Geschiedenis van Doopsgezinde kerken en hun transformatie tot bloemenwinkels

De vroege Doopsgezinde gemeenten en hun strijd

Ergens in de tweede helft van de zestiende eeuw stichtten de doopsgezinden in Grou hun eerste gemeente. Na jaren van felle vervolgingen, die duurden van 1530 tot aan 1597, werd het leefklimaat wat rustiger en werd men wat toleranter tegen de wederdopers. Men kwam waarschijnlijk bij mensen thuis bijeen, in een schuur of in een pakhuis.

Deze zogenaamde ‘Lammerenkrijg’ begon in Amsterdam, tussen Galenus Abrahams de Haan en Samuel Apostool, beide leraren in de Amsterdamse Singelkerk, die ook wel de kerk bij het Lam werd (en wordt) genoemd. Apostool trok weg met zijn volgelingen en ging kerken in de kerk genaamd ‘De Zon’. Nu waren er in die tijd een stuk of tien kleinere doperse stromingen, die zich al grotendeels hadden verenigd.

Oorspronkelijk had de naamgeving te maken met de ontstaansgeschiedenis. Zo sprak men van Friese Doopsgezinden, van oude en jonge Friezen, van Vlamingen, ook van oude en jonge, van Hoogduitsers en van de Waterlanders en van de Dantzigers, allemaal genoemd naar de oorsprong van hun bestaan.

De Vlamingen waren behoudend; zij scheidden zich af van de Waterlanders en kerkten in een schuur in de steeg achter het pand Hoofdstraat 2, de huidige bloemenwinkel. Deze kerk werd het Kleine Huys genoemd. De vrijzinnigere groep, de Waterlanders, bleven hier in het Groote Huys. Tot deze groep behoorde de Grouster burgerij, ambachtslieden, boterhandelaren, de Halbertsma’s, mensen die als voorlopers van de verlichting kunnen worden beschouwd. Tot de rechtzinnige groep behoorden de kleine luyden en vooral de rondom Grou wonende boeren.

In 1829 kwam het tot een hereniging. Het verschil in opvattingen was behoorlijk vervaagd en door de hoge heffingen tijdens de Franse bezetting had men het financieel zwaar. Bovendien waren de boeren van de Vlaamse gemeente in 1825 door een grote overstroming zwaar getroffen. Op de plaats van het Groote Huys bouwde men samen deze kerk. Maar men bleef gescheiden zitten: aan de noordzijde de gegoede burgerij, de Waterlanders, en aan de zuidzijde de Vlamingen, de boeren, het dichtst bij hun Kleine Huys.

Plattegrond van Grou met aanduiding van de locaties van het Kleine Huys en Groote Huys

Ontwikkelingen in Akkrum: van kerkgebouw tot bloemenwinkel

In 1926 werd de oude haven gedempt. Tot aan 1872 deed een voorzanger dienst. In dat jaar werd er een orgel aangekocht, gebouwd door de gebroeders Adema te Leeuwarden. Het had elf stemmen, één manuaal en een aangehangen pedaal. In 1920 werd het instrument door Bakker en Timminga gerestaureerd en uitgebreid tot een twee-klaviers orgel met 12 stemmen. In 1991 tenslotte had de laatste grote restauratie plaats door Hendriksen en Reitsma uit Nunspeet.

Op dit moment staan er nog twee kerkgebouwen in Akkrum. Een protestantse kerk, die met de spitse toren, en de doopsgezinde kerk. Niet allebei de kerkgebouwen worden nog als kerkgebouw gebruikt. Het kerkgebouw van de doopsgezinden is nu een bloemenwinkel geworden. Dit is een duidelijk voorbeeld van een functieverandering van een voorziening in het dorp. Eerst was dit een kerk, nu is het een winkel.

Foto van de voormalige doopsgezinde kerk in Akkrum, nu een bloemenwinkel

De protestantse kerk wordt nog steeds gebruikt. In deze kerk worden nog elke zondag kerkdiensten gehouden. De kerk is nu officieel van de protestantse gemeente Akkrum. Dit is een fusie tussen de hervormde gemeente en de gereformeerde gemeente in Akkrum. Dit waren een van de eerste gemeenten in Nederland die fuseerden binnen het Samen op Weg-proces. Dit is een project dat al in 1961 is opgezet en wat streeft naar meer onderlinge samenwerking tussen kerken. Toch kwam het in Nederland nog niet vaak voor dat gemeenten van verschillende kerken samengingen. In 1991 was dit in Akkrum wel het geval. Daarom wordt deze protestante gemeente in de volksmond ook wel de Samen op Weg-kerk genoemd.

Foto van de protestantse kerk in Akkrum met de spitse toren

De transformatie van het 'Kerkje van Goldjebloum'

Het historische godshuis, dat ooit dienst deed als kerk, is getransformeerd tot een plek voor kunst en cultuur. Vorig jaar kwam het in de verkoop, nadat kunstschilder Jan van Loon er jarenlang zijn atelier had en er exposities hield. Een oud-leerling van hem van de Academie Minerva, kunstenaar Wilma Mencke (68), nu opererend onder de kunstenaarsnaam MW Goldjebloum, is de trotse bezitter van het kerkje. Mencke, van oorsprong Drentse, runde jarenlang een galerie in Groningen en heeft al achttien keer eerder verhuisd.

Mencke is gespecialiseerd in bijzondere borduurkunst op gefotografeerde natuur en geeft workshops in meditatief borduren. Ze heeft het historische godshuis omgedoopt tot Kerkje van Goldjebloum, naar de goudsbloem (calendula), vanwege haar geneeskrachtige eigenschappen en de associatie met haar Groningse grootmoeders.

Het kerkje kwam de afgelopen jaren vooral in beeld vanwege een fraaie plafondschildering over de ontstaansgeschiedenis van de Doopsgezinden, gemaakt door studenten van de Klassieke Academie in Groningen. Mencke hoorde toevallig dat het kerkje te koop stond en voelde zich direct aangetrokken tot de plek. "Het kerkje betoverde mij, en heeft toen besloten 'Koop mij maar'," vertelt ze. Ze heeft het gemeentelijk monument aan de Oranjestraat gekocht en woont in de voormalige dienstwoning, die ze heeft omgetoverd tot een bungalow.

Haar bedoeling is dat het kerkje een plek wordt voor exposities, concerten, lezingen en workshops, die passen bij de sfeer van verstilling en contemplatie. Ze wil hiermee bijdragen aan innerlijke rust en zelfreflectie. Zelf zal ze als MW Goldjebloum het spits afbijten met een expositie van meer dan honderd kleine handborduurwerken, getiteld 'Voortborduren op onze ware natuur'. Het kerkje zal op Eerste Paasdag heropend worden en daarna elke zondag open zijn.

Interieur van het Kerkje van Goldjebloum met kunstwerken van Wilma Mencke

Bloemenwinkels en hun rol in de gemeenschap

De connectie tussen bloemen en Doopsgezinden wordt ook belicht door het voorbeeld van Dennis Weening, eigenaar van BYDENNIS in Haarlem. Tijdens de coronapandemie moest zijn bloemenwinkel, net als veel andere zaken in de branche, de deuren sluiten. Weening ervoer de impact van de crisis direct, met name door de rouwstukken voor coronapatiënten.

Ondanks de uitdagingen, werkte hij hard door achter de schermen, met het maken van vele boeketten en het beleveren van klanten. Hij benadrukt het belang van lokale telers, elektrische transportmiddelen en samenwerking tussen ondernemers om de toekomst van de binnenstad veilig te stellen. Weening ziet de crisis als een kans voor innovatie en bewuster consumeren, ook in de bloemenbranche.

Een ander voorbeeld is Bert Kuiper, eigenaar van 'boutique-garden' He-as in Heerenveen. Kuiper, die de liefde voor bloemen van zijn moeder erfde, heeft samen met zijn partner Dini Holtrop, tweevoudig Nederlands Kampioen bloemsierkunst, een bloeiend bedrijf opgebouwd. Holtrop's talent en passie voor bloemsierkunst, ook in rouwarrangementen, dragen bij aan de unieke sfeer van hun winkel. De winkel is gevestigd in een voormalig Groene Kruisgebouw, wat soms voor verwarring zorgt bij klanten die op zoek zijn naar medische voorzieningen.

Deze voorbeelden laten zien hoe bloemenwinkels, soms voortkomend uit voormalige religieuze gebouwen, een belangrijke rol spelen in het dagelijks leven van gemeenschappen, zowel door hun commerciële functie als door hun bijdrage aan vieringen en herdenkingen.

Een geheime grafschildering in de Oude Kerk in Delft

tags: #doopsgezinde #kerk #bloemenwinkel