Leerdam, een vestingstadje gelegen aan de noordoever van de Linge, op de grens van Zuid-Holland en Gelderland, heeft een rijke historie die teruggaat tot de middeleeuwen. De stad werd gesticht door de heren van Arkel bij een dam in het veenriviertje de Leede, die het afwaterde in de Linge. De naam Leerdam is dan ook afgeleid van deze 'Leeder-dam'. Hoewel de stichting soms wordt toegeschreven aan heer Fop van Arkel rond het jaar 1000, vinden we de eerste vermelding van Ter Leede in 1143. De vroege inwoners hielden zich waarschijnlijk bezig met de ontginning van het moerassige land. De eerste officiële vermelding van Leerdam dateert echter uit 1284. De stad was oorspronkelijk omgracht, ommuurd en omwald, maar veel van deze verdedigingswerken werden tussen 1822 en 1870 gesloopt.
De heerlijkheid Leerdam kende verschillende bezitters, waaronder de geslachten Van der Leede en Van Arkel. In 1498 werd de heerlijkheid verheven tot een graafschap en kwam via de geslachten Van Egmond en Van Buren in 1558 in eigendom van Willem I, Prins van Oranje. Het kasteel van Leerdam, gebouwd rond 1270 ter vervanging van het oude kasteel Ter Leede, werd in 1574 door de Spanjaarden verwoest. Op de plek van de ruïne richtte weduwe van Aerden in 1770 het 'Hofje van mevrouw van Aerden' op, dat tegenwoordig onder andere een museum met een 17e-eeuwse schilderijencollectie herbergt.

Ontstaan van kerkelijk leven in Leerdam (1000-1300)
Het kerkelijk leven in Leerdam begon waarschijnlijk rond het jaar 1000, gelijktijdig met de stichting van het stadje. Het is aannemelijk dat de bouw van het eerste kerkgebouw te danken is aan de heer van Arkel, aangezien het gebruikelijk was om bij een slot een kapel te bouwen voor de bewoners en omwonenden. Hoewel de exacte stichtingsdatum van de parochie onbekend is, wordt deze in 1345 voor het eerst vermeld als een zelfstandige parochie.
De bouw van de Grote Kerk (1250-1550)
Over de vroegste kapel of kerk van Leerdam is weinig bekend. Het betrof waarschijnlijk een klein, eenvoudig kerkje, geen 'grote kerk'.
Kerkelijk leven vóór de Reformatie (1345-1573)
De Grote Kerk, met haar koor, transepten en zijbeuken, bood ruimte aan de Rooms-Katholieke eredienst. In tegenstelling tot de latere protestantse eredienst, die zich concentreerde rond de kansel in het schip, speelde de katholieke liturgie zich af bij de religieuze objecten langs de muren, waar dagelijks of wekelijks de mis werd opgedragen. In de zijbeuken konden gelovigen langs de kruiswegstaties lopen en de biechtruimte vinden. Over het specifieke kerkelijk leven in Leerdam vóór de Reformatie is weinig gedocumenteerd.
Jan V van Arkel begraven in de Grote Kerk (1428)
In 1428 werd Jan V van Arkel, de laatste heer van Leerdam uit het geslacht Van Arkel, begraven in het koor van de Grote Kerk. Met zijn overlijden kwam een einde aan dit geslacht, dat voortkwam uit de 'Heeren van der Leede'. Na de restauratie van 1960 ligt zijn grafzerk, die in de Franse tijd zwaar beschadigd raakte, in het zuidtransept van de kerk. Het Latijnse opschrift is niet meer leesbaar, maar het wapenschild met gekanteelde dwarsbalken is nog zichtbaar.
De Reformatie in Leerdam en de marteldood van ds. Joost de Jonge (1573)
De precieze gang van zaken rond de Reformatie in Leerdam is onbekend; er is geen informatie over een mogelijke Beeldenstorm of het moment waarop de Grote Kerk protestants werd. De keuze voor de Reformatie had echter grote gevolgen voor de stad. In 1574 werd Leerdam belegerd door de Spanjaarden, waarbij het kasteel grotendeels werd verwoest. Na de overgave van de stad eiste de Spaanse krijgsoverste, markies Chiapin Vitelli, de uitlevering van drie mannen: ds. Joost de Jonge uit Leerdam, schoolmeester Rogier Joosz uit Leerdam en ds. Quirinus de Palme uit Asperen. Ds. de Jonge werd verraden en zonder proces opgehangen op het galgenveld langs de Linge, waarmee hij stierf als martelaar voor het Evangelie. Zijn vrouw en kinderen probeerden tevergeefs zijn leven te redden.

Pas rond 1586 kwam de stad weer in handen van de Staten en kreeg Leerdam een nieuwe predikant.
Een tweede predikantsplaats in 1648
Gedurende de ambtsperiode van ds. Paulus Colonius (1620-1653) werd duidelijk dat de groeiende stad Leerdam te groot werd voor één predikant. In 1648 werd daarom een tweede predikant aangesteld: de zoon van ds. Paulus Colonius, eveneens genaamd Paulus Colonius. Vader en zoon werkten enige jaren samen, waarbij de senior-predikant ƒ 700,- per jaar verdiende en de assistent-predikant ƒ 350,-. Na het overlijden van zijn vader in 1653 werd ds. Paulus Colonius jr. de enige predikant en nam hij in 1656 afscheid van Leerdam. Sindsdien zou Leerdam altijd twee predikanten hebben, met een gelijk salaris.
Een vorstelijk cadeau in 1698
De benoeming van predikanten was in die eeuwen vaak voorbehouden aan de heer van de stad of het dorp, het zogenaamde patronaats- of collatierecht. In Leerdam lag dit recht bij de Prins van Oranje. In 1698 schonk Prins Willem III, die toen niet alleen stadhouder van de Nederlanden was, maar ook koning van Groot-Brittannië, een groot bord aan de kerk. Dit bord, met daarop zijn persoonlijke wapen, werd tegen de toren geplaatst. Het wapen, met de leeuw (symbool van Nassau en Engeland) en de eenhoorn (symbool van Schotland), weerspiegelde zijn vorstelijke aanspraken. In 1760 werd het bord verplaatst naar de oostzijde van de kerk.
Herderloos in 1718
Het jaar 1718 was een ingrijpend jaar voor de hervormde gemeente van Leerdam, aangezien beide predikanten binnen twee weken tijd overleden: ds. Johannes Bachiene op 27 september 1718 en ds.
Een Kozak op de kerktoren in 1814
Tijdens de Franse tijd (1795-1813) was Nederland een vazalstaat en later onderdeel van het Franse Rijk. Hoewel de Franse tijd officieel eindigde in 1813, duurde het nog enige tijd voordat alle Franse legers uit Nederland verdreven waren. In januari 1814 werd Leerdam, na hevige gevechten, bevrijd door Russische en Pruisische troepen. Deze bevrijding is in het nationale geheugen grotendeels vergeten, maar in Leerdam herinnert nog iets aan deze 'Kozakken'.
Kerkelijke scheuringen in 1834 en 1886
De 19e-eeuwse kerkelijke scheuringen lieten ook de gemeente van Leerdam niet onberoerd. Bij de Afscheiding van 1834 verlieten meerdere gemeenteleden de Nederlandse Hervormde Kerk. In juli 1835 werden enkelen van hen door de bekende ds. H.P. Scholte tot ambtsdragers bevestigd, waarmee een zelfstandig gemeenteleven begon. In mei 1840 ontving de 'Christelijke Afgescheiden Gemeente' haar eerste predikant, ds. G. In 1889 trad door de Doleantie opnieuw een groot aantal gemeenteleden uit de Nederlandse Hervormde Kerk. In 1901 verenigden de beide afgescheiden gemeenten zich tot de Gereformeerde Kerk.
De bouw van een nieuw orgel (1852-1854)
Leerdam beschikte al sinds de 16e eeuw over een orgel in het zuidtransept, geschonken door de toenmalige heer van Leerdam. In 1850 besloot men echter tot de bouw van een nieuw en groter orgel. Dit orgel werd tussen 1852 en 1854 gebouwd door orgelbouwer C.G.F. Witte uit Utrecht.
De eerste grote restauratie: naar een neogotische Grote Kerk (1862-1863)
Tussen 1862 en 1863 onderging de Grote Kerk een ingrijpende restauratie, uitgevoerd in de toenmalige neogotische stijl.

Twee prominente predikanten (1912-1921)
Gedurende deze periode werd Hervormd Leerdam gediend door twee predikanten. Ds. F. Kijftenbelt (1876-?) was predikant te Leerdam van 1912 tot 1918 en stond bekend om het afsluiten van zijn preken met zelfgemaakte gedichten. Ds. J. van der Zee (1885-?) was van 1929 tot 1931 lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de ARP en werd later hoogleraar wijsgerige ethiek en godsdienstwetenschap aan de Rijksuniversiteit Utrecht.
Een tweede restauratie: herstel van het authentieke karakter (1957-1960)
In de periode 1957-1960 werd de Grote Kerk opnieuw gerestaureerd, waarbij de ingrepen van de vorige restauratie grotendeels ongedaan werden gemaakt. De focus lag op het herstellen van het authentieke karakter van dit middeleeuwse Godshuis. Deze restauratie stond onder leiding van T. van Hoogevest.
De bouw van de Pauluskerk (1960)
In de naoorlogse periode breidde Leerdam sterk uit in de wijk Leerdam-West. Kerkgemeente Rehoboth aan de Tiendweg werd te klein, waarop bouwplannen voor een nieuwe kerk in West werden gemaakt. De officiële opening van de Pauluskerk vond plaats op 26 januari 1961, met ds. K. van der Velde als voorganger.
Een derde predikantsplaats in 1973
Vanwege de vraag naar een predikant met confessionele signatuur, naast de twee predikanten die zich rekenden tot de Gereformeerde Bond, werd in 1973 een derde predikantsplaats ingesteld. Deze predikant kreeg de wijk Leerdam-Noord. De eerste confessionele predikant die hier werd bevestigd, was ds. Chr. S. van Dijk.
Naar meer kerkelijke eenheid (2004-heden)
Aan het einde van de 20e eeuw ontstond er een samenwerkingsverband tussen wijkgemeente Noord, de Gereformeerde Kerk en de Evangelisch-Lutherse Gemeente, gericht op gezamenlijke vorming en toerusting. In het eerste decennium van de 21e eeuw groeide de behoefte aan verdere samenwerking tussen wijkgemeente Noord en de Gereformeerde Kerk, wat leidde tot een federatie. De samenwerking met de Evangelisch Lutherse Gemeente bleef bestaan, zij het niet in federatieve vorm. Wijkgemeenten Centrum-Oost en West participeren niet in deze federatie, maar werken onderling veel samen. Dit fusieproces raakt alle hervormde wijkgemeenten en vereist medewerking van alle gemeenteleden en predikanten.