De geschiedenis van de Hervormde Kerk in 's-Gravenmoer is nauw verweven met de ontwikkeling van het dorp zelf, dat in 1293 ontstond toen Floris V van Holland land in leen gaf voor de ontginning van het moerasgebied. Al in 1365 had het gehucht een kapelaan, die beschikte over een kapel die tussen 1400 en 1500 uitgroeide tot een parochiekerk.
De Reformatie en de vroege jaren
In 1578 werden plannen gemaakt om de Hollandse dorpen langs de grens met Brabant te voorzien van predikanten. Midden in de Tachtigjarige Oorlog, aan het begin van het Twaalfjarig Bestand in 1610, werd de eerste predikant in 's-Gravenmoer bevestigd: Gosuinus Buijtendijck. Hij koos zijn intredeprediking uit Markus 1:14-15. Het dorp telde toen ongeveer 720 inwoners, die vrijwel allemaal overgingen tot de Reformatie (Calvinisme). De pastoor werd verdreven en de kerk kwam in handen van de hervormden. De uitbouw van de Reformatie verliep niet zonder slag of stoot, met voortdurende conflicten tussen het dorpsbestuur en de kerkelijke gemeente over zaken als een predikantswoning, een bekwaam schoolmeester, de vergoeding van kosten en de goedkeuring van het dorpsbestuur bij de beroeping van een predikant. Een verklaring hiervoor is dat het dorp nog lang werd geregeerd door een rooms-katholieke schout.
Het Rampjaar 1672 en het herstel
Het rampjaar 1672 betekende een grote klap voor de hervormde kerk. Op 20 juli trokken Franse soldaten door het dorp, plunderden en stichtten brand. De bevolking, die zich met hun bezittingen in de kerk had gevlucht, werd niet gespaard. De ruiters plunderden de kerk en staken deze vervolgens in brand. Na hun vertrek lag een groot deel van het dorp in puin, met zo'n 57 huizen en de kerk in vlammen. De gevolgen hiervan waren ingrijpend, aangezien de archieven van zowel het dorp als de kerk verloren gingen in de brand, waardoor veel vragen over de periode vóór 1672 onbeantwoord blijven.

Na de brand stelde Dhr. D.A. Quirijns tijdelijk een woning ter beschikking voor de zondagse erediensten. Deze woning, die in 1854 werd afgebroken, stond tussen de huidige woningen aan de Hoofdstraat 77 en 79.
Dankzij veel inspanningen en financiële offers kon een deel van de kerk in 1680 weer in gebruik worden genomen. De volledige herstelwerkzaamheden aan de kerk, inclusief de toren, werden in 1697 voltooid. In deze periode ontstond een goede samenwerking tussen het dorps- en kerkbestuur, wat ook de herbouw van de pastorie ten goede kwam.
Vroege 18e eeuw en bijzondere bezittingen
Vermeldenswaard is de aankoop van een nieuwe klok in 1683 door Dhr. A. van Eersel, die hiervoor naar Rotterdam reisde. De geschiedenis van het torenuurwerk is eveneens interessant en wordt nader belicht in het boekje 'Het torenuurwerk, een bijna vergeten monument' uit 1989.
De periode 1700-1795 verliep rustig, gekenmerkt door een gestage groei van de bezittingen van de diakonie. De omwentelingen tijdens de Bataafse en Franse tijd brachten weinig problemen met zich mee, aangezien nagenoeg de gehele bevolking tot de hervormde kerk behoorde. Een poging om de hervormde gemeenten van Dongen en 's-Gravenmoer te combineren in 1809, ingevolge een koninklijk besluit, stuitte op hevig verzet van beide predikanten en ging niet door.
Het unieke kerkorgel en kerkelijke organisatie
Uniek in zijn soort is het kerkorgel met zijn nachtegaalregister, gebouwd door orgelbouwer P. Verbeke te 's-Hertogenbosch en geplaatst tussen 1819 en 1821. In 1820 werd het reglement op de administratie van de kerkelijke fondsen en kosten van de erediensten van kracht, wat leidde tot de verplichting voor de hervormde kerk om een kerkvoogdij in te stellen, ter vervanging van de vroegere kerkmeesters. Pas in 1863 werden de eerste kerkvoogden gekozen, na de eerdere keuze van een college van notabelen in 1821 naast de kerkelijke commissie.

Afscheidingen en restauraties
Het leven in 's-Gravenmoer leek aanvankelijk rustig te verlopen, maar binnen de kerk ontstond onrust door ontevredenheid over de zuiverheid van de leer en het veronachtzamen van de zondagsplicht. De predikant zegde diverse godsdienstoefeningen af vanwege de voorkeur voor ijsvermaak, en de verplichting om een bepaald gezang te zingen, voortkomend uit een koninklijk besluit, droegen bij aan de spanningen. Op 6 januari 1850 scheidde een deel van de gemeenteleden zich af en vormde de Gereformeerde Kerk, die later bekend zou worden als de Gereformeerde Kerk en waaruit in 1898 de plaatselijke Christelijk Gereformeerde Kerk ontstond.
De hervormde kerk onderging restauraties van 1867-1870 en van 1958-1963. De pastorie werd tussen 1920 en 1922 'verbouwd' en later nog tweemaal gerestaureerd, in de jaren vijftig en in 1990.
Reflectie op de geschiedenis
Al met al is de geschiedenis van de kerk zeer boeiend, met zowel hoogte- als dieptepunten. De auteur uit de overtuiging dat het een wonder van God is dat de kerk (de gemeente) nog steeds bestaat, en eindigt met een citaat uit Psalm 47, verwijzend naar Gods heerschappij.