatsexamen in juli van datzelfde jaar. Nog geen jaar later, in december 1869, verhuisde hij naar de Christelijke Gereformeerde Gemeente in Onstweddermussel en Stadskanaal, gelegen in de provincie Groningen. In juli 1873 werd hij christelijk gereformeerd predikant in het Friese Blija. Ruim negen jaar later, in november 1882, koos hij voor de kerk in het Groningse dorp Spijk. In juni 1890 werd hij predikant te Haarlemmermeer Oostzijde, waar hij in 1910 met emeritaat ging.

een portretfoto van Ds. W.S. Veltman

De Beslissing om Theologie te Studeren

De weg naar het predikantschap begon echter eerder. In 1863 deed Ds. Veltman toelatingsexamen voor de Theologische School te Kampen. Over deze belangrijke gebeurtenis schreef hij later, in 1894, een verhaal getiteld ‘Herinneringen’. In dit verslag beschrijft hij zijn vreugde toen alle bezwaren overwonnen waren en het vaststond dat hij naar Kampen zou gaan om aan de Theologische School opgeleid te worden tot bedienaar des Woords. Hij vergelijkt zijn gevoelens met die van de Israëlieten voor Jeruzalem, de stad van de grote Koning. Voor hem was Kampen, de stad van de Theologische School, de enige stad die hij zo'n voorrang toekende, omdat daar een jongmensch vertrouwd kon worden onderwezen in de waarheid.

De Reis naar Kampen

Op een septembermorgen in 1863 verliet hij de ouderlijke woning. Met een welgevulde valies op zijn schouders, gedragen over zijn paraplu, begon hij aan de voetreis van Heerenveen naar Lemmer, om van daaruit met de schuit naar Kampen te gaan. De reis was lang en lastig door het zware valies, maar de gedachte aan Kampen overwon bijna elk bezwaar en elke moeilijkheid. Hij beschrijft hoe de hoop in zijn hart de schijnbaar onbereikbare droom dichterbij bracht.

een historische kaart van Friesland en Overijssel met de route van Heerenveen naar Kampen

Onverwachte Ontmoetingen en Hindernissen

Onderweg kwam hij echter twee bezwaren tegen die hem steeds voor de geest stonden. Een van deze bezwaren werd versterkt door een ontmoeting met een man die hij tegenkwam op zijn pad. Deze man, met een volgepakte zak op zijn rug en een meisje aan de hand, waarschuwde voor onstuimig weer op de Zuiderzee. Veltman, die eigenlijk bang was voor de zee, gaf toe dat hij liever een andere weg naar Kampen had genomen, ware die er geweest. De man wuifde zijn zorgen weg en benadrukte zijn eigen langere reis naar Amsterdam. Veltman vermoedde dat de man hem probeerde te misleiden, zeker omdat hij zich weinig herinnerde van een eerdere zeereis als kind.

Na een gesprek over weer, wind, schippers en zeeziekte, kwamen ze aan in Lemmer. De reisgenoot wees hem de weg, en Veltman bevond zich voor het eerst in een herberg. Met een beklemd hart vroeg hij om koffie en een broodje, en informeerde naar zijn verdere reis. Hij werd verrassend voorkomend en vriendelijk behandeld. Terwijl hij wachtte op de schuit, merkte hij hoe andere gasten zich thuis voelden, pijp rokend en kaarten spelend. Hij voelde zich ongemakkelijk en overwoog te vertrekken.

Een Verhelderend Gesprek

Een oudere heer met een militair uiterlijk schoof zijn stoel bij die van Veltman. Ze raakten in gesprek en al snel bleek dat de heer ook naar Kampen ging. Hij sprak lovend over de stad, het buitenwerk en de fatsoenlijkheid van de kantine. Veltman, echter, wist niet waar hij het over had en vroeg of zijn zoons ook theologie studeerden. De heer was verbaasd, want hij had nog nooit van een Theologische School gehoord. Het gesprek onthulde een wederzijdse onkunde: de heer wist niets van een Theologische School, terwijl in Veltmans begrip geen plaats was voor een Instructie-Bataillon. Dit gesprek leverde hem een dubbel voordeel op.

De Zeereis naar Kampen

Uiteindelijk werd het tijd om aan boord te gaan van de schuit. Veltman beschrijft de donkere zee, de wind die door de touwen giert en het spookachtige licht van de lantaarns. Hij voelde zich ongemakkelijk en hoopte dat de reis snel voorbij zou zijn. Op het schip, dat hij omschrijft als een "reusachtige houten holle klomp", leken de touwen, door de wind tegen de mast geslagen, op kronkelende slangen. Zijn verbeelding werd zo geprikkeld dat hij naar de mast liep om te controleren of het geen monster was.

In de kajuit zocht hij een plek op de harde bank, wachtend op wat komen zou. Gelukkig ging de reis naar Kampen, de stad van de Theologische School. Hij bracht de nacht door op de bank of boven op het schip, maar werd niet zeeziek. Het schip danste niet op de golven, de mast kraakte niet en het touwwerk brak niet; het ging kalmpjes toe. De schipper, een vriendelijke man met veel reiservaring, vertelde over verre landen zoals Oost-Indië en Afrika, Turkije en Spanje, Engeland en Noorwegen. Dit deed Veltman inzien dat zijn onderwijs in aardrijkskunde, dat hij beschrijft als "stokvischachtig", beter vervangen kon worden.

een schilderij van een schip op zee bij zonsopgang

De Zonsopgang boven de Zee

De zonsopgang boven het water was een adembenemend gezicht. Veltman, gewend aan de omgeving van huizen, vond het een verrukkelijk schouwspel. De horizon was omzoomd met goud, de zee kleurde rood en de kabbelende golfjes glinsterden als vloeibaar goud. De plechtige stilte op zee, zonder het straatrumoer van steden of het gekwetter van vogels in bossen, maakte de ervaring nog specialer. De bezwaren van de zeereis bleken slechts in zijn verbeelding te bestaan.

Aankomst in Kampen

Eindelijk waren ze op de IJssel en in zicht van Kampen. De stad bood een prachtig gezicht, vooral voor iemand die nog nooit een oude Hanzestad had gezien. Veltman stuurde een groet naar Kampen, de stad van de Theologische School, terwijl beelden van heden, toekomst, letteren, theologie, mensen en zaken voor zijn ogen dansten. Nabij de lange, houten brug, die hij bewonderde als een wonder van waterbouwkunst, wierpen ze de touwen uit en stapte hij aan wal.

Een goede vriend haalde hem op en bracht hem naar het kosthuis. Veltman voelde zich overweldigd door de emoties en had bijna niet geslapen, mede door de zenuwachtigheid van de overspanning. Zijn hospita, die hij als een tweede moeder beschrijft, overtuigde hem om rust te nemen en zorgde met moederlijke aandacht voor hem.

een historische afbeelding van de stad Kampen met de IJssel

Het Toelatingsexamen aan de Theologische School

De volgende ochtend werd Veltman wakker en moest hij zich ervan overtuigen dat het geen droom was. Hij was in Kampen! Die dag was gewichtig, want de studenten moesten voor de docenten verschijnen om hun kennis te laten onderzoeken. Veltman had zich goed voorbereid en beheerste diverse theologische en talenwerken, waaronder ‘Voorbeeld der Goddelijke Waarheden’ van Hellenbroek, ‘Kern’ van Francken, ‘Schets der Algemeene Geschiedenis’ van Bosscha, ‘Rudimentia’ van Bake, de Griekse Grammatica van Gerardus Dorn Seiffen, en de ‘Bruidschat Israëls’ van Soesman. Ondanks zijn voorbereiding, schrok hij enorm van het onderzoek.

De studenten moesten om tien uur samenkomen in een somber huis aan de Nieuwstraat, dat door de kleurloze gordijnen en de sombere uitstraling afweek van een gewoon huis. Eenmaal binnen bevonden ze zich in de collegezaal, een samenvoeging van twee kamers, met uitzicht op een kale plaats. Een pedel wees hen hun plaatsen aan een lange tafel aan.

De Docenten van de Theologische School

Aanwezig waren de docenten van de Theologische School. De oudste van hen was Ds. T.F. de Haan (1791-1868), die sinds 1839 predikant was van de Christelijke Afgescheiden Gemeenten in Friesland en docent werd aan de Theologische School in Kampen in 1854. Hij werd beschreven als een man met prachtig wit haar en bakkebaarden, een man van overtuiging die zich had aangesloten bij de vervolgde broeders tijdens de Afscheiding. Hij was een geleerd man, een levende concordantie van het Hebreeuwse Oude Testament, hoewel zijn krachten aan het afnemen waren. Desondanks kon hij nog steeds vier uur lang spreken over de uitnemendheid van Christus.

Naast hem zat Ds. S. van Velzen (1809-1896), een docent sinds 1854. Hij had glanzend, donker haar, met een kleine kale plek op zijn hoofd. Zijn meest sprekende kenmerken waren zijn ogen, die tintelden van leven, en zijn mond, waar een glimlach om speelde. Hij werd omschreven als een goedhartig man die wist wat hij wilde, een uitstekende prediker met een duidelijke en onbevangen verkondiging van de waarheid.

Vervolgens kwam Ds. A. Brummelkamp (1811-1888) in beeld. Hij had een prachtige gestalte, een mooi hoofd met gekroesd haar en was elegant gekleed. Zijn houding was die van een aristocraat in de edele zin van het woord. Net als Van Velzen was hij een van de eerste predikanten van de Afgescheiden Kerk, uit de Hervormde Kerk gezet vanwege zijn ijver voor de Waarheid. Ondanks waarschuwingen tegen hem, voelde Veltman zich door Brummelkamp aangenomen.

Tot slot was er Ds. Helenius de Cock (1824-1894), de jongste van de docenten. Hij was een man in de kracht van zijn leven, met een donkere ringbaard en bruinachtig haar. Hij was de zoon van de eerste Afgescheiden predikant, Hendrik de Cock. De Cock werd omschreven als een koel redenerende, maar streng logische spreker, die ook in het onderwijs zo moest zijn. Desondanks werd hij gezien als een man met een hart, vooral voor de studenten.

een collage van portretten van de genoemde docenten

Veltman voelde zich blij dat hij in Kampen was, de stad van de Theologische School. Hij had de School gezien en werd, met uitzondering van één persoon die mogelijk zijn vader had kunnen zijn qua leeftijd, toegelaten tot de lessen. Zo werd hij student, op weg naar het beloofde land.

tags: #dominee #stoel #kampen