Geschiedenis van de Doopsgezinden in Friesland

Ontstaan van de Doopsgezinde Beweging

De geschiedenis van de doopsgezinden in Friesland wordt gekenmerkt door een rijke, maar ook turbulente ontwikkeling. Historicus Cor Trompetter schetst in zijn werk het ontstaan van deze beweging, met Menno Simons als een centrale figuur. Simons, een voormalig katholiek geestelijke, speelde een cruciale rol in het vormgeven van de doopsgezinde identiteit.

De beweging van de wederdopers, zoals zij aanvankelijk werden genoemd, ontstond rond 1520 in Zwitserland en Zuid- en Midden-Duitsland. Gemeenschappen keerden zich daar tegen de leer en praktijken van de Rooms-Katholieke Kerk, maar onderscheidden zich van volgelingen van Luther en Zwingli. Het kernpunt van hun geloof was de doop van volwassenen als teken van een nieuwe wending in het leven, waarmee zij de kinderdoop verwierpen. Op 21 januari 1525 doopte Conrad Grebel de eerste volwassene in Zürich, wat leidde tot de vorming van de eerste gemeenschap.

Ondanks vervolgingen groeide de beweging van wederdopers. Onder leiding van Michael Sattler werden de 'Schleitheimer Artikelen' opgesteld, een reeks regels die betrekking hadden op de doop, het Avondmaal, de omgang met afwijkende broeders en zusters, en de scheiding van kerk en staat. Deze artikelen, die voor het eerst in 1527 werden gedrukt, verspreidden zich snel, ook naar de Nederlanden.

Vervolging en Scheuringen

De afwijkende standpunten en leer van de doopsgezinden leidden tot zware vervolgingen. Verdrinking, onthoofding, ophanging en verbranding waren de lotgevallen van velen. De beweging werd ook intern geplaagd door conflicten en scheuringen. Menno Simons was nooit de onbetwiste leider; er was voortdurend strijd binnen de beweging, wat resulteerde in verharding van standpunten en het uiteenvallen in verschillende groepen.

Een dramatisch voorbeeld van de vervolging is de martelaarsdood van Sicke Frerixczoon. Hij werd rond 11 december 1530 in Emden gedoopt en door het Hof van Friesland ter dood veroordeeld. Het vonnis luidde onthoofding met het zwaard, waarna zijn lichaam op een wiel gezet en zijn hoofd op een staak geplaatst moest worden. Deze gebeurtenis raakte onder andere Menno Simons diep.

De radicale Münsterse Opstand in 1534-1535, waar wederdopers onder leiding van Jan van Leiden probeerden een 'Nieuw Jeruzalem' te stichten, leidde tot verdere repressie. Hoewel de opstand bloedig werd neergeslagen, zette het de toon voor een periode van extreme vervolging.

Menno Simons en de Vorming van de Mennisten

Menno Simons, oorspronkelijk priester gewijd in Utrecht en aangesteld als vicaris in Pingjum, raakte rond 1531 geïnsp ყველ the beweging van de wederdopers. De executie van Sicke Frericxzoon en de dood van zijn broer Pieter, een radicale wederdoper die omkwam bij de belegering van het Oldeklooster van Bolsward, brachten hem ertoe om in 1535 alle geweld af te zweren. Hij vluchtte uit Witmarsum en leidde een zwervend bestaan.

In 1537 werd Simons oudste bij de obbenieten van David Joris en Dirk Phillips. In 1540 nam hij de leiding over deze groep, die bekend werd als de mennieten, menisten en later mennonieten. Simons legde de nadruk op een letterlijke interpretatie van het evangelie, afzondering van de wereld, en het verbod op wapendracht en het zweren van eden. Geloof werd meer bepaald door daden dan door woorden en rituelen.

Menno Simons, de ex-katholieke geestelijke die de doopsgezinde beweging vormde

De Doopsgezinden in Friesland

In Friesland speelden de doopsgezinden een belangrijke rol, met name in de zeventiende en achttiende eeuw. De Friese Doopsgezinde Sociëteit, opgericht in Leeuwarden, omvatte maar liefst 51 gemeenten, waaronder drie uit Groningen. Doopsgezind Friesland was onderverdeeld in vier 'klassen': Harlingen, Franeker, Dokkum en Sneek, die elk twee afgevaardigden leverden in het bestuur. Het doel van de Sociëteit was hulp en ondersteuning te verlenen aan geloofsgenoten, zowel nationaal als internationaal.

Tijdens de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden hadden doopsgezinden een aanzienlijke invloed op het economische en maatschappelijke leven, vooral in de Friese Zuidwesthoek. Hoewel hun aantal afnam, wisten zij hun positie te verwerven en te versterken. Ze vormden bijna een elite in steden als Sneek, Bolsward, Workum en Balk en opereerden binnen specifieke sociale en politieke netwerken.

De kerken van de doopsgezinden werden toepasselijk 'Vermaning' genoemd. Hoewel ze aanvankelijk niet als openbare ambten konden dienen en moesten leven buiten de maatschappij, kregen ze later meer acceptatie. Vanaf 1579, met de Unie van Utrecht, kwam er een einde aan de vervolgingen en mochten er kleine, niet als kerk herkenbare 'vermaanhuizen' gebouwd worden.

Historische kaart van Friesland met belangrijke doopsgezinde gemeenschappen

Invloed en Ontwikkelingen door de Eeuwen Heen

De doopsgezinde beweging heeft zich voortdurend aangepast aan veranderende maatschappelijke en religieuze omstandigheden. In de Gouden Eeuw lieten de meer vooruitstrevende doopsgezinden de afzondering van de wereld varen, terwijl een kleiner deel vasthield aan de oude leer.

In de achttiende eeuw werden veel doopsgezinden voorvechters van de Verlichting, wat echter leidde tot ledenverlies. In 1811 werd de Algemene Doopsgezinde Sociëteit opgericht, wat een nieuwe bloeiperiode inluidde. De Nederlandse doopsgezinden ontwikkelden zich tot een niet-dogmatische richting met veel aandacht voor praktisch christendom.

In de twintigste en eenentwintigste eeuw uiten het doopsgezinde geloof en sociale bewustzijn zich vaak in praktisch hulpwerk wereldwijd, en ook in Nederland. De beweging heeft een sterke focus op individueel bepaald geloof dat in gemeenschap wordt beleefd, wat hen onderscheidt van geloofsgenoten elders.

De 'Gemeentedagbeweging', gestart in 1916 door ds. T.O. Hylkema en collega's, markeerde een omslagpunt van 19e-eeuwse burgerlijkheid naar een 20e-eeuws begrip van wereldbroederschap. Dit leidde tot de oprichting van het Broederschapshuis in Elspeet in 1925, dat diende als ontmoetingsplaats.

De GESCHIEDENIS van NEDERLAND in 4K!

Individuen zoals de antimilitaristische en socialistische mennist Cor speelden een rol in de ontwikkeling van het vredesideaal binnen de beweging. Cor weigerde de militaire dienstplicht en koos voor gevangenisstraf, en bleef zich inzetten voor weerloosheid en sociaal verzet. Na de Tweede Wereldoorlog werd de Arbeidsgroep tegen de Krijgsdienst voortgezet als de Doopsgezinde Vredesgroep (DGV), met het Vredesbureau dat informatie en ondersteuning bood aan gewetensbezwaarden.

De doopsgezinden in Friesland hadden ook banden met andere intellectuele en artistieke kringen. Bekend zijn de connecties van onder meer Rembrandt, Govert Flinck en Vondel met de doopsgezinden. Ook Friese kunstschilders zoals Lambert Jacobsz en Wybrand de Geest, en de familie Uylenburgh, waaruit Saskia, de vrouw van Rembrandt, voortkwam, hadden banden met deze gemeenschap.

De geschiedenis van de doopsgezinden in Friesland omvat ook verhalen van verzet en hulpverlening. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden bijvoorbeeld joodse kinderen met hulp van het studentenverzet ondergebracht bij gezinnen in Friesland. Zo werd baby Alfred, wiens ouders waren gedeporteerd, via een kinderopvang gesmokkeld naar Sneek.

Belangrijke Publicaties en Bronnen

De geschiedenis van de doopsgezinden in Friesland is gedocumenteerd in diverse belangrijke publicaties:

  • Cor Trompetter, Een grote familie: Doopsgezinde elites in de Friese Zuidwesthoek 1600-1850 (2007)
  • Samme Zijlstra, Om de ware gemeente en de oude gronden, Geschiedenis van de dopersen in de Nederlanden 1531-1675
  • Blaupot ten Cate, Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland: van derzelver ontstaan tot dezen tijd, uit oorspronkelijke stukken en echte berigten opgemaakt (1839)
  • W. Eekhoff en J.B. : Geschiedenis der Doopsgezinden in Groningen, Overijssel en Oost-Friesland

Andere relevante bronnen zijn de Doopsgezinde bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam en de Engelstalige Global Anabaptist Mennonite Encyclopedia Online.

tags: #geschiedenis #van #de #doopsgezinden #in #friesland