De Ontstaansgeschiedenis van de Doopsgezinde Gemeente
De doopsgezinde beweging, die haar oorsprong vindt in het Zwitserse taalgebied rond 1520, verspreidde zich al snel naar de Nederlanden. Deze beweging, gekenmerkt door de volwassenendoop op persoonlijke belijdenis van geloof, week af van de gangbare praktijken van de toenmalige kerken. De volgelingen werden aanvankelijk 'wederdopers' of 'anabaptisten' genoemd, hoewel zij zichzelf liever 'mennisten' of 'mennonieten' noemden, naar de invloedrijke predikant en theoloog Menno Simons (1496-1561). Simons transformeerde de leer tot een geweldloze godsdienst, wat essentieel was gezien de hevige vervolgingen die de doopsgezinden in heel Europa te verduren kregen, vaak beschouwd als landverraad. In Amsterdam leidde dit in 1535 tot oproer en bloedige incidenten, waarna het stadsbestuur overging tot systematische vervolging. De Alteratie van Amsterdam in 1578, waarbij de stad zich aansloot bij de Opstand, betekende een keerpunt; de vervolgingen eindigden en de Unie van Utrecht in 1579 legde de vrijheid van geweten vast.
Gedurende de 16e en 17e eeuw kende de doopsgezinde beweging diverse stromingen, vaak benoemd naar hun oorsprong of specifieke leerstellingen, zoals de Friese Doopsgezinden, Waterlanders, Vlamingen, Hoogduitsers en Dantzigers. Deze groepen, hoewel verschillend in theologisch gedachtegoed en geografische herkomst, streefden naar een gemeenschap gebaseerd op volwassenendoop, weigering om eden te zweren en het principe van geweldloosheid. In Amsterdam ontstonden diverse kerkjes of 'sociëteiten', die vaak in schuilkerken bijeenkwamen, zoals 'Bij de Zon', 'Bij het Lam' en 'Bij de Toren'. Deze kerken mochten van buiten niet als zodanig herkenbaar zijn en moesten aan de openbare weg onttrokken worden, wat leidde tot de bouw van 'vermaanhuizen' achter bestaande gebouwen.
De 18e eeuw zag een verdere ontwikkeling van de doopsgezinde gemeenten. In Amsterdam kende men meer dan tien doopsgezinde richtingen. De Vlamingen, behoudend van aard, scheidden zich af van de Waterlanders en kerkten in een schuur die het 'Kleine Huys' werd genoemd. De vrijzinnigere Waterlanders, waaronder veel van de Grouster burgerij, bleven in het 'Groote Huys'. In 1829 kwam het tot een hereniging, mede door de financiële druk van de Franse bezetting en de zware gevolgen van een overstroming voor boeren van de Vlaamse gemeente. Op de plaats van het Groote Huys werd gezamenlijk een kerk gebouwd, waarbij de gemeenten gescheiden bleven zitten: de Waterlanders aan de noordzijde en de Vlamingen aan de zuidzijde.

De Ontwikkeling van "De Zon" en "De Kleine Zon"
Een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van de doopsgezinden in Amsterdam was de afscheiding van een groep doopsgezinden in 1671 van de gemeente die bijeenkwam aan het Singel 118. Zij richtten in een pakhuis aan de Prinsengracht nabij de Prinsenstraat een nieuwe vergaderplaats in, genaamd 'De Kleine Zon'. Na de hereniging van beide gemeentes werd 'De Kleine Zon' in 1720 overgenomen door een groep Friese doopsgezinden. Zij noemden de kerk aan de Prinsengracht naar hun vroegere vergaderplaats aan de Nieuwezijds Voorburgwal, 'De Arke Noachs'. Toen ook de Friese doopsgezinden zich in 1752 bij 'De Zon' aansloten, werd de kerk aan de Prinsengracht overbodig.
In 1752 werd de doopsgezinde kerk die op de plek van het latere Zonshofje stond, overbodig door verschillende fusies tussen gemeentes. In 1755 besloot men op de plaats van de kerk een hofje te bouwen, ter vervanging van een ouder hofje in de Tuinstraat dat in 1672 aan 'De Zon' was toebedeeld. Dit hofje, oorspronkelijk bedoeld voor oude vrouwen, mannen en wezen, was in 1672 'de Zon' toebedeeld. Omdat het tot 1764 duurde voordat een vergunning tot bouwen werd verkregen, kon het hofje pas in 1765 in gebruik worden genomen. Het Zon's Hofje, gelegen verscholen achter de huizen van de Prinsengracht en Prinsenstraat, is bereikbaar via een lange gang die tussen 1723 en 1728 de Sonnegang werd genoemd en later de Noachsgang. Na verkoop aan de Friese Gemeente kreeg het kerkgebouw de naam De Arke Noach.

Het Zon's Hofje: Van Bejaardenoord tot Studentenwoning
Het Zon's Hofje, in 1765 in gebruik genomen door doopsgezinde vrouwen bejaarden, gold indertijd als een modern en goed geoutilleerd tehuis. De stadsgeschiedschrijver Jan Wagenaar, die het hofje kort na de opening bezocht, prees de sanitaire voorzieningen en de watervoorziening. Het hofje bestond toen uit zes huisjes en twaalf kamers, 26 vertrekken voor 2 personen, met eetkamer, keuken en moederwoning. Verder had het hofje beneden en boven de vereiste gemakken en overvloed van regen- en popwater. Het hofje is in 1800 vergroot en in 1882 ten tweede male. Ten tijde van Alings (1965) bood het plaats aan 32 vrouwen.
In de loop van de 19e eeuw is het complex uitgebreid met twee panden aan de Prinsengracht. In 1893 werd het hof wederom uitgebouwd, ook het bestaande hof werd verbouwd. Het Zon's Hofje heeft enige vorm van concurrentie ondervonden van het Rijpenhofje, dat in 1913 werd gemoderniseerd. Hierdoor gaven meer dames voorkeur aan het Rijpenhofje dan aan het Zon's hofje. Omdat het hofje leegstand begon te vertonen, werd besloten om de kamers ook aan doopsgezinde meisjes en sociaal werksters te gaan verhuren. Sinds 1967 zijn de vrouwelijke bewoners allemaal jongeren; de laatste bejaarde bewoonster verhuisde dat jaar en het hofje kreeg de bestemming van studentenhuis. Tegenwoordig is het Zon's Hofje een woonproject voor jongeren, gebaseerd op de grondslagen van de Verenigde Doopsgezinde Gemeente Amsterdam. Daaruit vloeit voort dat de bewoners samen een woon- en leefgemeenschap vormen, waarin wederzijds respect, verdraagzaamheid, onderlinge solidariteit en eigen verantwoordelijkheid centraal staan. Om voor bewoning in aanmerking te komen, moeten studenten lid zijn van de Doopsgezinde Gemeente, een studie volgen en tussen de 18 en 20 jaar oud zijn bij aanvang. De directrice had haar huis op de Prinsengracht 173, met een achteruitgang op het hofje. Daar woont nu de beheerder en de bewoners van het hofje zijn studenten.

De Doopsgezinde Kerk in Utrecht: Een Historisch Perspectief
De Mennonite beweging, die ontstond in Zwitserland, vond rond 1530 ook zijn weg naar de Nederlanden. De agressieve houding van sommige anabaptistische groepen gaf hen destijds een slechte naam, waardoor ze op hun hoede moesten zijn voor invallen en vervolgingen. In Nederland verenigden de gematigde anabaptisten zich onder leiding van priester Menno Simons (1496-1561). Deze 'stille anabaptisten' hadden een afkeer van geweld en leefden een sober en deugdzaam leven. Dit kwam ook tot uiting in het ontwerp van hun kerkgebouwen.
Sinds de Reformatie waren alleen protestantse groepen toegestaan. Andere religieuze gemeenschappen werden slechts getolereerd en mochten hun geloof niet openlijk belijden. Om deze reden werden vanaf het einde van de 16e eeuw veel clandestiene kerken gebouwd. In 1618 vestigde de Doopsgezinde Gemeente zich in een gebouw aan de Springweg (toen de Jufferstraat). Na meer dan 150 jaar raakte het gebouw in verval. Renovatie bleek duurder dan de aankoop van een nieuw gebouw, en de leden vonden de locatie destijds ook te ver van het stadscentrum. Als gevolg hiervan werd gezocht naar een nieuw gebouw.
In 1771 werd de voormalige brouwerij 'De Witte Leeuw' aan de Oudegracht aangekocht. De aankoopprijs bedroeg 7.000 gulden en de totale bouwkosten kwamen nog eens op 28.000 gulden. Dit alles werd gefinancierd door de parochianen via collectes, legaten en de verkoop van oude kerkgebouwen en obligaties. De gevel van het gebouw verraadt nog steeds niet dat erachter geen herenhuis, maar een kerk schuilgaat. De renovatie van het gebouw vond plaats onder leiding van de Haarlemse architect Willem de Haan. Ondanks dat er in de 18e eeuw minder strenge maatregelen werden genomen tegen niet-gereformeerde religieuze gemeenschappen, kregen de doopsgezinden (net als de Lutherse kerk aan de Hamburgerstraat) een gevel die niet op een kerk leek. De gevel van de doopsgezinde kerk kreeg een streng Lodewijk XVI-karakter met zijn Dorische pilasters, wat volledig in overeenstemming was met de religieuze opvattingen van de doopsgezinden. In 1773 werd de kerk officieel in gebruik genomen.
Sinds de voltooiing van de kerk in 1773 zijn er diverse aanpassingen aan en in het gebouw gedaan. In de 19e eeuw werden de stoelen in het vrouwenblok vervangen door banken. Vaste banken werden langs de zijmuren geplaatst, die aansluiten op de mahoniehouten banken voor de kerkraadsleden. In 1873 en 1920 kocht de gemeente de aangrenzende gebouwen aan. Hier werden het parochiekantoor en de gemeentahal gevestigd. In 1905 werden een nieuwe catechisatiekamer (huidige tuinkamer) en een kleine kerkzaal toegevoegd. Vier jaar later, naar aanleiding van een bouwvoorschrift van de burgerlijke gemeente, werd een portiek (entreehal) in de hal geplaatst. In 1922 werden de gele glas-in-loodramen geplaatst door de firma Löhrer. Deze dienen als modieuze lichtdemping. Voorheen hingen gordijnen voor de neogotische ramen. Na de Tweede Wereldoorlog werden de rococo stucdecoraties uit de kerkraadskamer verwijderd en verdween ook de 19e-eeuwse kroonluchter. In 1980 werd een restauratie voltooid, waarbij de structurele gebreken aan het dak en de goten werden hersteld en het roomwitte stucwerk wit werd geschilderd.

Kenmerken van de Doopsgezinde Gemeente
De doopsgezinden hebben een rijk verleden, gekenmerkt door een beweging die rond 1520 begon. Deze gemeenschappen keerden zich tegen de leer en praktijken van de kerk van Rome, maar op een andere manier dan de volgelingen van Luther en Zwingli. Wie besloot Jezus te volgen, liet zich dopen: een teken van een nieuwe wending in zijn of haar leven. Hiermee schoven deze 'wederdopers' of 'anabaptisten' de kinderdoop terzijde.
Een belangrijk kenmerk van de doopsgezinden is de volwassenendoop op persoonlijke belijdenis van geloof. Wanneer iemand overweegt lid te worden van een doopsgezinde gemeente, volgt hij of zij doorgaans een catechisatieklas met de predikant. In de gemeente in Utrecht is er jaarlijks een doopgroep, waarin de vele aspecten van het geloof gezamenlijk worden besproken en over nagedacht. Uiteindelijk schrijft iedereen een persoonlijke belijdenis, die eerst in een speciale kerkraadsvergadering en daarna in de doopdienst wordt voorgelezen â een zeer bijzondere gebeurtenis voor zowel de dopeling als de gemeenteleden. Na de belijdenis en een paar doopvragen volgt de eigenlijke doop. De predikant schenkt water uit de kan in de schaal. Een lid van de kerkraad houdt de schaal vast, de dopeling knielt op de knielbank en de predikant dompelt zijn hand driemaal in het water en legt deze op het hoofd van de dopeling: in de naam van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest. De doopsgezinden kennen geen onderdompeling, zoals gebruikelijk is bij Baptisten. De doop is niet alleen een gebeurtenis tussen God en de dopeling, maar ook tussen de dopeling en de gemeente.
De Preekstoel, vervaardigd van mahoniehout door timmerman Wajon, werd kort voor ingebruikname van de kerk op 7 november 1773 door een aantal leden aan de doopsgezinde gemeente geschonken. De leden hebben zelf het geld bijeengebracht voor de renovatie en de bouw van de preekstoel en de kerkbanken. Het kerkgebouw huisvestte voorheen de bierbrouwerij 'de Witte Leeuw'. De doopsgezinden bezochten aanvankelijk de kerk in een clandestiene kerk aan de Springweg (waar nu de synagoge staat), maar het gebouw aan de Oudegracht, dat eruitziet als een statig herenhuis, voldoet nog steeds aan de kwalificatie 'verborgen kerk'. De leden hebben zelf het geld bijeengebracht voor de renovatie en de bouw van de preekstoel en de kerkbanken, ter waarde van 30.000 gulden.
In tegenstelling tot de meeste kerken heeft de Doopsgezinde Gemeente Utrecht geen doopvont. Bezoekers zijn hier verbaasd over. Men noemt zich 'doopsgezinden' en heeft geen doopvont? Is er misschien een dooppoel verborgen onder het kleed voor de preekstoel? De gemeente bezit wel een zilveren doopschaal en een bijbehorende kan. Het is jammer dat de oorsprong van de schaal en kan niet bekend is.
De klok, feitelijk niet meer dan een 'klok', bevindt zich in de hal van de kerk en wordt kort aan het begin van de dienst geluid, als herinnering aan het verleden. De klok draagt de datum 1691 en de tekst Soli Deo Gloria - Aan God alleen de eer. De doopsgezinde kerk werd gebouwd als clandestiene kerk. Daarom ontbraken kerktorens en luide kerkklokken altijd. Katholieken, Joden, Lutherse en doopsgezinden mochten hun kerkgebouwen niet aan openbare wegen bouwen. Daarom bouwden ze hun kerken achteraan, ergens op een perceel, maar ook, zoals in deze kerk, verborgen in een rij van huizen. Daarom ontbraken kerktorens en luide kerkklokken altijd. Vijftien minuten voor aanvang van de dienst moest de voorzanger een passage uit de Bijbel voorlezen en wanneer de kerkraad de kerk binnenkwam, moest hij een voorgeschreven lied aanvangen. De klok werd geluid om hem te waarschuwen. Toen het orgel in 1765 werd aangeschaft, was de klok niet meer nodig.

Organisatie en Activiteiten van de Doopsgezinde Gemeente
De Verenigde Doopsgezinde Gemeente Amsterdam (VDGA) is een kerkelijke gemeente in de stad Amsterdam. De gemeente telde in 2008 500 leden en 300 belangstellenden en wordt bestuurd door een gekozen kerkenraad. Het beleid van de gemeente wordt vastgelegd tijdens de Algemene Ledenvergadering die tweemaal per jaar wordt gehouden. In de Doopsgezinde Gemeente Amsterdam is een predikantenteam werkzaam. Het blad âIn dit Amsterdamâ (IdA) wordt maandelijks gedrukt. De Doopsgezinde Gemeente Amsterdam is lid van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit, het landelijk overkoepelend orgaan dat namens de doopsgezinde gemeenten in Nederland naar buiten treedt.
De Friese Doopsgezinde Sociëteit, opgericht in Leeuwarden, telde 51 aangesloten gemeenten, waaronder drie Groningse doperse gemeenten. Doopsgezind Friesland bestond uit vier 'klassen' (Harlingen, Franeker, Dokkum en Sneek), die elk twee afgevaardigden leverden in het bestuur. Het doel van de Sociëteit was hulp en ondersteuning te verlenen aan buitenlandse en binnenlandse geloofsgenoten, destijds met name de broeders en zusters uit de Pfalz, waar nog vervolging van dopers plaatsvond.
In 1916 deed de jonge predikant ds. T.O. Hylkema, samen met collega's, een oproep voor een landelijke conferentie onder de naam âGemeentedagâ. Dit moest een vrije tribune en open ontmoetingsplaats worden voor de Nederlandse doopsgezinden. De Broederschap moest aan het werk, met als doel belijdende en dienende vredesgemeenten des Heeren te zijn. In 1921 werd besloten tot oprichting van vier Arbeidsgroepen, waaronder één voor 'Internationale contacten' en één die zich zou bezinnen op 'Doopsgezinden en de militaire dienstplicht'. Deze 'Gemeentedagbeweging' markeerde een omslagpunt tussen 19e-eeuwse burgerlijkheid en individualisme en een nieuw 20e-eeuws begrip van wereldbroederschap. Er ontstond behoefte aan accommodaties waar ontmoeting, bezinning en dienend Christendom centraal stonden. Dit leidde in 1925 tot de stichting van een Broederschapshuis in Elspeet. Later kwamen daar Fredeshiem, Schoorl, Bilthoven en Aardenburg bij, evenals een kampeerhuis in Giethoorn.
De doopsgezinde Arbeidsgroep tegen de Krijgsdienst, voortgezet na de Tweede Wereldoorlog als de Doopsgezinde Vredesgroep (DGV), kreeg een Vredesbureau dat informatie en ondersteuning bood aan gewetensbezwaarden. Cor, een antimilitarist, geheelonthouder en vegetariër, weigerde de militaire dienstplicht en koos voor gevangenisstraf in 1925. Hij werd belast met de leiding van het Vredesbureau. De gemeentedagen waren een belangrijk moment in deze ontwikkeling. In 1917 vond de eerste plaats in Utrecht.

Bekende Doopsgezinden en Hun Bijdragen
In de 17e en 18e eeuw speelden een aantal doopsgezinde families een belangrijke rol in de Amsterdamse geschiedenis, met name in de politiek, de bankwereld en het zakenleven. Voorbeelden hiervan zijn de families Van Eeghen, Jan Jacob Brants, van Aldewerelt, De Flines, Hope, Hodshon, van Lennep, Rutgers van Roozenburg en Casparus Barlaeus. De welvaart van sommige doopsgezinden rond 1700, met name door handel, wordt weerspiegeld in schilderijen van Gerard van de Rijp en Gozewijn Centen. Zij getuigen ook van het doopsgezinde pluralisme en de verschuiving van orthodoxie naar vrijzinnigheid.
In het lidmatenboek van 'Bij 't Lam en de Toren' vinden we Aagje (Agatha) Deken (1741-1804), die later furore zou maken als schrijfster. Ze werd in 1769 aangenomen op grond van een attestatie uit Rijnsburg, waar ze in 1760 door de Collegianten was gedoopt. De Collegianten van Rijnsburg vormden een algemeen-christelijke gemeente met als leden voornamelijk doopsgezinden en remonstranten. Aagje Pieters Deken werd niet in een doopsgezinde familie geboren. Na het vroege overlijden van haar ouders werd zij op 10 februari 1746, nog maar 4 jaar en 2 maanden oud, onder de hoede genomen van het Collegianten weeshuis 'de Oranje Appel'. Tijdens haar verblijf in het weeshuis schreef Aagje al (vrome) gedichten. Later zou ze samen met haar vriendin Elizabeth 'Betje' Wolff een succesvol schrijversduo vormen binnen de Nederlandse Verlichting.
De schilder Terwey, die afstudeerde aan de kunstacademie in 1901, werd na zijn militaire dienst een antimilitarist. Hij kwam in contact met een groep jongelui onder leiding van Edo Fimmen, die vanuit hun christendom via vegetarisme, geheelonthouding, anti-vivisectie en rein leven de wereld wilden verbeteren.
De jonge predikant Anna Zernike werd op 5 november 1911 aangesteld door de doopsgezinde gemeente in Bovenknijpe. Ze leerde in de zomer van 1913 de kunstschilder Jan Mankes kennen, met wie ze op 30 september 1915 trouwde. Na een verhuizing naar Den Haag en later naar Eerbeek vanwege Mankes' tuberculose, kregen ze een zoon en promoveerde Anna. Na het overlijden van Jan Mankes in 1920, zette Anna haar werk voort.
Cor, een socialistisch mennist, antimilitarist, geheelonthouder en vegetariër, koos voor vredesdemonstraties en arbeidersprotesten. Zijn overtuiging werd gevormd tijdens en na de Eerste Wereldoorlog, een tijd waarin antimilitarisme onder vrijzinnig protestanten in de belangstelling stond en de doopsgezinde Gemeentedagbeweging opkwam. Hij weigerde de militaire dienstplicht en koos voor gevangenisstraf van maart tot november 1925.

Archieven en Naslagwerken
Het eeuwenoude en vrij complete archief van de Doopsgezinde Gemeente Amsterdam is in bewaring gegeven bij het Stadsarchief Amsterdam. Het archief is nagenoeg compleet wat betreft vergaderstukken en algemene correspondentie. De ledenadministratie bestaat grotendeels uit een losbladig kaartsysteem. De lidmatenboeken zijn nog in gebruik en bevinden zich in de kluis in de Singelkerk.
De doopsgezinde registers met de volwassenendopen bevatten geen geboortedatum of leeftijd en vermelden ook niet altijd de ouders, waardoor ze minder geschikt waren voor het vergemakkelijken van de overtekening van het poorterrecht van de vader op kinderen. Het kinderboek, dat sinds 1714 werd bijgehouden, bevatte informatie over de geboortedatum en ouders van opgegeven kinderen. De namen uit het kinderboek van Bij 't Lam en de Toren zijn opgenomen in de index op de doopregisters. Personen die verzochten om toetreding maar door de gemeente werden afgewezen (meestal wegens een onzedelijke levenswandel) werden niet in het lidmatenregister opgenomen, maar zijn meestal wel te vinden in de resolutieboeken of notulen.
Belangrijke naslagwerken over de geschiedenis van de doopsgezinden zijn onder andere:
- Temminck Groll, CL, 'History and restoration of the Mennonite church in Utrecht' in: Monthly magazine Oud-Utrecht, vol. 55 (1982).
- Hajenius, AML, Mennonites in the City of Baptism, history of the Mennonite Community in Utrecht 1639-1939, Hilversum 2003.
- Coolwijk, P. van de, Under the spell of the church. 25 years of Church Watching Utrecht, Utrecht 2007.
- Kieviet, V. de, 'Distinct simplicity on the canal: Mennonite church, Oudegracht 270, Utrecht' in: 1000 years of church history in Utrecht: students investigate religious heritage, De Bilt 2008.
- Kralt, T., Living monuments, history, conservation and contemporary use of Utrecht inner city churches, Utrecht 2009.
- Moolenaar, A., 'The mansion on the canal' in: Church in the city 17, number 23 (2010).
- Lambour, Ruud, âDoopsgezinde gemeenten te Amsterdam in de zeventiende en achttiende eeuwâ, Maandblad Amstelodamum 100/1 (jan-mrt 2013).
tags: #doopsgezinde #kerk #de #zon