De Nederlandse Geloofsbelijdenis

De Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB), een belangrijk document binnen het gereformeerd protestantisme, werd opgesteld door Guido de Bres (1522-1567) en in 1561 in het Frans uitgegeven in het huidige Noord-Frankrijk. Het diende oorspronkelijk als een verantwoording van de Reformatie tegenover de Spaanse overheid.

De Essentie van het Geloof

De kern van het geloof, zoals verwoord in de NGB, begint met de fundamentele erkenning van één God. Dit geloof wordt zowel innerlijk met het hart als uiterlijk met de mond beleden.

Gods Eénheid en Wezen

Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond dat er één God is, een geheel enig en éénvoudig geestelijk wezen. Hij is eeuwig, niet te doorgronden, onzienlijk, onveranderlijk, oneindig en almachtig.

Illustratie van een abstracte weergave van de oneindigheid en almacht van God.

De Kennis van God

De mens kan God kennen door twee middelen:

1. Gods Schepping

Ten eerste door de schepping, onderhouding en regering van de hele wereld. De natuurlijke wereld fungeert als een prachtig boek, waarin alle schepselen, groot en klein, fungeren als de letters die ons de eeuwige kracht en goddelijkheid van God tonen, zoals de apostel Paulus stelt in Romeinen 1:20.

2. Gods Geopenbaarde Woord

Ten tweede door Gods geopenbaarde Woord. Wij belijden dat dit Woord van God niet is voortgekomen uit de wil van een mens, maar dat mensen, door de Heilige Geest gedreven, van Godswege gesproken hebben, zoals de apostel Petrus beschrijft (2 Petrus 1:21).

God heeft in zijn bijzondere zorg voor ons en ons behoud zijn knechten, de profeten en apostelen, geboden zijn geopenbaarde Woord op schrift te stellen. Zelf heeft Hij met zijn vinger de twee tafelen van de wet geschreven (Exodus 31:18).

De Heilige Schrift

De Heilige Schrift wordt onderscheiden in twee delen: het Oude en het Nieuwe Testament. De kerk ontvangt al deze boeken, en deze alleen, als heilig en canoniek, om het geloof daarnaar te richten, te gronden en te bevestigen. Dit gebeurt niet zozeer omdat de kerk ze aanneemt, maar vooral omdat de Heilige Geest in ons hart getuigt dat zij van God zijn. De boeken zelf bieden bovendien het bewijs van hun goddelijke oorsprong.

De kerk mag deze boeken lezen en ervan leren, voor zover zij overeenstemmen met de canonieke boeken. Wij geloven dat de Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en voldoende leert wat de mens moet geloven om behouden te worden. Hierin heeft God uitvoerig beschreven hoe wij Hem moeten dienen.

Daarom is het de mensen, zelfs al waren het apostelen, niet geoorloofd anders te leren dan ons reeds geleerd is door de Heilige Schrift. Zelfs een engel uit de hemel mag niets anders verkondigen, zoals de apostel Paulus waarschuwt (Galaten 1:8). Het is verboden aan het Woord van God iets toe te voegen of daarvan af te doen (Deuteronomium 12:32). Ook mogen geschriften van mensen, hoe heilig de schrijvers ook geweest zijn, niet op één lijn gesteld worden met de goddelijke Schriften. Evenmin geldt dit voor de gewoonte, de ouderdom, de ononderbroken voortgang in de tijden, de opvolging van personen, concilies, decreten of besluiten.

Daarom verwerpen wij uit de grond van ons hart alles wat met deze onfeilbare regel niet overeenkomt. Zo hebben de apostelen ons geleerd: "Beproeft de geesten of zij uit God zijn" (1 Johannes 4:1). En: "Indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis" (2 Johannes 1:10).

Een afbeelding van een open Bijbel met lichtstralen die eruit komen.

De Heilige Drie-eenheid

Volgens de waarheid en het Woord van God geloven wij in één God, die een geheel enig wezen is, waarin drie Personen zijn: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

De Vader

De Vader is de oorzaak, de oorsprong en het begin van alle zichtbare en onzichtbare dingen.

De Zoon

De Zoon is het Woord, de wijsheid en het beeld van de Vader.

De Heilige Geest

De Heilige Geest is de derde Persoon in de Godheid.

Uit dit onderscheid volgt echter niet dat God in drieën gedeeld is. De Heilige Schrift leert ons dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest ieder hun eigen zelfstandigheid hebben, onderscheiden door hun eigenschappen, maar toch zo dat deze drie Personen slechts één God zijn. Toch zijn deze Personen, aldus onderscheiden, niet gedeeld of onderling vermengd.

De Vader heeft onze natuur niet aangenomen, noch de Heilige Geest, maar alleen de Zoon. De Vader is nooit zonder de Zoon en nooit zonder zijn Heilige Geest geweest, want Zij zijn alle drie even eeuwig in eenzelfde wezen.

Het getuigenis van de Heilige Schriften dat ons leert deze Heilige Drie-eenheid te geloven, is op vele plaatsen in het Oude Testament te vinden. In Genesis 1:26-27 zegt God: "Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, enzovoort. En God schiep de mens naar zijn beeld, man en vrouw schiep Hij hen." Eveneens in Genesis 3:22: "Zie, de mens is geworden als Onzer één." Hieruit blijkt dat er meer dan één Persoon in de Godheid is.

Wat in het Oude Testament enigszins duister is, is zeer helder in het Nieuwe. Toen onze Heer gedoopt werd, werd de stem van de Vader gehoord: "Deze is mijn Zoon, de geliefde" (Matteüs 3:17). Bovendien heeft Christus voor de doop van alle gelovigen deze formule gegeven: "Doopt al de volken in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest" (Matteüs 28:19).

In het Evangelie naar Lucas spreekt de engel Gabriël tot Maria: "De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom zal ook het heilige dat verwekt wordt, Zoon van God genoemd worden" (Lucas 1:35). Eveneens in 2 Korintiërs 13:13: "De genade van de Heer Jezus Christus en de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u."

Op al deze plaatsen wordt ons duidelijk geleerd dat er drie Personen zijn in één enig goddelijk Wezen. Deze leer van de Heilige Drie-eenheid heeft de ware kerk altijd gehandhaafd, van de tijd van de apostelen af tot nu toe, tegenover joden, mohammedanen en valse christenen en ketters.

Een diagram dat de Drie-eenheid voorstelt als drie cirkels die in elkaar overlopen, met een centrale eenheid.

De Godheid van Jezus Christus

Wij geloven dat Jezus Christus naar zijn goddelijke natuur de eniggeboren Zoon van God is, van eeuwigheid voortgebracht. Hij is niet gemaakt of geschapen - want dan zou Hij een schepsel zijn - maar één van wezen met de Vader, mede-eeuwig, Hem in alles gelijk.

De Schrift noemt Hem: "de afstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen" (Hebreeën 1:3). Hij is Gods Zoon, niet alleen sinds Hij onze natuur heeft aangenomen, maar van alle eeuwigheid. Mozes zegt dat God de wereld heeft geschapen (Genesis 1:1), en de apostel Johannes zegt dat alle dingen zijn geschapen door het Woord, dat hij God noemt (Johannes 1:1-3).

De apostel zegt dat God de wereld door zijn Zoon geschapen heeft (Hebreeën 1:2) en eveneens dat God alle dingen door Jezus Christus geschapen heeft (1 Korintiërs 8:6; Kolossenzen 1:16). Daarom moet Hij die genoemd wordt God, het Woord, de Zoon en Jezus Christus, er reeds geweest zijn, toen alle dingen door Hem geschapen werden.

De profeet Micha zegt: "Zijn oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid" (Micha 5:1). En de brief aan de Hebreeën: "Hij is zonder begin van dagen of einde van leven" (Hebreeën 7:3).

De Heilige Geest

Wij geloven en belijden ook dat de Heilige Geest van eeuwigheid van de Vader en de Zoon uitgaat (Johannes 15:26).

Hij is niet geschapen, maar is een Persoon, gelijk aan de Vader en de Zoon, en wordt daarom met hen vereerd en aangeroepen (Matteüs 28:19).

De Schepping

Wij geloven dat de Vader door zijn Woord - dat is door zijn Zoon - de hemel, de aarde en alle schepselen uit niets heeft geschapen, toen het Hem goed dacht. Ook heeft Hij aan elk schepsel zijn wezen en gedaante gegeven en zijn eigen taak om zijn Schepper te dienen.

Hij heeft ook de engelen goed geschapen, om zijn gezanten te zijn en zijn uitverkorenen te dienen. Sommigen van die engelen zijn uit die verheven staat waarin God hen geschapen had, in het eeuwige verderf gevallen (2 Petrus 2:4), maar door Gods genade hebben anderen volhard en zijn in hun oorspronkelijke staat staande gebleven.

De duivelen en boze geesten zijn zo verdorven, dat zij vijanden van God en van al het goede zijn. Uit alle macht loeren zij als moordenaars op de kerk en elk van haar leden, om alles door hun bedriegerijen te vernielen en te verwoesten.

Wat dit betreft verwerpen en verfoeien wij de dwaling van de Sadduceeën, die loochenen dat er geesten en engelen zijn (Handelingen 23:8).

Een artistieke weergave van de schepping, met engelen en de natuur.

Gods Voorzienigheid

Wij geloven dat deze goede God, nadat Hij alle dingen geschapen had, ze niet aan zichzelf heeft overgelaten, of aan het toeval of het lot heeft prijsgegeven, maar ze overeenkomstig zijn heilige wil zo leidt en regeert, dat in deze wereld niets gebeurt zonder zijn beschikking.

Toch is God niet de bewerker van de zonde die gedaan wordt, en evenmin draagt Hij er de schuld van. Want zijn macht en goedheid zijn zó groot en gaan ons begrip zó te boven, dat Hij zijn werk zeer goed en rechtvaardig beschikt en doet, ook al handelen de duivelen en goddelozen onrechtvaardig.

En al wat in zijn doen het menselijk verstand te boven gaat, willen wij niet nieuwsgierig onderzoeken, verder dan ons begrip reikt. Maar in alle ootmoed en eerbied aanbidden wij de rechtvaardige beslissingen van God, die voor ons verborgen zijn.

Deze leer schenkt ons een onuitsprekelijke troost, als wij erdoor leren verstaan dat ons niets bij toeval kan gebeuren, maar dat alles ons alleen overkomt door de beschikking van onze goedertieren hemelse Vader. Hij waakt over ons met een vaderlijke zorg, terwijl Hij zó over alle schepselen heerst, dat niet één haar van ons hoofd - want die zijn alle geteld - en niet één musje ter aarde zal vallen zonder de wil van onze Vader (Matteüs 10:29-30).

Hierop stellen wij ons vertrouwen, omdat wij weten dat Hij de duivelen en al onze vijanden in toom houdt en zij ons zonder zijn toelating en wil niet kunnen schaden.

De Schepping van de Mens en de Zondeval

Wij geloven dat God de mens uit het stof van de aarde geschapen heeft en hem gemaakt en gevormd heeft naar zijn beeld en gelijkenis: goed, rechtvaardig en heilig, zodat hij met zijn wil in alles overeen kon stemmen met de wil van God.

Maar toen de mens in die eervolle positie verkeerde, heeft hij er geen acht op geslagen en zijn bevoorrechte plaats niet erkend. Hij heeft zich, door gehoor te geven aan het woord van de duivel, willens en wetens aan de zonde onderworpen en daarmee aan de dood en de vervloeking. Want het gebod ten leven dat hij ontvangen had, heeft hij overtreden en door zijn zonde heeft hij de gemeenschap met God, die zijn ware leven was, verbroken.

Zo heeft hij zijn hele natuur verdorven en daarmee de lichamelijke en geestelijke dood verdiend. Doordat hij in al zijn doen en laten goddeloos, verkeerd en ontaard is geworden, heeft hij alle voortreffelijke gaven die hij van God had ontvangen, verloren. Hij heeft daarvan niets overgehouden dan geringe sporen, die niettemin voldoende zijn om de mens iedere verontschuldiging te ontnemen.

Al het licht in ons is immers in duisternis veranderd, zoals de Schrift ons leert: "Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen" (Johannes 1:5). Hier noemt de apostel Johannes de mensen duisternis.

Daarom verwerpen wij al wat men in strijd hiermee leert over de vrije wil van de mens, omdat de mens slechts een slaaf van de zonde is en niets kan aannemen, of het moet hem uit de hemel gegeven zijn (Johannes 3:27). Want wie zal zich erop beroemen uit eigen kracht iets goeds te kunnen doen, daar Christus immers zegt: "Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekt" (Johannes 6:44)? Wie zal wijzen op zijn eigen wil, als hij weet dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God (Romeinen 8:7)? Wie zal de moed hebben te spreken over eigen kennis, wanneer hij inziet dat een ongeestelijk mens niet aanvaardt wat van Gods Geest is (1 Korintiërs 2:14)? Kortom, wie zal ook maar één eigen denkbeeld naar voren brengen, wanneer hij weet dat wij niet bekwaam zijn iets uit onszelf te denken, maar dat onze bekwaamheid Gods werk is (2 Korintiërs 3:5)?

Daarom hoort het woord van de apostel onwrikbaar vastgehouden te worden: "dat het God is die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in ons werkt" (Filippenzen 2:13). Want geen kennis of wil is in overeenstemming met die van God, als Christus ze niet in de mens tot stand heeft gebracht, zoals Hij ons leert met de woorden: "Zonder Mij kunt gij niets doen" (Johannes 15:5).

Een illustratie van Adam en Eva die uit het paradijs worden verdreven.

Erfzonde

Wij geloven dat door de ongehoorzaamheid van Adam de erfzonde zich over heel het menselijk geslacht heeft verbreid. Zij is een verdorvenheid van de hele natuur en een erfelijk kwaad, waarmee zelfs de kleine kinderen in de moederschoot besmet zijn.

Zij is namelijk de wortel waaruit allerlei zonden in de mens voortkomen. Zelfs door de doop is zij niet geheel vernietigd of uitgeroeid, omdat de zonde altijd uit deze verdorvenheid ontspringt als opwellend water uit een giftige bron. Zij wordt evenwel de kinderen van God niet toegerekend om hen te veroordelen, maar door zijn genade en barmhartigheid vergeven, niet om de gelovigen zorgeloos in de zonde te laten voortleven, maar om hen door het besef van deze verdorvenheid dikwijls te doen zuchten van verlangen.

Deze leer benadrukt dat de mens van nature geneigd is tot het kwade en zichzelf niet kan redden. De hoop op redding ligt uitsluitend in Gods genade en barmhartigheid.

Praktische Toepassing in de Hervormde Kerk Ede

De principes van de Nederlandse Geloofsbelijdenis vinden hun weerslag in de praktijk van de Hervormde Kerk Ede. De kerk richt zich op het onderwijs in de kernen van de Schrift en het belijden van de kerk, met speciale aandacht voor de jongeren.

Catechese en Geloofsopvoeding

De kerk biedt catechese aan voor jongeren, met nadruk op de drie G's: geloof, gebod en gebed. Dit onderwijs, dat de kennis van de Bijbel aanreikt, wordt gegeven door mentoren die leidinggeven aan groepsbesprekingen. De belijdeniscatechisatie is specifiek bedoeld als voorbereiding op het doen van openbare geloofsbelijdenis, waarbij de belangrijkste zaken van de geloofsleer worden behandeld en ruimte is voor persoonlijk geloofsleven.

De belijdeniscatechisatie moedigt jongeren aan om voor God en Zijn gemeente te antwoorden op wat hen is aangereikt. Het is een proces waarin men, ook met vragen en twijfel, bevestigd kan worden in de keuze om belijdenis af te leggen. De kerk benadrukt dat God het recht heeft op ieders hart en leven.

Een foto van een groep jongeren die in gesprek zijn tijdens een catechisatiebijeenkomst.

Geloofsbelijdenis en Gemeenschapsvorming

Het doen van openbare geloofsbelijdenis is een belangrijk moment in het leven van een gelovige. Het wordt gezien als een antwoord op Gods liefde, waarbij de gelovige zich committeert aan de dienst van het Woord en de sacramenten, het volharden in gebed en het lezen van de heilige Schrift, en het meewerken aan de opbouw van de gemeente.

De kerk benadrukt dat gelovigen hun gaven inzetten voor Gods Koninkrijk en rekenschap geven van de hoop die in hen is. Ze mogen weten dat zij de Geest ontvangen hebben om Gods kinderen te zijn en Hem als Vader aan te roepen. De Geest leidt hen in de waarheid en vernieuwt hun leven.

Diensten en Activiteiten

De kerkdiensten, die zowel 's ochtends als 's middags worden gehouden, staan in het teken van het vieren van Gods grote liefde en genade. Er is aandacht voor het omzien naar elkaar en betrokkenheid op de wereld. De kerk organiseert ook bijbelkringen en themadiensten, zoals het openen van het bijbelboek Openbaring, om de gelovigen te verdiepen in Gods Woord.

Een bijzondere gebeurtenis is de openbare belijdenis van geloof door catechisanten. Deze diensten vinden plaats in een groter kerkgebouw om ruimte te bieden aan gemeenteleden, familie, vrienden en andere belangstellenden. De vorm van de dienst kan worden verdiept, bijvoorbeeld door het ontvangen van een persoonlijke belijdenistekst uit Gods Woord.

Geloof | een korte film

Structuur van de Gereformeerde Kerk Ede

Sinds 2010 behoort de Gereformeerde Kerk Ede tot het kerkverband van de Gereformeerde Kerken. Dit kerkverband is ontstaan door historische gebeurtenissen zoals de Afscheiding, de Doleantie en de Vrijmaking. De kerk wil leven uit en naar de Heilige Schrift alleen, en volgt de belijdenisgeschriften die de Schrift naspreken: de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels.

De kerk biedt ook de mogelijkheid om de webversie van de Arkgemeente app te gebruiken, wat de toegankelijkheid van informatie en deelname aan kerkelijke activiteiten vergroot.

De kerkelijke activiteiten, zoals catechisaties en diensten, vinden plaats in verschillende locaties, waaronder de Sionkerk en de Bethelkerk. De kerk nodigt iedereen uit die belijdenis van het geloof wil afleggen of dat overweegt, en biedt begeleiding en informatie via de predikant en ouderling kerkelijk werker.

tags: #geloofsbelijdenis #hervormde #kerk #ede