Het Bijbelboek Job is een diepgaande verkenning van het lijden van de mens en de complexe relatie met God. Na de eerste hoofdstukken, die Job's verlies van alles beschrijven, volgen lange dialogen met zijn vrienden. De ultieme antwoorden komen van God zelf in de hoofdstukken 38 tot 42.

De Kern van het Lied: God's Antwoord vanuit de Storm
René van Loenen schreef een liedtekst die zich specifiek richt op dit laatste deel van het boek Job, met name op Gods retorische vragen aan Job: 'Waar was je toen Ik de aarde grondvestte? Wie stelde haar grenzen vast? Wie strekte het meetlint over haar uit?' (Job 38:4-5).
Dit lied, getiteld 'Geen taal bij machte U te meten', werd gecomponeerd door Willem Vogel, die een bestaande melodie van Sytze de Vries gebruikte. De tekst van Van Loenen spitst de gedachte toe dat de mens Gods plan niet kan doorgronden, en is een protest tegen te stellige zekerheden.
Theologische Context: Problematisering van de Vergeldingsleer
Het boek Job, dat behoort tot de Bijbelse wijsheidsliteratuur, problematiseert de gangbare opvatting dat er een direct verband bestaat tussen iemands daden en zijn lot. De klassieke vergeldingsleer, waarbij God het goede beloont en het kwade bestraft, wordt hier ter discussie gesteld. Deze leer botst met de realiteit van het leven, vooral in tijden van onrust, zoals de Babylonische ballingschap waar de profeet Jeremia ook al worstelde met de vraag waarom goddelozen voorspoedig leven.
In het boek Job wordt dit probleem existentieel en theologisch aangescherpt doordat de rechtvaardige Job wordt getroffen door onheil, ziekte en dood. Zijn drie vrienden proberen hem ervan te overtuigen dat zijn lijden het gevolg is van eigen daden, maar Job verweert zich fel en roept God ter verantwoording.

Gods Antwoord: De Onmetelijkheid van de Schepping
Nadat de traditionele leer als onhoudbaar is aangetoond, antwoordt God Job vanuit een storm (Job 38-42). Het lied van Van Loenen begint met de eerste verzen van hoofdstuk 38, waar God Job confronteert met zijn nietigheid tegenover de schepping: 'Waar was jij toen ik de aarde grondvestte?'
Het eerste couplet van het lied benadrukt dat God niet in taal te vangen of te meten is. Pogingen om Hem te bevatten, werpen ons terug op onszelf en roepen de vraag op: 'Wie zijn wij voor uw aangezicht?' Dit staat in contrast met Psalm 8, die de plaats van de mens in de schepping verwondert en hem bijna goddelijk stelt. De auteur van Job laat zien dat deze traditionele scheppingsleer, net als de vergeldingsleer, onhoudbaar is geworden.
God confronteert Job met zijn onwetendheid over de schepping: 'Waar waren wij toen Gij het leven, het nijlpaard en de pijlstaart schiep?' De mens kan slechts stil worden en zich verbazen, maar de schepper blijft onkenbaar.

De Beperktheid van de Menselijke Kennis
In Job 40 wordt de onmetelijke macht van God tegenover de beperkte kracht van de mens gesteld. De mens kan Gods plan niet doorgronden, van het vroegste begin tot het einde. Het woord 'geheimenis' is typerend voor de wijsheidsliteratuur, en benadrukt dat deze kennis ons menselijk verstand te boven gaat.
De begrensdheid van het menselijk kunnen en weten wordt opnieuw benadrukt: 'Ons meetsnoer is zo klein en broos...' De mens probeert met zijn kleine meetstok het hemelgewelf te meten, maar is niet bij machte Gods plan te verstaan. Geen taal, geen mens, is daartoe in staat.
Een Houding van Ontvankelijkheid
Het lied roept op tot een houding van ontvankelijkheid en een nieuw zich openen voor het Woord van God. Het drukt een verlangen naar onderricht uit, omdat het oude verstaan niet langer toereikend is. De vraag 'wie is de mens?' vraagt om nieuwe antwoorden.
De sleutel tot het verstaan van het boek Job ligt in Job 42:1-5, waar Job zijn onwetendheid erkent en God erkent. Dit lied past daarom bij elke lezing uit het boek Job.
Melodie en Muzikale Kenmerken
De melodie van Willem Vogel, geschreven bij de tekst van René van Loenen, is gecomponeerd op 7 augustus 1992. De melodie vertoont gelijkenis met avondliederen, zoals 'The day Thou gavest', door de driedelige maatsoort, het metrum en het openingsinterval.
De melodie kent een a-B-a-B structuur. De eerste en derde regels zijn melodisch vrijwel gelijk, met kleine variaties. De tweede en vierde regels hebben een vergelijkbare verwantschap. Kenmerkend zijn de relatief grote sprongen, zoals kwarten en sexten, die de wijs een eigen karakter geven.
De melodie heeft een lyrische en ingetogen sfeer, die past bij de thematiek van het lied. De maataanduiding suggereert een rustige beweging, zeker niet sneller dan MM=40.