Het lied 'Ga, stillen in den lande', gezang nummer 127 in het Liedboek voor de Kerken, is een vertaling van een deel van het oorspronkelijke Duitse lied 'Auf, auf, ihr Reichsgenossen'. Dit lied, geschreven door Johann Rist (1607-1667), is oorspronkelijk bestemd voor de eerste zondag van Advent en is gecomponeerd op de melodie van 'Aus meines Herzens Grunde'.
De Nederlandse vertaling van het lied is verzorgd door Siebe Paulus de Roos en Jan Wit. Het lied kent zeven strofen. In het Liedboek voor de Kerken werd voor het meervoud de vorm 'Gaat' gehanteerd.

Historische Achtergrond en Ontwikkeling
De oorsprong van het lied ligt in de bundel Sabbahtische Seelenlust, die in 1651 in Lüneburg verscheen. Deze bundel bevatte liederen bij de zondagse evangelielezingen. Het lied 'Auf, auf, ihr Reichsgenossen' was het eerste van de 58 liederen in deze bundel en is het enige dat populair werd en tot op heden, zij het ingekort, in liedbundels wordt opgenomen.
De Nederlandse geschiedenis van het lied begint in 1902, toen de lutherse wijnhandelaar en amateurhistoricus Dirk Christiaan Meijer jr. (1839-1908) een vertaling van zes coupletten publiceerde in zijn Luthersche Liederen uit het Hoogduitsch vertaald. Twee jaar later werd deze vertaling opgenomen in Christelijke liederen (1904, nr. 18).
In 1904 maakte onderwijzer Henri Gordeau (1877-1953) een nieuwe vertaling van vijf coupletten voor de Liederenbundel ten dienste van het Ned. Jongelingsverbond.
De redactie van de 'Hervormde Bundel' uit 1938 was blijkbaar niet tevreden over de bestaande vertalingen en nam daarom de zevenstrofige vertaling van de vrijzinnig-hervormde predikant Duco Arris Vorster (1880-1953) op als gezang 4.
Voor het Liedboek voor de Kerken (1973, gezang 127) maakten Siebe Paulus de Roos en Jan Wit een nieuwe vertaling. Deze verscheen reeds in 1968 in het Gezangboek van de Evangelische Broedergemeente in Nederland (nr. 72). In deze liedbundel werd gekozen voor de melodie die Thomas Selle oorspronkelijk bij Rists liedtekst maakte en die ook gebruikt werd in het Evangelisches Kirchengesangbuch. In het Liedboek voor de Kerken verscheen de tekst echter met de zestiende-eeuwse melodie van 'Aus meines Herzens Grunde', die eerder al in het lutherse gezangboek uit 1904 en de 'Hervormde Bundel' uit 1938 de liedtekst vergezelde.
Het Gezangboek voor de Evangelische Broedergemeente geeft de tekst van De Roos en Wit op de oorspronkelijke melodie van Thomas Selle.
Thematiek en Interpretatie
Het lied 'Auf, auf, ihr Reichsgenossen' is geschreven bij de evangelielezing voor de eerste adventszondag volgens het klassieke kerkelijke jaar, Matteüs 21,1-11, dat de intocht van Christus in Jeruzalem beschrijft. In zijn lied stelt Rist dit evangelieverhaal voor als de majestueuze intocht van een machthebber die op juiste wijze begroet moet worden als koning, helper en redder.
Rist gebruikt twaalf strofen in zijn oorspronkelijke lied, waarvan in twintigste-eeuwse bundels altijd een selectie is gemaakt. Het is mogelijk om uit het breedsprakige lied coupletten te selecteren zonder de inhoud van het geheel geweld aan te doen. Met uitzondering van de laatste strofe begint elk couplet met een oproep tot bepaald gedrag of een bepaalde handeling.
In de eerste strofe wordt opgeroepen de koning tegemoet te gaan, wat doet denken aan de oproep uit de gelijkenis van de vijf dwaze en vijf wijze meisjes, waar opgeroepen wordt om de bruidegom tegemoet te gaan (Matteüs 25,6).
De term 'Reichsgenossen' (rijksgenoten) in de eerste regel is in de Nederlandse versie vervangen door 'stillen in den lande'. Deze aanpassing vond plaats na de Tweede Wereldoorlog vanwege de negatieve associaties met het woord 'Reichsgenossen'. De benaming 'stillen in den lande' komt uit Psalm 35,20, waar het verwijst naar mensen die een vreedzaam en zachtmoedig leven leiden, ondanks de bedrieglijke plannen van vijanden.
De eerste strofe sluit verder nauw aan bij het Duitse origineel. De woorden 'den grossen Wundermann' zijn in de Nederlandse versie vertaald met 'van Hem die wonderen doet'. De regels 6 en 7 zijn vrijwel letterlijk weergegeven: 'Lasst uns für allen Dingen / Ihm hosianna singen'. De acclamatie 'hosanna' verwijst naar Matteüs 21,9: 'Hosanna voor de Zoon van David'.
Het tweede couplet benadrukt dat de koning de helper in nood zal zijn, wat gelovigen moed en nieuwe hoop moet geven.

Psalm 127 en de Vrije Bewerking
Gezang 127 wordt ook geassocieerd met Psalm 127, een berijming waarvan de tekst van Jan Willem Schulte Nordholt en Jan Wit is. Deze psalm wordt vaak gelezen als een vermaning die de menselijke inspanningen voor het bouwen van huizen en steden relativeert, en benadrukt dat zonder God niets lukt. Het is een waarschuwing tegen het geloof in de maakbaarheid van het leven.
De interpretatie van Psalm 127 kan echter ook anders liggen. Het kan worden gezien als een uitdrukking van wijsheid die men gaandeweg in het leven ontdekt: dat dromen zoals een eigen huis, een goede stad of kinderen, ondanks de inspanningen, ook afhankelijk zijn van geloof, hoop en liefde. De tekst van Schulte Nordholt en Wit, geschreven in de verkiezingsperiode van 2021, kan ook politiek worden geïnterpreteerd, met kernwoorden als eigen huis, zorg, verscheidenheid, jong en oud, en verbondenheid.
Een kritisch punt in Psalm 127 zijn de regels over de zonen, die de inclusiviteit van de tekst belemmeren. De dochters blijven onbenoemd, en de psalm doet geen recht aan mensen die geen kinderen hebben. Daarom spreekt de tekst in de tweede strofe niet over ouders en kinderen, maar over 'oud en jong'.
Het lied is dan ook geen klassieke berijming van Psalm 127 geworden, maar eerder een vrije bewerking. Bij het kiezen van een psalm voor een kerkdienst kan men kiezen voor dichte aansluiting bij de Bijbeltekst of voor de kerngedachte. Er is ook de vraag of de gemeente bestand is tegen de 'geheimtaal' van de kerkelijke traditie of dat er gekozen wordt voor 'ontplechtiging en vervlotting'.
Melodie en Liturgische Bruikbaarheid
Johann Rist gebruikte voor zijn lied een populaire strofevorm: acht jambische regels met 7.6.7.6.6.7.7.6 lettergrepen en een rijmschema aBaBCddC. Deze vorm maakte het mogelijk het lied op diverse melodieën te zingen.
In zijn Sabbahtische Seelenlust gaf Rist zelf de aanzet door boven het lied te vermelden: 'Herr Christ, thu mir verleihen', het destijds bekende lied van Jeremias Nicolai (1558-1632). Dat lied verscheen in 1599 in de bundel van Philipp Nicolai.
Daarnaast nam Rist in zijn bundel een nieuwe melodie (met basso continuo) op, gecomponeerd door Thomas Selle (1599-1663). Deze Selle-melodie heeft de tijden door de liedtekst in diverse bundels begeleid.
Wanneer Rist bij het schrijven van zijn lied een melodie in gedachten had, zal dat die van het lied 'Aus meines Herzens Grunde' (c.q. 'Herr Christ, thu mir verleihen') geweest zijn. De melodie van 'Aus meines Herzens Grunde' dateert uit de zestiende eeuw, maar de componist en het exacte ontstaan zijn onbekend. De vroegst bekende bron is het Gesangbuch Darinnen Psalmen und Geistliche Lieder uit 1598.
De melodie uit 1598 wijkt op diverse punten af van de latere versie in het Liedboek. De melodie had aanvankelijk een binair ritme. Kenmerkend zijn de regelherhalingen: regels 1 en 3 zijn gelijk, regels 5 en 7 zijn varianten daarop. Regels 2, 4 en 8 zijn identiek, terwijl regel 6 een variant is.
De melodie is eenvoudig, opgebouwd uit een beperkt aantal bouwstenen. Melodisch gezien is de wijs een grote variant op de drieklank f’-a’-c”. Veertig van de 62 melodienoten betreffen deze drieklank. Wat de ritmiek betreft, valt een grote uniformiteit op.
Het lied heeft vanzelfsprekend zijn plek op de eerste adventszondag, wanneer het verhaal over de intocht in Jeruzalem wordt gelezen. De tekst in het Liedboek voor de Kerken had voor het meervoud 'Gaat'.
Wat is Advent? voor kinderen | Advent uitgelegd in 2 minuten | Waar komen adventskalenders vandaan?
Verwijzingen naar Liedbundels
Dit lied is te vinden in de volgende veelgebruikte liedbundel(s):
- Liedboek 2013 (nr. 127)
- Liedboek voor de kerken (nr. 127)
- Psalm 127 Gereformeerd Kerkboek
- Psalm 127 Gereformeerd Kerkboek 2017
- Weerklank Ps 127
Mogelijk staat het ook in andere liedbundels.