Geschiedenis van de Hervormde Gemeente Grootegast

De Hervormde Kerk van Grootegast: Architectuur en Vroege Geschiedenis

De hervormde kerk van Grootegast is een eenvoudige zaalkerk die in de zeventiende eeuw werd gebouwd. In 1829 onderging de kerk een volledige verbouwing, waarbij het huidige exterieur werd gerealiseerd. De zijmuren en achtermuur van de kerk zijn voorzien van grote rondboogvensters, terwijl de voorzijde wordt gekenmerkt door drie ronde vensters. Het geheel witgepleisterde gebouw heeft aan de voorzijde een dakruiter met een klok uit 1983.

De geschiedenis van dit 'Witte kerkje', gelegen aan de rand van Grootegast, begint rond de eeuwwisseling van de zestiende en zeventiende eeuw. Aanvankelijk werd het aanzien van deze eenvoudige zaalkerk voornamelijk bepaald door de noordgevel, de oudste gevel die is opgetrokken uit kloostermoppen. De volledige verbouwing in 1829 resulteerde in een nieuw exterieur. Tegen het einde van de negentiende eeuw werden de buitenmuren van de kerk volledig bepleisterd, vermoedelijk om de variëteit aan stenen uit verschillende periodes te verbergen en de kerk een uniformere uitstraling te geven. Deze methode van uitwendig pleisteren werd in het Marnegebied ook toegepast bij andere, grotendeels middeleeuwse kerken.

Architectonische details van de Hervormde Kerk van Grootegast, met nadruk op de rondboogvensters en de dakruiter.

Interieur en Kunstwerken

Boven de negentiende-eeuwse toegangsdeur sieren twee grote ronde vensters de voorgevel aan de westzijde, met daarboven een klein rond venster in de topgevel. De dakruiter is voorzien van een smeedijzeren zeventiende-eeuws torenuurwerk. Tot 1983 hing in de toren een luidklok uit 1611, gegoten door Gregorius Gregorii Hallensis, versierd met leeuwenkoppen die spiraalvormige bladtakken dragen. Deze klok scheurde echter en werd begin jaren tachtig, tegelijk met de restauratie van het uurwerk, vervangen door een nieuwe klok. Op de spits van de toren prijkt een windvaan met een gouden bol en een paard.

De kerk onderscheidt zich door de hoge rondboogvensters in de zijmuren en de achtermuur, waardoor het daglicht via in totaal tien vensters overvloedig de kerk binnenstroomt. Het lichte interieur werd in 2005 vrijwel geheel vernieuwd. Alleen het houten tongewelf en de onderliggende kroonlijst zijn nog origineel. De preekstoel uit 1706 is afkomstig uit een afgebroken kerk in Appelscha. Sinds 1988 bevindt zich in de kerk een pijporgel, vervaardigd in 1976 door fa. Flentrop.

Het Witte kerkje, een rijksmonument, wordt door de Protestantse gemeente Grootegast-Sebaldeburen gebruikt voor bijzondere diensten, waaronder rouw- en trouwdiensten.

Grootegast als Bolwerk van de Afscheiding

Grootegast was reeds vroeg een bolwerk van de Afgescheidenen. Het Westerkwartier, waartoe Grootegast behoort, was altijd een 'eldorado' voor oefenaars, die er een gretig gehoor vonden. In 1822 dook de bekende oefenaar Johan Willem Vijgeboom (1773-1845) op in Grootegast. Onder zijn leiding had in juli van dat jaar, aan de andere kant van het land, in Axel, een afscheiding van de hervormde kerk plaatsgevonden.

Vijgeboom reisde in de herfst van hetzelfde jaar naar het noorden van het land en oefende onder andere in Leeuwarden, Makkum, Groningen, Drogeham, Franeker en Harlingen. Ook op 'het Dorp', een buurtschap kerkelijk behorend tot Doezum en dichtbij Grootegast gelegen, vond hij gehoor. De predikant van Grootegast en Doezum, ds. Johannes Smook, uitte in 1822 zijn verontwaardiging over Vijgeboom, die hij bestempelde als een 'geestelijk oproermaker'.

De zaak-de Cock tien jaar later hield de gemoederen in Grootegast intens bezig. Uit een rekest van F.E. van Bolhuis c.s. blijkt dat de ondertekenaars vroegen om ongehinderd in eigen oefeningen bijeen te mogen komen. Zij stelden dat veel hedendaagse predikanten vervreemd waren van de 'zuivere gereformeerde leer'. Als protest tegen de prediking bezochten steeds minder mensen de officiële kerkdienst. Men organiseerde zich in oefengezelschappen.

Verschillende personen speelden een rol in deze beweging, waaronder Menne Takes Hoekstra, Sake Alles de Vries, Luitsen Jochems Dijkstra en Jan Husman, die hun huizen beschikbaar stelden voor godsdienstoefeningen. De burgemeester Jacob Havinga meldde dat er bij een oefening op 31 augustus 1834 wel 700 mensen aanwezig waren. De tijd was rijp voor afscheiding.

Een historische kaart van het Westerkwartier met de ligging van Grootegast en omliggende dorpen.

Ongeregeldheden en de Stichting van de Afgescheiden Gemeente

Op 13 oktober 1834, een dag voor de officiële afscheiding in Ulrum, bevond zich ook Klaas de Wit uit Grootegast in Ulrum. De Afgescheidenen in Oldekerk en Niekerk werden destijds kerkelijk bij de gemeente van Grootegast gerekend. Hierdoor is het relevant om melding te maken van de ongeregeldheden die zich in 1836 in Niekerk voordeden bij de keuze van een nieuwe predikant.

In de hervormde kerk van Niekerk deed Thomas Eduard Heinecken, een 29-jarige kandidaat in de theologie, dienst als hulpprediker. Het collatierecht maakte echter benoeming van een 'vrijzinnige' dominee mogelijk, tegen de wil van een groot deel van de gemeente. Burgemeester F.H. van Haersma de With rapporteerde over de spanningen die hieruit voortvloeiden, inclusief pogingen van de menigte om de gemeentekamer binnen te dringen en bedreigingen aan zijn adres.

Op 7 augustus 1836, de dag van de bevestiging van de nieuwe, ongewenste ds. P. Wieringa, brandde in de nacht een watermolen toebehorende aan Mevrouw douairière baronesse d'Aulnis de Bourouill van Byma af. De burgemeester zag hierin opzettelijke brandstichting en een verband met de eerdere bedreigingen.

De 'Cronijk of het Verhandelingsboek van de Wedergekeerde Gereformeerden', aanvangende op 20 juni 1835, vermeldt de stichting van de gemeente van Grootegast door ds. de Cock. Op deze dag werden ook 2 ouderlingen en 2 diakenen gekozen en bevestigd: Derk Derks Drukker en Fokke Everts van Bolhuis. Beiden waren befaamde oefenaars en pioniers van de gemeente.

F.E. van Bolhuis was bijna 21 jaar scriba (1835-1856). Andere scriba's in de negentiende eeuw waren A. Boetje, G.P. Oosterhof, P. Kramer en F. Luinstra. Derk Derks Drukker (1785-1852) was afkomstig uit Veendam en vestigde zich in 1822 in Stroobos als 'boekweitmeelker'. Hij maakte de Afscheiding mee en werd er het middelpunt van. Na 1840 verhuisde hij naar Ulrum, waar hij ouderling werd en voorging in kerkdiensten. Hij probeerde predikant te worden, maar werd niet toegelaten tot het predikambt. Uiteindelijk werd hij in 1844 bevestigd als predikant in Dokkum, en later vertrok hij naar Koudum-Hindelopen, waar hij in 1852 overleed.

Fokke Everts van Bolhuis (1814-1844) was getrouwd met Antje Jacobs. Ook hij probeerde theologische opleiding te volgen, maar werd nooit predikant. Lammert Alberda de Wit, geboren in 1803, was wever en zijn vader Klaas de Wit was blauwverwer in Grootegast. Luitjen Lubbes Hoeksema (1796-1869) was landbouwer te Lutjegast.

Op de dag van de instituering, 20 juni 1835, traden 19 echtparen en 17 anderen toe tot de gemeente. De eerste kerkeraadsvergadering werd gehouden op 25 juni 1835 bij F.E. van Bolhuis, met D.D. Drukker als praeses en F.E. van Bolhuis als scriba. Beiden beschikten over organisatietalent, wat ook bleek uit hun bijdrage aan de kerk van Ulrum.

Uitdagingen en Tegenstand

Het kerkelijk leven van de Afgescheiden gemeente van Grootegast, gesticht in juni 1835, kende al snel moeilijkheden. In december 1835 werd een aanklacht ingediend tegen een diaken wegens overspel. De kerkeraad adviseerde ds. de Cock, die censuur en de keuze van een nieuwe diaken voorstelde. Enkele leden kozen de partij van de afgezette diaken en voerden jarenlang oppositie.

In 1836 ontstonden er moeilijkheden met leden in Nuis, waar op eigen houtje een nieuwe gemeente was gesticht. De kerkeraad vergaderde om beurten in Grootegast en Stroobos. De beide oefengezelschappen kwamen elke zondag samen in een vast huis. Het oefenen kon riskant zijn, zoals F.E. van Bolhuis en Albert Gerrits Broekema ondervonden, die op 9 maart 1837 een boete kregen van ƒ10.

Het classikaal bestuur van Groningen achtte optreden tegen oefenaars wenselijk. De 'geestdrijverij' kreeg een dreigend aanzien. De notulen vermelden bezoeken van ds. H. de Cock, die op 20 april 1837 het Avondmaal bediende en 19 kinderen doopte, een gevolg van de schaarste aan Afgescheiden predikanten.

Het jaar 1839 bracht meer bijzonderheden, waaronder grote tweedracht in de gemeente. Ds. de Cock werd opnieuw ingeschakeld. Op eerste Paasdag 31 maart 1839 preekte hij in Doezum voor meer dan 100 personen, doopte en bediende het Avondmaal. Op 1 mei 1839 werd in de schuur van Former Alberts Douma te Lutjegast geoefend voor meer dan 60 personen, wat resulteerde in een boete van ƒ25.

Op 17 april 1839 besloot de kerkeraad erkenning bij de regering aan te vragen. Een lid bood aan zijn huis met landerijen te verkopen voor de bouw van een kerk en pastorie, wat werd aanvaard. Nog steeds ontbrak een eigen dominee.

Eind april/begin mei 1839 vond een buitengewone kerkeraadsvergadering plaats omdat ds. Budding in Grootegast had gepreekt en velen hem wilden beroepen. De kerkeraad was terughoudend, maar een belangrijk deel van de gemeente drong aan. Op 9 mei 1839 werd ds. H.J. Budding te Middelburg beroepen. Ds. T.F. Burum probeerde te combineren met Grootegast, maar ds. Budding liet niets van zich horen en bedankte pas 2,5 jaar later, op 15 november 1841.

De onvrede in de gemeente was groot. De manier waarop Van Bolhuis oefende, leidde tot ontevredenheid bij gemeenteleden en een diaken. Lammert de Wit weigerde nog te collecteren in de dienst waarin ouderling F.E. van Bolhuis oefende. Van Bolhuis hield ermee op. Op 23 mei 1839 verschenen vier gemeenteleden op de kerkeraad met vragen over de rol van ouderling F.E. van Bolhuis. Zij stelden dat de gemeente meer gebouwd werd door 'het openlijk spreken', het oefenen, dan door het lezen van oude schrijvers.

Het Westerkwartier: Een Rijke Geloofstraditie

Het Westerkwartier kent een lange geloofsgeschiedenis en een rijk religieus erfgoed. Dit gebied, een van de drie ommelanden rondom Groningen, werd al vanaf de prehistorie bewoond. De inwoners kwamen via het Romeinse en Frankische Rijk in aanraking met het Christendom, maar dit geloof kreeg later invloed in het noorden van Nederland.

Missionarissen zoals Liudger speelden een grote rol in de verspreiding van het Christendom. Tegenwoordig zijn er nog Middeleeuwse kerken in het gebied die naar Liudger vernoemd zijn, zoals in Oldehove en Niekerk.

Rond de tiende eeuw werden de eerste stenen kerken gebouwd, wat de Katholieke kerk zichtbaarder maakte. Door gebrek aan kerkelijk toezicht konden welgestelde personen zelf kerken laten bouwen. Veel kerken werden in de Middeleeuwen gebouwd op wierden, om ze te beschermen tegen hoogwater.

De vroegste stenen kerken in het Westerkwartier waren in Romaanse stijl (ronde vensters). Latere kerken combineerden Romaanse en Gotische elementen (spitsvormige vensters), een stijl die zelden elders voorkomt. De dichtheid aan Middeleeuwse kerken in dit gebied is uitzonderlijk hoog, zelfs hoger dan in Toscane.

Een overzichtskaart van de dichtheid van Middeleeuwse kerken in het Westerkwartier.

Kloosters, Reformatie en de Reductie

Naast parochiekerken werden er ook kloosters gebouwd, waaronder het bekende St. Bernardusklooster in Aduard. Dit Cisterciënzerklooster was een centrum van religie, onderwijs en kennis. Hier vormde zich de 'Kring van Aduard', een groep vroeg-humanistische denkers. Het klooster speelde ook een rol in handel en waterhuishouding.

De Reformatie aan het einde van de 16e eeuw bracht verandering. De beeldenstorm verliep relatief rustig, maar de Reductie van Groningen in 1594, waarbij de stad en ommelanden protestants werden, leidde tot aanzienlijke schade aan het katholieke erfgoed. Parochiekerken kwamen in protestantse handen, katholieke objecten werden verwijderd en muurschilderingen witgekalkt. Kloosters, zoals dat in Aduard, werden afgebroken.

Andere religieuze stromingen, zoals de Lutherse kerk en de Doopsgezinden, moesten hun geloof privé belijden. Alleen gereformeerden konden bestuurlijke posities bekleden. Schuilkerken werden gedoogd, zoals een katholieke schuilkerk in Aduard en bijeenkomsten van Doopsgezinden in boerderijen.

19e Eeuw: Vrijheid van Godsdienst en Afscheidingen

Met het begin van de 19e eeuw begon een nieuw tijdperk voor het religieuze leven. De Nederlands Hervormde Kerk voerde de vrijheid van godsdienst officieel door, hoewel toestemming voor het bouwen van kerken niet altijd gemakkelijk was.

De 19e eeuw werd ook gekenmerkt door verschillende afscheidingen binnen de Nederlands Hervormde Kerk. In 1834 scheidde een groep zich af onder leiding van Hendrik de Cock, die de leer van de kerk te vrijzinnig vond. In de jaren '80 van dezelfde eeuw vond de grotere Doleantie plaats. Veel afgescheiden gemeenten uit de jaren '30 fuseerden, wat uiteindelijk leidde tot de oprichting van de Gereformeerde Kerk. Een kleiner deel bleef de Christelijk Gereformeerde Kerk.

In het Westerkwartier is dit terug te zien vanaf ongeveer 1850 in de kerkbouw. De Gereformeerde Kerk bouwde vele nieuwe kerken, waardoor veel dorpen naast het bestaande hervormde kerkgebouw een tweede kerk kregen. De Rationalistische bouwstijl is kenmerkend voor deze periode.

George Harinck over de kerken in de negentiende eeuw

Na de Tweede Wereldoorlog en Ontkerkelijking

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er weinig bouwactiviteit, ook voor kerkgebouwen. Na de oorlog begon de wederopbouw, waarbij veel wederopbouwkerken werden gebouwd.

Een belangrijke gebeurtenis na de oorlog was de afscheiding binnen de Gereformeerde Kerk, waaruit de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt ontstond. Vanaf de jaren '50 werden in het Westerkwartier meerdere van deze kerken gebouwd.

De kerkgeschiedenis en de verschillende afscheidingen verklaren waarom veel dorpen in het Westerkwartier, ondanks hun grootte, meerdere kerkgebouwen tellen.

Na de wederopbouwperiode werd de ontkerkelijking zichtbaarder, wat leidde tot een afname van het aantal kerkgebouwen dat werd gebouwd. In het Westerkwartier werd na 1967 pas weer een kerk gebouwd in 1984 (De Rank in Zuidhorn). Kerken uit de jaren '70 en '80 hadden vaak een andere, minder monumentale uitstraling, bedoeld als een 'woonkamer'. Molukse kerken uit de jaren '80 waren vaak een uitzondering met hun opvallende architectuur.

In de jaren '90 werden weer kerkgebouwen gebouwd die meer opvielen, met een moderne stijl. Hoewel soms niet direct herkenbaar als kerk, maken de locatie en context duidelijk dat het om een kerkgebouw gaat, zoals De Zaaier in Oldehove.

Voorbeelden van verschillende kerkbouwstijlen in het Westerkwartier door de eeuwen heen.

tags: #hervormde #gemeente #grootegast