Daniel van Hengel, geboren in Amsterdam op 26 oktober 1618, studeerde te Utrecht. Na zijn proponentstelling werd hij op 3 april 1642 beroepen en bevestigd in Amerongen. Van daaruit vertrok hij naar Utrecht, waar hij, mede op aandringen van Voetius, een beroep aannam. Zijn bevestiging te Utrecht vond plaats door zijn leermeester Voetius op 10 september 1648. Hij diende de gemeente aldaar tot zijn overlijden op 22 augustus.

Theologische en Publieke Strijd
Met zijn productieve pen leverde Van Hengel diverse traktaten over de kwestie van kerkelijke goederen, een onderwerp dat in die dagen tot hevige discussies leidde, waaraan ook Voetius deelnam. In 1659 wendde de regering van Utrecht zich tot de kerkeraad met een verzoek om hun gevoelen te vernemen over de 'Canonisyen en Vicareyen' in de stad. De kernvraag was of deze goederen door gereformeerde christenen zonder gewetensbezwaar bezeten en genoten konden worden op de toenmalige wijze. De meerderheid van de kerkeraad, waaronder J. van Lodenstein, antwoordde ontkennend. Echter, een minderheid van vier predikanten, waaronder Van Hengel, sprak zich in een Advies of Bericht (februari 1660) in tegenovergestelde zin uit.
De vier predikanten hadden gewenst dat men de uitspraak van de Synodus Nationaal van Middelburg (1581) en de daaropvolgende praktijk van de kerk had gevolgd, zonder verdere discussie. Op 30 januari 1660 presenteerden zij een 'kort begrip van het advijs' aan het consistorie. Van Hengel trad binnen deze groep het meest op de voorgrond en publiceerde, zowel onder eigen naam als onder pseudoniemen, diverse geschriften over de aanhangige kwestie. In februari 1662 hield hij naar aanleiding hiervan een preek over de zonde van Achan (Jozua 7).
Als scriba van het Utrechts consistorie maakte Van Hengel deel uit van de commissie die belast was met het onderzoek naar het controversiële en 'sterk verkochte' Tractaat van de Afgoderye en Superstitie van de Cartesianist Lamb. van Velthuysen. Toen Van Velthuysen in 1669 een Derde Apologie publiceerde, reageerde Van Hengel hierop.

Gijzelaar in Utrecht
Begin november 1673 behoorde Van Hengel tot de veertien rijkste en voornaamste ingezetenen van Utrecht die door de Franse gouverneur van Utrecht, Stoupa, werden geëist als gijzelaars. Dit gebeurde onder belofte dat de uitvoering van het bevel van de Franse koning om de stad bij verlating te plunderen, ruïneren en in brand te steken, zou worden verzacht. Op 6 november 1673 werden Van Hengel en dertien andere vooraanstaande inwoners, waaronder twee burgemeesters en professor De Roy, ontboden bij de gouverneur. Vervolgens werden zij opgesloten in een kamer, met de mededeling dat zij als onderpand moesten dienen voor de betaling van een gevorderd bedrag.
De nacht brachten de gijzelaars door onder strenge bewaking. Rond zes uur in de ochtend werden zij opgeroepen zich reisvaardig te maken. Twee uur later reden zij, ingedeeld op vier wagens en onder escorte van veertig ruiters, de stadspoort uit. Van Hengel zat op de vierde wagen naast zijn ambtgenoot Jod. v. Lodenstein. De tocht ging via Rhenen naar Arnhem, waar zij niet werden toegelaten en genoodzaakt waren te overnachten in een armoedige hut zonder vensters en meubilair. Na een ontbijt van droog brood werd de reis voortgezet naar Doetinchem, waar de volgende nacht werd doorgebracht.
Op zondagochtend 9 november werd de reis hervat, ondanks gevaar voor valpartijen door de met sneeuw bedekte wegen. Na vele omwegen bereikten zij 's avonds zes uur Rees (in het land van Kleef), waar de gijzelaars goed werden behandeld door de magistraat. Echter, op 14 november werden zij op last van Robert, de intendant van Lodewijk XIV, overgebracht naar de vesting. De bevelhebber van het fort Nieuw Rees kreeg het bevel om Van Hengel en een andere gijzelaar onmiddellijk vrij te laten, terwijl anderen in hun plaats verschenen, aangevuld met zes nieuwe gijzelaars. De reden voor deze wisseling werd niet opgegeven, maar het is waarschijnlijk dat dit gebeurde op verzoek van de Utrechtse magistraat, die in deze onrustige tijden graag afkwam van de predikanten die niet op hun hand waren.

Literaire Activiteiten en Reputatie
Op zondag 16 november, de dag voor zijn afreis, hield Van Hengel voor zijn medegijzelaars een 'kleine vermaning' uit Genesis 37. Na zijn terugkeer op 22 november deed hij verslag van de gebeurtenissen. De bekende Pater Cornelius Hazart, doorgaans de 'Jezuiet van Antwerpen' genoemd, reageerde op Van Hengel en bestempelde hem als de 'advokaet van quaede saeken'. Later publiceerde Van Hengel zijn 'Beknopte Weegschaal', waarop Hazart hem opnieuw en herhaaldelijk van antwoord diende.
Als correspondent woonde Van Hengel de Particuliere Synode van Zuid-Holland bij. Hij werd geroemd als 'een van de verstandigste, godzaligste ende bescheidenste' predikanten van Utrecht. Voetius droeg hem het vijfde deel van zijn 'Disputationes selectae' op. Van Hengel sympathiseerde met de Remonstranten.
Hij was gehuwd met Elisabeth de Witte, afkomstig uit een aanzienlijk geslacht uit Zeeland. Uit dit huwelijk overleefden tien kinderen hun ouders. Hun derde zoon, David van Henghel, werd eveneens predikant.
Publicaties van Daniel van Hengel
- Siloloquium ofte eenspraecke en heylighe bedenckingh van een gelovige ziele over den inhoud en practyke des Heyl. Doops. (1657)
- Advys ofte Bericht, ten versoecke v.d. Heeren Burgemeesteren, en Vroedschap der stadt Utrecht .... over het gebruyck v. goederen, die men geestelijck noemt. (met D. Arn. Teekmannus, D. Joh. Flaman en D. Joannes Heymenbergh, 1660)
- Zedigh, en Grondigh Bericht over het gebruyck der Genaemde Geestelijcke Goederen, soo in 't gemeen, als bysonderlijck in den Gestichte v. Utrecht. (onder pseudoniem Christianus Philadelphus Batavus, 1661)
- Vredes-drangh, Ofte Accuraet ende leersaem Discours aengaende de dispuyten ende onlusten in de Kercke tot Utrecht: Waer in de rechte oorsaecken ende remedien der selve worden aengewesen: Voor-gestelt by forme v. T'samenspraecke tusschen Prudentius ende Zelotes. (onder pseudoniem Salomon van Amstel, 1662)
- Klaer en grondigh nader-onderrigt over de waerschouwinge v. Timotheus Philalethius en het beter onderricht .... die gegeven zijn tegen Vredes-drangh. (1663)
- Sabbaths-onrust verandert in Sabbaths-rust, d.i. de disputen en twisten over den Sabbath beslist ende neder-geleyt. (Anoniem, 1664)
- Staet des geschils over 't stuck van de bancken v. Leeninge, sommierlick geopent. Joann. 7:24. (onder pseudoniem Christianus Philalethes, 1665)
- Onpartydigh Receul (sic) ofte versamelinge v.d. wederzijts Argumenten, Redenen en Replicen Die van de strydende Partyen worden by-gebracht, Over de materie ofte questie van den Sabbath. Met het oordeel des Autheurs in desen. (1668)
- Het Afkeer ende de Bitterheyt over 't Verschil der Religie Gematicht ende recht bestiert, Mitsgaders Medelijden met de dwalende ende sachtmoedige onderwysinge der selve. (1673)
- Nehemia, ofte Voorbeelt van een Godvrugtig Vorst ende Welgestelde Regeeringe, Voorgestelt en aangedrongen uit Nehemia I, vs. 3, met een Voorrede aan zyn Doorluchtige Hoogheit den Heere Prinse v. Oranje. Mitsgaders aan de Ed. Mog. Heeren Staten 's Lands van Utrecht. (1674)
- Siloloquia, ofte eenspraecken ende heylighe bedenckinghen van een geloovige ziele, over den inhoud ende practyke der twee Sacramenten des N. Test. (publicatiejaar onbekend, mogelijk herdruk van eerdere werken)