De Gereformeerde Kerk in het Overijsselse Enter werd, met enige voorzichtigheid te dateren, rond januari 1840 geïnstitueerd als Christelijke Afgescheidene Gemeente. De hervormde gemeente, met haar destijds circa 1.100 leden, werd in de periode van de Afscheiding gediend door ds. G.H. Immink. Deze predikant diende de gemeente veertig jaar, van 1807 tot 1847.
Ds. Immink was niet alleen een voorganger, maar ook attent op zijn financiële zaken. Hij was het niet altijd eens met het financiële beleid van de hervormde kerkvoogden, vooral wanneer hij zich benadeeld voelde. Een significant conflict ontstond in 1834 rond de jaarlijkse toelage van twee ankers wijn (ongeveer 70 liter of 90 flessen) voor de predikant. De kerkvoogden en notabelen besloten dat dit geldverspilling was en dat de avondmaalswijn en die voor kerkenraadsvergaderingen voortaan zelf ingeslagen zouden worden. Dit betekende dat de 90 flessen wijn voor de predikant kwamen te vervallen. Als reactie hierop hield ds. Immink op de zondag na dit besluit een krachtige preek, waarin hij de kerkvoogden en notabelen beschuldigde van 'onrechtvaardig, schelmachtig en buffelachtig' handelen.
Daarnaast was er een conflict met de bekende prediker Otto Voortman (1760-1844) uit Rijssen, die jarenlang als catechiseermeester in Enter had gefunctioneerd tot volle tevredenheid van de kerkenraad. Dit conflict met Voortman vond plaats in de context van een breder geschil met de classis rond 1820. De kerkenraad van Enter verzette zich tegen de verplichting om de door de overheid ingestelde bundel Evangelische Gezangen in kerkdiensten te gebruiken. Net als de latere Afgescheidenen, had de kerkenraad van Enter bedenkingen tegen deze gezangen, die door velen als vrijzinnig werden beschouwd.
De Instituering van de Christelijke Afgescheidene Gemeente
Het precieze moment van de institutie van de Christelijke Afgescheidene Gemeente in Enter is niet met zekerheid vast te stellen, en het is onwaarschijnlijk dat dit verband hield met de wijnkwestie. Er zijn echter enkele aanwijzingen:
- Mogelijkheid 1: Bestond de gemeente al voor half december 1837? Ds. A.C. van Raalte (1811-1876), een van de eerste Afgescheiden predikanten, schreef op 18 december 1837 aan zijn vrouw dat hij in Enter had gepreekt en enkele leden had "aangenomen en bevestigd".
- Mogelijkheid 2: December 1839. In de notulen van de gemeente te Ommen werd H. Lubbers in december 1839 genoemd als "regeerouderling te Enter".
Het enige document dat met zekerheid aantoont dat de gemeente op 1 januari 1840 daadwerkelijk bestond, is de zogenaamde "Verbintenisacte" van die datum. In dit document verklaren de ondergetekenden, de Ouderlingen en Diakenen van de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Enter, hun oprechte geloof in de leer zoals vastgelegd in de Belijdenis des Geloofs, de Catechismus en de leerregels van de Synode van Dordrecht (1618/1619). Ze beloven deze leer te handhaven en alle strijdige dwalingen te verwerpen, biddend om Gods Geest ter verheerlijking van Zijn Naam en het heil van Zijn gemeente.

De redenen voor de afscheiding van de hervormde kerk waren divers. Onder meer het feit dat veel predikanten zich niet meer hielden aan de belijdenisgeschriften en de catechismus, evenals de verplichting om de Evangelische Gezangen te gebruiken, stuitte velen tegen de borst. Ook de pesterijen van de overheid en medeburgers speelden ongetwijfeld een rol.
De Vroege Jaren van de Gemeente (1840-1853)
De frequentie van de genotuleerde kerkenraadsvergaderingen suggereert dat de beginjaren van de gemeente gekenmerkt werden door een onregelmatig kerkelijk leven. De eerste genotuleerde kerkenraadsvergadering vond plaats op 10 april 1840, met deelname van ds. K. Wildeboer (1809-1842) uit Rijssen, ouderlingen H. Lubbers en Jann. Kempers, en enkele gemeenteleden. Tijdens deze vergadering werd gesproken over de keuze van een diaken (J.H. Rohaan werd aangewezen, maar niet bevestigd) en de behoefte aan een eigen locatie voor kerkdiensten.
De tweede genotuleerde vergadering vond plaats op 1 april 1841, waarbij ook de vrouwen van de gemeente aanwezig waren. De mogelijkheid en noodzaak om een eigen predikant te beroepen werd besproken. Vanwege de regel in de classis Ommen om predikanten niet zonder zeer dringende redenen uit hun gemeente weg te roepen, werd overwogen of er iemand uit de eigen regio kon worden opgeleid tot predikant.
Een aanzienlijk hiaat in de notulen, met de volgende vergadering pas in 1849, kan mede verklaard worden door de emigratie van meerdere gemeenteleden naar Amerika in 1847, gedreven door grote armoede. De situatie in Enter was nijpend, met meldingen van schaars en slecht voedsel. Hendrikus Lubbers en Gerrit Jan Gommers, twee kerkenraadsleden, behoorden tot de emigranten. Helaas kwamen zij en hun gezinnen om het leven bij een scheepsongeluk een maand na aankomst in Amerika.

In 1849 vroeg de kerkenraad toestemming aan de classis om maandelijks een predikant uit de classis te laten voorgaan in de boerderij van Ezink-Koenderink, waar de diensten werden gehouden. Ook werd gevraagd om een collecte te houden voor het onderhoud van deze predikanten. Hoewel het niet zeker is of de maandelijkse diensten daadwerkelijk doorgang vonden, kwamen er zo nu en dan predikanten naar Enter, meestal op doordeweekse dagen.
De Bouw van een Eigen Kerkgebouw en Verdere Ontwikkelingen
In 1850 besloot de kerkenraad tot de bouw van een eigen kerkgebouw. Gemeenteleden gaven hiervoor vrijwillige bijdragen, wat tot vreugde leidde. Een bouwcommissie, bestaande uit twee ouderlingen, twee diakenen en enkele gemeenteleden, werd gevormd. Zij kochten de woning van de in Amerika omgekomen ouderling H. Lubbers in de Dorpsstraat en verbouwden deze tot kerk. De bouwkosten bedroegen circa 1.300 gulden. De bouw vond plaats in 1851/1852.

Gedurende deze periode ontstond er onenigheid met de classis Ommen. Ds. A. Brummelkamp (1811-1888), een predikant binnen de classis, had enige tijd buiten het kerkverband gestaan vanwege zijn opvattingen. Toen hij in 1851 verklaarde dat de Afscheiding "een zonde" was, leidde dit tot opschudding. De kerkenraad van Enter wilde hierdoor geen verdere banden met de classis Ommen onderhouden en sloot zich aan bij de classis Apeldoorn. De classis Ommen stuurde daarop ds. C.G. de Moen (1811-1879) naar Enter om de vrede te herstellen, wat vermoedelijk succesvol was.
De Komst van de Eerste Eigen Predikant en Nieuwe Uitdagingen
In 1853 kreeg Enter haar eerste eigen predikant: de 27-jarige ds. W. Coelingh (1826-1895). Hij deed intrede op 20 maart 1853. Omdat de pastorie nog niet gereed was, moest hij in de kost. Ds. Coelingh bleek echter ook graag in andere gemeenten te preken, waardoor de gemeente van Enter soms moest terugvallen op "preeklezen" door een ouderling. De kerkenraad maakte hier in 1854 bezwaar tegen.
Daarnaast waren er klachten over het uiterlijk van de kerkzaal. Besloten werd de zaal te laten witten en de olieverlichting te verbeteren om roetvorming te verminderen. De financiële situatie was niet rooskleurig, wat het moeilijk maakte om het traktement van de predikant bijeen te krijgen. Dit speelde mogelijk een rol bij zijn verzoek om in het Friese Mildam te gaan preken.
In september 1855 ontstond een conflict rond vermeende verkoop van door gemeenteleden geschonken producten door ds. Coelingh. Dit geschil moest uiteindelijk aan kerkvisitatoren worden voorgelegd, wat de sfeer in de kerkenraad niet ten goede kwam. Op 29 september 1855 nam ds. Coelingh afscheid van de gemeente.
Ds. G. Brunemeijer en de Kerkelijke Ontwikkelingen
Na een vacature van acht maanden deed op 18 mei 1856 ds. G. Brunemeijer (1818-1912) uit Apeldoorn intrede in Enter. Al in 1854 had de kerkenraad een verzoek ingediend bij de regering om erkenning als Christelijke Afgescheidene Gemeente, maar het wachten duurde lang.

Ds. Brunemeijer was een eenvoudige man, geliefd in het dorp. Hij constateerde echter dat sommige jongeren zich "wereldgelijkvormig" gedroegen en waarschuwde vanaf de preekstoel tegen het bezoeken van "ijdelheidskermissen en dergelijke gezelschappen der goddelozen". De belangrijkste tuchtzaken in die periode betroffen kermisbezoek, dronkenschap en zondagse visserij. Ook waren er gevallen van niet-aangegeven slachtvee.
In 1857 werd een plan opgevat om voormalige "Kruisgezinden" (een afsplitsing van de Christelijke Afgescheidene Kerk in Rijssen) te benaderen voor aansluiting bij de gemeente van Enter. Dit bleek succesvol, mede dankzij de aanwezigheid van ds. Brunemeijer. Echter, een voormalige diaken uit de Kruisgemeente, die in 1842 geweigerd had op te stappen vanwege belastende gegevens over diaconale gelden, zorgde voor problemen. De kerkenraad eiste in 1858 dat hij schuld zou belijden.
De lange preken van ds. Brunemeijer, die hij vaak met stemverheffing uitsprak, leidden in 1858 tot een verzoek van de kerkenraad om zich op beide gebieden te matigen. In december 1860 kondigde ds. Brunemeijer zijn ontslag aan, met als redenen de grote afstand tussen kerk en pastorie, gezinsproblemen en de zwaarte van het gemeentewerk. De kerkenraad ging hier niet mee akkoord, maar moest zijn vertrek accepteren toen hij in februari 1861 het beroep van de kerk te Den Ham aannam en op 18 februari afscheid nam.
Ds. W.H. van den Bosch en de Verdere Organisatie
Op 7 juli 1861 deed ds. W.H. van den Bosch (1814-1881) uit Hasselt intrede in Enter, als opvolger van ds. Brunemeijer. Zijn intreetekst was Kolossenzen 4 vers 3a: "Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur des woords opene, om te spreken de verborgenheid van Christus".
De kerkenraad vond het niet langer nodig om een gemeentevergadering bijeen te roepen voor het intekenen op de wintervoorraad van de predikant, wat voorheen tot problemen had geleid. Ter informatie: op 7 november 1861 werd de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Almelo geïnstitueerd.
Ds. Van den Bosch hechtte veel waarde aan een geregeld huisbezoek en reorganiseerde dit pastorale werk. Telkens voorafgaande aan de avondmaalsviering bezocht hij de belijdende leden.