Het lied 'Zo vriendelijk en veilig als het licht', met tekst van Huub Oosterhuis en melodie van Bernard Huijbers, is een prominent lied binnen de Nederlandse kerkmuziek. Oorspronkelijk gepubliceerd in 1964 in de bundel '30 Liederen voor een Nederlandse liturgie', heeft het lied sindsdien een vaste plaats verworven in diverse kerkelijke liedbundels en wordt het nog steeds veelvuldig gezongen.

Ontstaansgeschiedenis en muzikale context
De melodie van Bernard Huijbers werd oorspronkelijk gecomponeerd voor de laatste drie strofen van Psalm 119 in de berijming van Jan Wit: 'Een smekeling, zo kom ik tot uw troon' (Liedboek Psalm 119: 64, 65 en 66). Deze melodie, bekend geworden door de zetting van Jan Vermulst voor vierstemmig koor en orgelbegeleiding, bleek zo aansprekend dat Huub Oosterhuis deze later gebruikte voor maar liefst acht verschillende teksten. 'Zo vriendelijk en veilig als het licht' is daarvan de meest bekende.
Oosterhuis zelf gaf aan dat hij dit lied, evenals 'De Heer heeft mij gezien en onverwacht', dichtte tijdens een fietstocht in augustus 1962, destijds woonachtig in Groningen. De inspiratie kwam voort uit een intense verliefdheid, die hem vol geluk maakte en de woorden bijna spontaan deed zingen. Het is opmerkelijk dat zowel 'Zo vriendelijk en veilig als het licht' als 'Ik sta voor u in leegte en gemis' een bijzondere relatie hebben met de oorspronkelijke tekst 'Een smekeling, zo kom ik tot uw troon' en met de melodie van Huijbers. De nederigheid en het smeken uit de psalmtekst resoneren in de latere liederen, wat tot uiting komt in de zangwijze die niet te snel of te ferm gezongen moet worden.
De melodie van Huijbers zelf is muzikaal bijzonder. In plaats van een klassieke boogconstructie, is ze opgebouwd uit tertsintervallen die als een legpuzzel in elkaar zijn geschoven. Huijbers omschreef dit als 'elementjes' en 'elementaire melodie'. Dit resulteert in een melodie die volledig gebonden is aan de tekst, soepel gemodelleerd op de declamatie, en zonder de tekst letterlijk geen leven heeft. Het is getoonzette declamatie, waarbij de melodie primair de richting van de uitspraak aangeeft.

Thematiek en tekstuele analyse
De titel 'Vriendelijk licht' suggereert een uitwerking van het thema licht, hoewel dit thema in de tekst zelf voornamelijk in de beginregel wordt genoemd. Het centrale thema van het lied is de bescherming die God biedt, vergelijkbaar met Psalm 27. Het licht fungeert hierbij als een metafoor voor deze goddelijke bescherming.
De tekst is strak geschreven in jambe (v-) en bestaat uit drie zesregelige strofen met een gekruist rijmschema (A-b-A-b-A-b). Opvallend zijn de zachte medeklinkers ('z', 'm'), de herhalende klinker 'aa' en de meer gesloten klinker 'ee'. De herhalingen van de klank 'zo' aan het begin van de eerste drie regels creëren direct een sterk ritmische cadans.
De tekst kent diverse alliteraties, zoals 'vriendelijk' en 'veilig', 'zoek' en 'zijn' in strofe 1; 'want waar', 'waakt', 'waart' in strofe 2; en 'vrede' en 'vreugde' in strofe 3. Assonantie is te vinden in de uitdrukking 'wijd' en 'zijd'.
Sterk overheersend zijn de voornaamwoorden 'ik' en 'mij'/'mijn' tegenover 'Gij' en 'U', wat de persoonlijke aard van het lied benadrukt. In strofe 2 zorgen enjambementen voor een vloeiend effect, onderbroken door de tussenzin 'als ik val'. De voorlaatste zin wordt onderbroken door een gedachtestreepje, wat de laatste regel extra aandacht geeft.
De tekst bevat ook niet-alledaagse woorden en uitdrukkingen die enigszins archaïsch kunnen overkomen, zoals 'mantel', 'wezen', 'behoeden', 'wijd en zijd', 'al mijn gangen', 'waart gij niet bereid' en 'vertroosting'.
Analyse per strofe:
Strofe 1: God als beschermend licht
De eerste strofe vergelijkt God met licht dat 'vriendelijk en veilig' is. Vriendelijk omdat het glans geeft aan het leven, en veilig omdat het de angst voor de duisternis verdrijft. Dit doet denken aan Jesaja 59:9b en Psalm 27:1-2, waar de Heer wordt omschreven als licht en behoud. Ook Psalm 104:2, waar God als een 'mantel van licht' wordt beschreven, is hier relevant. In de derde regel wordt duidelijk dat de vergelijking op God betrekking heeft: 'Zo is mijn God'. God wordt omschreven als een beschermend licht. De dichter zoekt naar Gods 'aangezicht' en roept 'zijn naam', verwijzend naar teksten als Psalm 27:8-9a en Numeri 6:25. Het roepen van de naam duidt op het zoeken naar nabijheid van God, en de vraag 'dat Hij mij maakt' betreft de richting die God aan het aardse bestaan geeft.
Strofe 2: De mens in afhankelijkheid van God
De tweede strofe stelt existentiële vragen: waar ben ik en wie zou ik worden? Zonder Gods waakzaamheid zou het leven leeg zijn. De beschermende eigenschap van God, die 'over al mijn gangen' waakt, doet denken aan Psalm 121:7-8b. De tussenzin 'als ik val' benadrukt de kwetsbaarheid van de mens en de bereidheid van God om op te vangen. Dit beeld komt terug in Deuteronomium 32:11 en diverse psalmen.
De voorlaatste regel geeft de desastreuze gevolgen van Gods afwezigheid aan: men zal 'niet echt' leven. Dit drukt het sterke vertrouwen uit dat een authentiek leven zonder God niet mogelijk is.
Strofe 3: Verlangen naar Gods nabijheid
In de derde strofe vraagt de dichter om een vertroostend woord dat bevrijding geeft en opneemt in Gods vrede. Ook wordt gevraagd om een eindeloze vreugde te 'ontsteken', wat verwant is aan het licht en Gods liefde. De oorspronkelijke tekst 'zoon' is in latere uitgaven vervangen door 'mens' om masculiniteit in de liederen te vermijden. De vraag of God zijn 'brood' mag zijn, verwijst naar de eucharistie en Jezus' uitspraak 'Ik ben het brood dat leven geeft' (Johannes 6:35). De laatste regel is een uiting van vertrouwen, waarbij God wordt gezien als 'de ziel' van de gebeden, de innerlijke kern, bron en doel, en de bezieler van het bestaan.
Gezang 221 Liedboek 2013 Zo vriendelijk en veilig als het licht
Opname in liedbundels en liturgische praktijk
'Zo vriendelijk en veilig als het licht' is opgenomen in vrijwel alle bekende liedbundels, waaronder de Randstadbundel (1970), Gezangen voor Liturgie (1984), Zingt Jubilate (1977) en het Gezangboek van de Oud-Katholieke Kerk in Nederland (1990). In protestantse bundels verscheen het lied voor het eerst in de serie Zingend Geloven 3 (1988) en daarna in diverse andere uitgaven.
Oosterhuis gaf oorspronkelijk aan dat het lied te zingen was in de eucharistieviering, ter opening van de dienst, na de schriftlezingen, of tijdens een viering met het sacrament van de biecht. In de liturgische praktijk is het lied vermoedelijk deels 'verdrongen' door 'Ik sta voor U in leegte en gemis' bij boetevieringen. De aanbeveling van Oosterhuis om het lied niet te gebruiken voor ochtend- of avondgebeden wordt nu als tijdgebonden beschouwd.
In de praktijk is de inzetbaarheid van het lied breed. Het is een welkome aanvulling bij vieringen waar Psalm 27 op het leesrooster staat, en een goede keuze bij ochtend- of avondgebeden, zeker bij het ontsteken van het licht.

Conclusie
Het lied 'Zo vriendelijk en veilig als het licht' is een diepgaande en veelzijdige compositie die, ondanks de oorspronkelijke muzikale basis voor een andere tekst, een eigen leven is gaan leiden. De tekst van Huub Oosterhuis, met zijn rijke beeldspraak en theologische diepgang, gecombineerd met de melodie van Bernard Huijbers, heeft geleid tot een lied dat de gelovige aanspreekt in zijn persoonlijke verlangen naar Gods nabijheid, bescherming en leiding. De universele thematiek, versterkt door de gemeenschappelijke zang, geeft het lied een blijvende betekenis binnen de kerkmuziek.