Geschiedenis van de Gereformeerde Kerk in Stellendam

De geschiedenis van Stellendam is nauw verbonden met de inpoldering van het gebied. Het dorp is gelegen in een polder die pas rond het midden van de 18e eeuw drooggelegd werd. Dit proces begon met de aanleg van de dam tussen het eiland Westvoorn en Overflakkee, dat destijds nog uit twee aparte eilanden bestond: Goeree en Flakkee. Na de bouw van dijken tegen deze dam, begon het eigenlijke inpolderingswerk. Door de aanleg van nieuwe dijken ontstond uiteindelijk één eiland: Goeree-Overflakkee. Het oppompen van het water, voltooid in 1836, markeerde de voltooiing van dit ambitieuze project.

Aan het einde van de achttiende eeuw verkreeg een groep van eenendertig personen concessies voor verdere inpoldering rond de dam. De door hun inspanningen ontstane polders werden verdeeld in eenendertig kavels, waarvan er één tweeënzestig telde. Uit het werk van deze 'eenendertigers' groeide geleidelijk de nederzetting Stellendam.

De Stichting van de Hervormde Kerk

Een van de grootste wensen van de dorpsbewoners was de stichting van een eigen kerk. In 1819 werd daarom de hervormde kerk gebouwd. Een gedenksteen vermeldt dat dit gebouw werd opgericht 'ter dankbare erkentenis voor het welslagen van de bedijking dezer polders alhier ter plaats waar voorheen de zee stroomde, ter eere Gods en ten dienste van de hervormde gemeente'. Hiermee hoefden de inwoners van Stellendam niet langer de kerk in Goedereede te bezoeken.

De hervormde gemeente telde eind 1834, het jaar van de Afscheiding in Ulrum, 145 leden. Na de Afscheiding in Stellendam in 1836, daalde dit aantal tot 112 leden in 1838. De Afgescheiden gemeente telde in 1841 nog twintig belijdende leden.

De Afscheiding en de Vorming van de Christelijke Afgescheidene Gemeente

De Gereformeerde Kerk van Stellendam beschikt niet over archiefstukken van vóór 1900, waardoor andere bronnen geraadpleegd moesten worden voor informatie over de begintijd van de Afgescheiden Gemeente. De exacte datum van de instituering van de gemeente in Stellendam is onbekend, maar vond plaats vóór 15 oktober 1836.

Begin 1836 bestond er in Stellendam weinig enthousiasme over de gang van zaken binnen de hervormde kerk. Op 15 oktober 1836 dienden zevenendertig inwoners van Stellendam, samen met hun achtendertig kinderen, een rekest in bij de koning. Dit betrof een Koninklijk Besluit van 5 juli dat jaar, dat de Afgescheidenen alle bescherming ontzegde en de toelating van hun Christelijke Afgescheidene Gemeenten niet duldde omdat deze 'geen wettig bestaan' zouden hebben. In het verzoekschrift beloofden de Afgescheidenen dat hun gemeente geen aanspraak zou maken op de staatskas en dat eigen behoeftigen zelfstandig zouden worden verzorgd, zodat zij de Staat niet zouden belasten. Ze verzochten tevens om het stoppen van de vervolgingen.

Hoewel de gouverneur van de provincie, Adam Frans Jules Armand Van der Duyn van Maasdam, de Afgescheidenen probeerde te verdedigen tegenover de regering, veranderde dit niets aan de houding van koning Willem I. Burgemeester David Goekoop van Stellendam steunde de ondertekenaars niet volledig, en omschreef sommigen als 'arme dagloners, die meestal door onkunde en dweeperij zijn meegesleurd'.

In die periode bestonden er vijf kleine Afgescheiden Gemeenten op Goeree-Overflakkee: Middelharnis, Ooltgensplaat, Sommelsdijk, Stad aan 't Haringvliet en Stellendam. Burgemeester Goekoop rapporteerde in een brief aan de vrederechter dat er in Stellendam regelmatig gezelschappen bijeenkwamen, zowel bij weduwe De Berg als bij Maarten van Seters. Bij onderzoek van marechaussees op 5 mei 1836 in het huis van weduwe De Berg werd een groot aantal personen aangetroffen die aangaven over godsdienstige onderwerpen te spreken.

Op 28 mei 1836 waarschuwde de burgemeester voor geruchten dat de volgende dag de hervormde kerkdienst zou worden onderbroken. Hoewel dit geruchten bleken, was duidelijk dat het aantal Afgescheidenen in Stellendam aanzienlijk was. Burgemeester Goekoop schreef aan de gouverneur van Zuid-Holland dat 'sedert geruimen tijd in Stellendam successievelijk vele leden zich van de Hervormde Gemeente afscheiden en in particuliere huizen vergaderingen houden'. Deze bijeenkomsten, die tot diep in de nacht konden duren, werden soms gekenmerkt door uitroepen en verstoorde rust.

In meerdere documenten wordt melding gemaakt van 'dweepzucht' in Stellendam, door anderen aangeduid als een 'godsdienstige opleving' of 'een Réveil'. Dr. C. Smits acht het mogelijk dat zich in Stellendam vergelijkbare taferelen afspeelden als in andere regio's, waarbij vooral jonge mensen in grote opwinding de straat op gingen. Dit lijkt bevestigd te worden door notulen van de Afgescheiden provinciale vergadering van Zuid-Holland in 1840, waarin gesproken wordt over ouderlingen en diakenen die terugkeerden van hun 'geestdrijverij'.

Dr. Maarten van Seters en zijn vrouw Gerritje Komttebed hadden twaalf kinderen, waarvan er zeker twee zich van de hervormde kerk afscheidden. Vermoedelijk schreef de oudste dochter Maria een verhaal over het leven van haar ouders in de tijd van de Afscheiding, getiteld 'Reveil van Stellendam'. Vanuit Stellendam trok men er, nog voordat de Afscheiding plaatsvond, op zondagmorgen op uit om elders een predikant te horen die de 'zuivere waarheid' verkondigde. Degenen die dit niet konden, bleven thuis en lazen een preek.

Maria schreef verder dat haar vader Maarten zijn betrekking verloor vanwege zijn afscheiding van de hervormde kerk. De vijandschap tegen hem en zijn geestverwanten was groot. De huurovereenkomst voor het land werd opgezegd, zijn koeien mochten niet meer op de dijk grazen en drie ervan moesten verkocht worden. Maarten moest zelfs enige tijd naar Texel om werk te zoeken.

Gedurende twintig jaar, van 1836 tot 1856, werden kerkdiensten gehouden in het huis van Maarten van Seters. In deze periode openbaarde zich in de kleine gemeente een geest die Maarten wantrouwde, waarbij sommigen 'al spoedig in hoge bevinding eindigden en met minachting over de duidelijke uitspraken des Bijbels sprekende' handelden wanneer dit tegen hun innerlijk gevoel inging. Maarten kwam op tegen de minachting voor de ambtsdragers en koos zelf de morgenpreek die hij las, om de gemeente te laten zien dat alleen de Bijbel de grond is waarop de verwachting van de christen rust en waaraan alle innerlijke bevinding getoetst moet worden.

Ds. C. Maarten bond de strijd aan tegen deze zelfverheerlijking van sommigen in de gemeente. Van der Meulen werd na verloop van tijd huisvriend van Maarten van Seters en zijn gezin. Ondanks de tegenstand groeide de spanning in de gemeente. De 'dwaalgeesten' spotten met de vermaningen van ouderling Van Seters, lieten hun kinderen ongedoopt en moesten uiteindelijk uit de gemeenschap der kerk gesloten worden.

Eind 1840 werd duidelijk dat de Afgescheiden Gemeenten op Goeree-Overflakkee vooralsnog niet de gevraagde vrijheid van godsdienst zouden krijgen. Ds. H.P. Scholte schreef op 5 januari 1841 een 'Verslag' aan de koning, waarin hij meldde dat op het eiland Flakkee honderdachtenveertig Afgescheidenen woonden, van wie drieënzestig tot het Avondmaal waren toegelaten. Drie jaar later, op 24 mei 1844, ondertekenden achtenzeventig leden van de 'Afgescheiden Gemeente te Overflakkee en Goedereede' opnieuw een rekest aan de koning, met het verzoek om beëindiging van de vervolgingen en het verlenen van godsdienstvrijheid. Twaalf van de ondertekenaars kwamen uit Stellendam.

In het verzoekschrift werden twee plaatsen van samenkomst aangeduid: een aan de Nieuwstraat te Middelharnis en een te Sommelsdijk. In andere dorpen werden vermoedelijk conventikels gehouden, religieuze bijeenkomsten waarbij - op bevel van de overheid - niet meer dan twintig mensen aanwezig mochten zijn.

De Afgescheiden Gemeente van Stellendam zette haar bestaan voort, kennelijk buiten het verband van de landelijke Christelijke Afgescheidene Kerk. In 1853 overhandigde Maarten van Seters op de classis Rotterdam een brief, ondertekend door negen Stellendamse manslidmaten, waarin verklaard werd zich te verbinden aan Gods Kerk in Nederland, en wel bepaaldelijk aan de classis Rotterdam. Er was enkele jaren geen avondmaal gevierd.

De classis was verheugd met de komst van Stellendam en stelde ds. G.J. Raidt aan tot consulent. In 1861 wilden de gemeenteleden een geschikt lokaal vinden voor de uitoefening van de openbare godsdienst, aangezien kerkdiensten aan huis niet langer mogelijk waren en het huis van Maarten van Seters niet meer gebruikt kon worden. De classis wilde financiële steun verlenen en in Stellendam werd fl. 140 gecollecteerd, met nog eens fl. 200 toegezegd, hoewel er fl. 1.500 nodig was.

In 1864 werd een stuk grond gekocht en de kerken in de classis verzocht te collecteren voor de kerkbouw. Het eerste rekest werd afgewezen omdat men vergeten had te vermelden welk reglement voor de gemeente gold. In het volgende verzoek, waarin werd meegedeeld dat het reglement van de erkende Christelijke Afgescheidene Gemeente te Schiedam was aangenomen, werd erkenning door de overheid toegestaan.

De burgemeester van Stellendam verklaarde dat het gewenste kerkgebouw zonder bezwaar kon worden gebouwd op de gekozen plaats, op de grond van Hugo van Seters. Meteen werd met de bouw van het kerkje begonnen. De eerste steen werd op 19 augustus 1865 gelegd door M. van Seters Wzn. De tekst op de steen luidde: 'Eben Haezer. De Eerste Steen van dit Bedehuis / dat door Hulpvaardigheid van den heer A.W. van der Plas is Gestigt / is Gelegd Door M. van Seters Wz den / 19 Augs. 1865'.

Foto van de eerste steen van het kerkgebouw uit 1865.

De kerk werd in 1866 in gebruik genomen. Het duurde echter nog tien jaar, tot 1874, voordat de eerste eigen predikant, ds. J. Boss, naar Stellendam kwam. Na hem dienden achtereenvolgens ds. J.J. Koopmans (1878-1893), ds. H. Volten (1899-1902), ds. A.A. Koppe (1903-1907) en ds. A. De volgende jaren kende de gemeente een lange vacante periode tot 1934. Vanwege de kleine omvang van de gemeente was het niet meer mogelijk om zelfstandig een predikant te beroepen, waardoor de volgende twee pastores, ds. H. de Valk en ds. D.C. Los, werden beroepen in combinatie met de Gereformeerde Kerk te Melissant.

Het Huidige Kerkgebouw en de Stormramp van 1953

De stormramp van 1953 trof Stellendam zwaar, met tientallen slachtoffers. Na overleg met verschillende instanties kon architect L.F. Kloppers een ontwerp voor een nieuwe kerk maken. In april 1955 vond de aanbesteding plaats en op 24 oktober 1956 werd het nieuwe kerkgebouw in gebruik genomen. De bouwkosten bedroegen ongeveer fl. 150.000, inclusief het jeugdgebouw naast de kerk. Het Rampenfonds verstrekte een aanzienlijk bedrag voor de bouw en zou ook een nieuw orgel betalen.

Artistieke impressie van het nieuwe kerkgebouw uit 1956.

Vóór de oorlog had de kerk van Stellendam een evangelisatielokaaltje op het Goereese Hoofd, dat tijdens de oorlog moest wijken voor de aanleg van Duitse kustverdedigingswerken.

Recente Ontwikkelingen

Begin 2024 is een verbeterplan opgesteld om de gereformeerde kerk aan de Kerkhoflaan en het kerkelijk bijgebouw 'het Forum' te verduurzamen. Maatregelen omvatten de renovatie van het dak, het vervangen van enkel glas door HR++ glas, isolatie van spouwmuren en vloer, en de vervanging van verlichtingsarmaturen. De gemeente zoekt medefinanciers om het gehele plan te realiseren, en heeft een aanvraag ingediend bij het WindfondsGO.

De Gereformeerde Kerk Stellendam valt vanaf 1 mei 2004 onder de Protestantse Kerk Nederland (PKN). De gemeente wil dienstbaar zijn en betrokken zijn bij de wereld om hen heen, en nodigt iedereen uit om een kerkdienst bij te wonen. De morgendienst begint doorgaans om 10:00 uur, en de avonddienst is één keer per maand om 18:30 uur. Er is kinderoppas en kindernevendienst tijdens de morgendiensten. Koffie en thee staan klaar vanaf 09:30 uur in 't Forum.

In 1892 kwam de naam "Gereformeerde Kerk" opnieuw in gebruik. Het kerkgebouw uit 1866 werd in 1956 gesloopt en vervangen door het huidige kerkgebouw dat in datzelfde jaar in gebruik werd genomen.

tags: #gereformeerde #kerk #stellendam #stellendam