De uitspraak "Wet en evangelie moeten verkondigd worden" roept vaak vragen op. Hoe verhoudt de wet, die veroordeelt en aanklaagt, zich tot het evangelie, dat spreekt van verzoening, bevrijding en vrede? In de kerkgeschiedenis is er veel nagedacht over de samenhang van Wet en Evangelie en de volgorde van hun verkondiging, zowel in de prediking als in de persoonlijke beleving.
De Functie van de Wet in het Christelijk Leven
Niemand die zich christen noemt, twijfelt aan de noodzaak van de evangelieprediking. Jezus gaf zijn apostelen immers de opdracht om het Evangelie "aan alle creaturen" te verkondigen (Marcus 16:15). Maar betekent dit dat de Wet van God geen plaats meer heeft in het christenleven? Snoert het Evangelie de Wet als veroordelende instantie voorgoed de mond? Is de Wet in de christelijke gemeente een gepasseerd station, of heeft zij nog een functie, bijvoorbeeld in het "stuk" van de dankbaarheid?
De Heidelbergse Catechismus benadrukt het belang van kennis van onze zonde en ellende, voortkomend uit het luisteren naar Gods Wet, voor ware troost in leven en sterven. Vraag en antwoord uit Zondag 2 stellen expliciet: "Waaruit kent gij uw ellende? Uit de wet Gods." Dit antwoord weerspiegelt Romeinen 3:20, waar de apostel Paulus stelt dat "alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij" door de Wet.
Paulus verklaart in 2 Korinthe 3:6 dat "de letter doodt" (verwijzend naar de Oud-Testamentische wetgeving die de noodzaak van verzoening aantoont), "maar de Geest levend maakt". De brief aan de Galaten spreekt over Christus die ons verlost heeft van de vloek der wet (Galaten 3:13). Christus leerde ons niet alleen bidden om dagelijks brood, maar ook om vergeving van onze schulden, die we dagelijks nodig hebben.
Als uitdrukking van Gods wil heeft de Wet nadrukkelijk een plaats in de apostolische verkondiging. De Wet klaagt ieder mens aan, veroordeelt hem zelfs, en maakt duidelijk dat uit de werken der wet bij God geen rechtvaardiging te verkrijgen is. Juist wanneer dit in alle helderheid is gesteld, ontstaat er ruimte voor de prediking van het Evangelie. Op het moment dat er geen ontsnappen meer aan is, verkondigt Paulus de "rechtvaardigheid door het geloof aan Jezus Christus".
De Wet is daarmee onmisbaar in het verstaan van het Evangelie. Zij wijst naar de mens als geadresseerde van de Evangelieboodschap. Zonder geadresseerde komt een boodschap nooit aan. Zonder de aanklacht van de Wet zal het Evangelie niet als blijde boodschap aan het licht komen. Het preken van de Wet is dus geen onevangelische bezigheid. In een Bijbelse verkondiging zal blijken dat hoe meer de Wet wordt vertolkt, hoe krachtiger het Evangelie aan het licht komt.

De Wet in de Hedendaagse Samenleving
De christelijke gemeente leeft vandaag in een samenleving waar deze Bijbelse klanken vreemd zijn geworden. Het begrip "wet" leidt bij veel mensen tot irritatie, en wetten worden vaak denigrerend aangeduid als "regeltjes". Mensen hechten aan hun vrijheid en laten deze niet graag door wetten of regels inperken. Begrippen als schuld of zonde liggen ook moeilijk in de politiek en samenleving, omdat ze een hogere autoriteit (God?) veronderstellen waarbij een mens rekenschap verschuldigd is. Men spreekt liever van "fouten".
Enkele jaren geleden sprak men in de pers van de "sorry-cultuur" van politici, waarbij na misstappen geen politieke consequenties werden getrokken. Naar aanleiding van dit maatschappelijke klimaat verscheen het boek "De zonde uit beeld, Bijbels schuldbesef en modern levensgevoel" (red. J. W. Maris, F. van der Pol, Barneveld, 1994). Het is belangrijk te beseffen dat de christelijke gemeente in een cultuur leeft die vervreemd is geraakt van Bijbelse kernwoorden als Wet, schuld en zonde. Juist in zo'n klimaat mag de verkondiging van de Wet niet verwaarloosd worden.
Hiermee is niet bedoeld een vorm van moralisme uit te dragen, alsof braafheid een remedie tegen zonde kan zijn. Eerder gaat het erom de Wet zo fijnzinnig en diepzinnig te verkondigen, dat de zonde ontmaskerd wordt als opstand tegen Gods goedheid, als eerroof van God, als een "afscheiden van God, die [ons] ware leven was" (Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 14). Juist zo zal het Evangelie van vrije genade aan het licht komen. Waar de Wet niet functioneert, kan het Evangelie niet zuiver klinken en niet werkelijk verstaan worden.
Het Verbond en de Belofte aan Abraham
De apostel Paulus benadert de verhouding tussen wet en belofte vanuit het gezichtspunt van de erfenis die Abraham beloofd werd. Eenmaal een verbond is gesloten en rechtskracht heeft, kan niemand er nog iets aan veranderen. Gods belofte aan Abraham is een verbond dat over Christus ging, en de Wet van Mozes, gegeven 430 jaar later, kan dit verbond niet veranderen. De belofte blijft dus van kracht.
Als de erfenis (onze redding) verkregen zou kunnen worden door ons aan de wet van Mozes te houden, dan zou die erfenis niets te maken hebben met Gods belofte aan Abraham. Maar juist door zijn belofte liet God zien dat Hij Abraham wilde zegenen.
De Wet werd gegeven om aan de mensen te laten zien dat ze schuldig waren, omdat ze zich niet aan de wet konden houden. De Wet van Mozes moest gehouden worden "tót het Kind was gekomen dat God aan Abraham had beloofd". Engelen hebben op bevel van God de wet gegeven aan Mozes, die tussen God en de mensen stond.
De Wet is een verbond tussen twee partijen: God en Israël. Botst de wet van Mozes met de belofte van God? Helemaal niet! Als de wet de mensen had kunnen redden, dan zouden ze inderdaad vrij van schuld zijn geweest als ze zich precies aan die wet hielden. Maar omdat ze dat niet konden, gingen de mensen juist door de wet zien hoe slecht ze zijn. Zo zouden ze gaan begrijpen dat ze alleen door geloof in Jezus Christus hun deel van de belofte zouden krijgen, en niet door zich aan de wet van Mozes te houden.
Voordat dit geloof er kwam, beschermde de wet ons en hield ons op het rechte pad. Pas later zouden we begrijpen dat we geloof nodig hebben. De wet van Mozes was dus bedoeld om ons te leiden en op te voeden totdat Christus zou komen. En door in Christus te gaan geloven, zouden we kunnen worden vrijgesproken van schuld. Nu het geloof is gekomen, hoeven we niet meer door de wet van Mozes geleid en opgevoed te worden.

De Verbondshandeling met Abraham
Abraham vroeg God op een gegeven moment: "Hoe kan ik er zeker van zijn dat ik het in bezit zal krijgen?" God instrueerde Abraham om een koe, een geit, een ram, een tortelduif en een jonge duif te halen. In die tijd was het gebruikelijk om een verbond te sluiten door de dieren middendoor te snijden en de twee helften tegenover elkaar te leggen. Vervolgens liep iedere verbondspartner tussen de gedeelde dieren door, als een beeldende manier om te zeggen: "Als ik me niet aan deze overeenkomst houd, laat me dan doorgesneden en afgesneden worden. Ik verdien dan te sterven zoals deze dieren gestorven zijn."
Het opmerkelijke is dat God de enige is die tussen de helften doorloopt; Abraham doet dit niet. De belofte die God aan Abraham doet, is een verbondsbelofte die op geen enkele manier van Abraham afhangt, maar alleen van God. God zegt dat Hij zelf zou sterven als Hij Zijn belofte zou verbreken om Abraham en zijn nakomelingen te zegenen.
Het verbond dat God van tevoren had gesloten, kan haar rechtsstaat niet verliezen doordat er later iets bijkomt. Als een testament in deze tijd al van kracht blijft, hoeveel te meer geldt dit dan voor Gods wilsbeschikking. De belofte van God aan Abraham blijft in haar volle kracht staan. Door de tussenkomst van de wet na zoveel jaren kan er niet opeens sprake zijn van een ander soort verbond, of zou er iets toegevoegd kunnen worden aan de wijze waarop mensen die zegen zouden kunnen krijgen. Als dat zo zou zijn, zou de belofte van God aan Abraham niets waard zijn geweest, en dat is niet het geval.
De Rol van de Wet in het Ontvangen van Heil
Als de wet de belofte niet van haar rechtskracht berooft, zou de mogelijke plaats van de wet die van aanvulling ter verkrijging van de erfenis kunnen zijn. Echter, Paulus is hier duidelijk over: uit eigen werken (werken uit de wet) kunnen we niet gerechtvaardigd worden, enkel maar door ons geloof in Jezus alleen.
De wet van Mozes is GEEN middel om het heil te ontvangen. Jezus zei: "Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen" (Matteüs 5:17).
Het vertrouwen op eigen kracht leidt tot wanhoop of hoogmoed. We moeten onze ogen weer richten op het kruis van Jezus, omdat we ons door de wet niet aanvaardbaar kunnen maken voor God. De mens is, zoals Romeinen 3:9-20 duidelijk maakt, onder de macht van de zonde. Niemand is rechtvaardig voor God. De wet is gegeven om te laten zien dat een mens totaal niet in staat is om het leven zelf te verdienen. Buiten Jezus staat ons leven totaal onder de vloek van God.
Door de wet wordt de zonde in alle schuilhoeken van ons hart gelokt en zorgt ervoor dat mensen in een totaal verzet tegen God komen. De wet maakt de zonde zo tot een macht die, hoewel bedoeld om iets positiefs teweeg te brengen, vanwege de zonde in onze harten de overtredingen vermenigvuldigt en de dood voortbrengt.
Tegen die achtergrond mogen we denken aan het offer van Jezus. We hebben verlossing door genade nodig. Zoals de theoloog John Stott zegt: "Nadat God de belofte aan Abraham had gegeven, gaf Hij aan Mozes de wet. Waarom? Hij moest dingen eerst slechter maken voor Hij ze beter kon maken. De wet bracht zonde aan het licht, zette aan tot zonde, veroordeelde zonde. Het doel van de wet was de schil af te pellen van de keurige mens en te laten zien hoe hij echt is â zondig, vol verzet, schuldig onder Gods oordeel en niet in staat om zichzelf te redden. Niemand heeft het evangelie ooit op waarde kunnen schatten zonder dat de wet hem eerst met zichzelf geconfronteerd heeft; alleen tegen de donkere achtergrond van zonde en oordeel gaat het evangelie echt stralen."
Voor wie geldt de wet van Mozes: ontdek 5 verschillende groepen!
De Wet als Leermeester tot Christus
Voordat het geloof kwam, beschermde de wet ons en hield ons op het rechte pad. Pas later zouden we begrijpen dat we geloof nodig hebben. En nu het geloof gekomen is, hoeven we niet meer door de wet van Mozes geleid en opgevoed te worden (Galaten 3:23-25).
Als we inzien dat we niet door onze inspanningen Gods goedkeuring kunnen krijgen, maar ons hiervoor tot Jezus moeten wenden, dan hebben we de les geleerd die de wet ons wilde leren. De wet was onze leermeester tot Jezus. Nu we niet meer onder deze leermeester zijn, is het gemakkelijk om te denken dat we de wet aan de kant kunnen schuiven. Echter, dit zou ingaan tegen het onderwijs van Jezus zelf.
Een leermeester in de tijd van Paulus begeleidde kinderen op weg naar school en moest hen ook onder de duim houden, soms op een hardhandige manier. Dit onderstreept de onvrijheid en de harde hand van de wet. Zonder Jezus leidt de wet alleen tot grotere gevangenschap en leidt ons steeds meer in de macht van zonde.
Daarnaast geeft een leermeester ook aan dat zijn rol van tijdelijke aard is. Als een kind oud genoeg is om zelf beslissingen te nemen, is de leermeester niet meer nodig. Zo hebben wij, als kinderen van God, de fundamentele waarden van Gods wet ons eigen gemaakt. We gehoorzamen de wet niet meer uit angst om afgewezen te worden of om gered te worden, maar vanuit dankbaarheid en verlangen om net als Jezus te worden. Als we dit doen vanuit dankbaarheid, worden we er beter in en wordt het makkelijker om de wet te gehoorzamen.
Wetticisme: Een Valkuil voor Christenen
Wetticisme is een poging om rechtvaardigheid voor God te bereiken door een aantal wetten en regels te houden, hoewel God dit voor altijd heeft verboden. Het christendom is geen set regels; het gaat om de genade die in het Evangelie van Jezus wordt aangeboden. Het toevoegen van enige voorwaarde voor rechtvaardigheid aan wat God al in Zijn Woord heeft gezegd, is ongeoorloofd.
Paulus waarschuwt in Galaten 3:10: "Want allen die uit de werken van de wet zijn, zijn onder de vloek." Als je probeert rechtvaardigheid bij God te verkrijgen door wetten en regels op te volgen, en je breekt deze wetten op enig punt, kom je onder die vloek.
Het beeld van Jezus aan het kruis, in schaamte en doodsangst, afgewezen en verlaten, toont de volle uitwerking van vervloeking. De meeste christenen hebben tegenwoordig geen helder beeld van wat een vloek is, hoe hij werkt, of hoe ze een vloek kunnen herkennen. Dit kan leiden tot onbegrip over de oorzaak van problemen en onvermogen om ermee af te rekenen.
De Heilige Geest overtuigt van zonde, en daarvoor gebruikt Hij de wet van God. We leven in een wereld die ons afleidt van God. De vragen en antwoorden over de kennis van ellende door de wet volgen na Zondag 1, waar de belijdenis klinkt dat de gelovige niet meer voor zichzelf leeft, maar het eigendom is van zijn Zaligmaker, de Heere Jezus.
De Tora als 'Hoe te Leven'
Het woord Tora is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord jara, wat 'tonen' of 'onderwijzen' betekent. Een letterlijke vertaling is 'aanwijzing', 'onderricht', 'ordening', 'richtlijn', 'instructie'. De Tora is als het ware een 'gebruiksaanwijzing', een 'bijsluiter' bij het leven in liefde als verbondspartner, ofwel 'hoe te leven' of 'wegwijzer ten leven'.
De Tora garandeerde mede de eigenheid van de Joden en onderscheidde hen van hun omgeving. Soms werkte de Tora bevrijdend, zoals het sabbatsgebod dat mensen vrijheid van arbeid garandeert. Naast het onderhouden van de sabbat was de besnijdenis een kenmerk van het Joodse volk, een teken dat mensen niet opgeofferd mogen worden. Verder waren er wetten die bepaald voedsel verboden, zoals het niet mogen eten van varkensvlees.
Hoewel deze voorschriften ons soms vreemd voorkomen, hebben we ook in ons dagelijks leven behoefte aan regels en ordening. Dingen die niet op hun plaats liggen, doen ons onprettig aan. Ordening en rituelen geven rust. Vooral in de omgang met anderen spelen ongeschreven regels een grote rol.
In de Babylonische ballingschap kregen deze regels bij de Joden een grotere betekenis. Door het opvolgen van deze regels wist men of men met mede-Joden te maken had of niet. Ze gaven veiligheid in een wereld waarin deze zwakke groep dreigde meegesleurd te worden in de maalstroom van het heidendom.
De Tora is geen juridische wet, maar een geschenk uit de hemel, een Woord van de Schepper waarnaar Gods volk onvoorwaardelijk te luisteren heeft om te leven. Het woord 'Tora' doet denken aan een vader die zijn kinderen levenswijsheid doorgeeft. De Griekse vertaling 'Nomos' (Wet) roept eerder de context op van de Griekse stadstaten met hun 'wetten'.
Jezus' Houding ten opzichte van de Wet
Jezus' antwoord op de vraag naar het voornaamste gebod is: "U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand." En in één adem voegt Hij eraan toe: "U zult uw naaste liefhebben als uzelf" (Matteüs 22:36-40). Dit dubbelgebod van de liefde is de wezenskern van de Thora.
In de Bergrede citeert Jezus eerst de geboden zoals het volk die geleerd heeft, als minimumeisen om met de Thora in orde te zijn. Vervolgens geeft Hij aan hoe de strikte opvatting van de geboden overschreden moet worden in de richting van een optimale naleving van het dubbelgebod van de liefde. Het woord "maar" moet niet opgevat worden als een radicale tegenstelling tussen de Wet van Mozes en de visie van Jezus, maar als een voegwoord dat oproept om de Wet te beleven vanuit een nieuw volmaaktheidsideaal: "Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te breken. Ik ben niet gekomen om af te breken, maar om te vervullen" (Matteüs 5:17).
Jezus' gehechtheid aan de Wet van Mozes blijkt ook uit passages waar Hij waarschuwt tegen het ontkrachten van de Wet (Matteüs 5:17-19). Hij bezocht regelmatig de synagoge, zoals elke vrome Jood placht te doen.
Wet en Evangelie: Een Cruciaal Onderscheid
Het onderscheid tussen wet en Evangelie was voor Maarten Luther cruciaal om de Schrift te verstaan; het is de hermeneutische sleutel waarmee de betekenis van de Bijbel ontsloten wordt. "God heeft ze overal bij elkaar gezet: wet en belofte." In de Schrift is er sprake van een voortdurend heen-en-weergaan (dialectiek) tussen wet en Evangelie, waarbij de wet staat voor wat God vraagt en gebiedt, en het Evangelie voor wat God geeft en schenkt.
De wet leidt mensen tot kennis van zonde, het Evangelie tot kennis van de vergeving van de zonde. Luther schrijft: "De geboden leren weliswaar wat goed is, maar bewerkstelligen het geleerde niet terstond. Zij tonen aan wat wij behoren te doen, maar geven niet de kracht om het te doen. Zij zijn veeleer hiertoe bestemd, de mens zichzelf te laten zien, opdat hij daardoor zijn onvermogen tot het goede zal inzien en aan zijn eigen krachten zal vertwijfelen."
Wanneer een mens door de geboden zijn onvermogen heeft leren kennen, wordt hij nederig en vindt hij niets meer in zichzelf waardoor hij gerechtvaardigd en gered zou kunnen worden. Dan schiet het andere deel van de Schrift te hulp: de beloften van God. Zij verkondigen de eer van God en zeggen: geloof in Christus, in Wie de genade, de gerechtigheid, de vrede, de vrijheid en alle dingen je toegezegd worden.
Ursinus, een van de opstellers van de Heidelbergse Catechismus, stelt dat wie zijn zonde en ellende niet kent, "ongeschikt" is om het Evangelie te horen. Om tot die kennis te komen, is de prediking van de wet nodig die voorbereidt op de prediking van de genade. Zo wordt de hoop op eigen gerechtigheid neergegooid en komt men tot kennis van zichzelf. Dit bereidt de mens voor op het ware berouw.
De wet staat in dienst van het Evangelie: zij legt de zonde bloot (Romeinen 3:20) en maakt inzichtelijk waarom Christus komen moest en waarom men Hem nodig heeft. "De wet brengt immers toorn teweeg" (Romeinen 4:15) â toorn waarvan alleen het Evangelie van Jezus Christus verlossen kan.
De wet toont ons onze diepe nood, onze grote behoefte aan reiniging, reiniging met water en bloed. Zij ontdekt onze ellende, en dit leidt er ons als vanzelf toe om te gevoelen dat wij gewassen moeten worden, indien wij tenminste ooit dichter tot God zullen worden gebracht. Zo drijft de wet er ons toe om Christus aan te nemen, als de enige Persoon die ons reinigen kan, en ons in staat kan stellen ongesluierd te staan in de tegenwoordigheid van de Allerhoogste.
De wet op zichzelf veegt maar en doet het stof oprijzen, maar het Evangelie sprenkelt het reine water op dat stof en alles is in orde in de kamer der ziel. De wet doodt, het evangelie maakt levend; de wet kleedt uit en dan komt Jezus Christus en bekleedt de ziel met schoonheid en heerlijkheid.

Christus als Vulling van de Wet
Christus is het einde der wet tot rechtvaardigheid. Hij is het doel en het voorwerp van de wet. De wet was gegeven om ons tot Hem te leiden. De wet is onze opvoeder, om ons tot Christus te brengen, of liever onze leidsman, die ons bij Jezus op school brengt.
Het is onmogelijk voor iemand om gered te worden zonder rechtvaardigheid. God vraagt wegens Zijn onkreukbare gerechtigheid ook rechtvaardigheid van al Zijn schepselen. Christus is gekomen om ons de rechtvaardigheid te geven die de wet eist, maar die zij nooit schenkt. Hij brengt de gerechtigheid aan die de wet van ons eist, maar niet kan voortbrengen.
Christus kwam niet om de wet te verminderen of zachter te maken. De wet is heilig, rechtvaardig en goed en behoeft in geen tittel of jota verminderd te worden. De wet vraagt volmaakte gehoorzaamheid, zonder vlek of rimpel. En Christus heeft zulk een gerechtigheid aangebracht en die aan Zijn volk gegeven.
De gerechtigheid die Christus heeft aangebracht, is zodanig dat om Zijnentwil de grote God Zijn volk aanneemt en hen zonder vlek of rimpel aanschouwt. De gehoorzaamheid van onze Heere was zo diep als breed, want Zijn ijver om de wil te doen van Hem die Hem gezonden had, verteerde Hem. Zulk een rechtvaardigheid stort Hij uit op al de gelovigen.