Wie het werk van Jan Schippers (55) overziet, ontdekt een man die zich met hart en ziel inzet voor zijn roeping. Vanuit zijn werkkamer, die op het eerste gezicht een toonbeeld van creatieve chaos lijkt, ontplooit hij een indrukwekkende intellectuele activiteit. Stapels boeken, tijdschriften en rapporten, aangevuld met knipsels en stencils, markeren zijn dynamische werkomgeving. Zelfs een Playmobilpoppetje van Maarten Luther getuigt van zijn brede interesses.

Schippers omschrijft zichzelf als een "creatieve denker", iemand die graag plannen bedenkt en initiatieven ontplooit. Deze eigenschap vindt zijn perfecte uitlaatklep bij een wetenschappelijk instituut van een politieke partij, waar hij zich kan verdiepen in uiteenlopende onderwerpen, van ruimtelijke ordening tot medische ethiek. Hoewel dit betekent dat hij zelden een diepe specialist wordt, geniet hij van de constante intellectuele uitdaging en de mogelijkheid om voortdurend nieuwe gebieden te verkennen.
Dienstbaarheid als Kernwaarde
Collega's typeren Jan Schippers als een "dienstbaar persoon". Als je hem vraagt iets uit te zoeken, kun je rekenen op een snelle, grondige en complete reactie, zelfs als dit ten koste gaat van zijn nachtrust. Deze dienstbaarheid is niet alleen een karaktertrek, maar ook een essentieel onderdeel van zijn functie bij een wetenschappelijk instituut dat de politieke partij en haar achterban dient. Hij ziet het als zijn taak om kritisch mee te denken over de uitgangspunten en standpunten van de partij, vanuit een positie die zich op steenworp afstand van de Haagse hectiek bevindt.
Een treffend voorbeeld van zijn dienstbaarheid en analytisch vermogen is de analyse die hij in 2018 maakte van het verkiezingsprogramma van FVD, op verzoek van Kees van der Staaij. Schippers' observaties over het individualistische en liberale karakter van het programma bood Van der Staaij waardevolle inzichten voor een debat met Thierry Baudet.
Hij erkent dat zijn werk soms ertoe leidt dat anderen de eer krijgen voor ideeën die hij op de achtergrond heeft ontwikkeld. Het schrijven van lezingen of speeches voor anderen, zoals hij dat in zijn tijd als beleidsmedewerker van de eurofractie ChristenUnie/SGP deed, is een inherent onderdeel van het werk. Hoewel hij geen moeite heeft met deze rol, waardeert hij wel erkenning en een bedankje. De anekdote over Europarlementariër Hans Blokland, waarbij collega's glimlachend suggereerden dat een bepaalde passage door Jan bedacht moest zijn, illustreert dit op humoristische wijze.
De Luie in de Pels: Kritische Reflectie
Schippers is van mening dat een wetenschappelijk instituut ook de rol van "luis in de pels" moet vervullen, wat naadloos aansluit bij zijn persoonlijkheid. Hij blijft doorvragen en stelt principes ter discussie, wat hem soms lastig maakt voor collega's en de Tweede Kamerfractie. Zelfs tijdens de mondelinge verdediging van zijn economiestudie eindscriptie, slaagde hij erin om nog een alternatieve zienswijze te presenteren, tot lichte wanhoop van de docent.
Hij benadrukt dat het denken binnen een reformatorische politieke partij nooit mag stilstaan. Zelfs met goede beginselen en ideeën is het noodzakelijk om deze periodiek tegen het licht te houden om zelfgenoegzaamheid te voorkomen. Dit schudden aan de boom, niet om te polariseren, maar om de stevigheid van de wortels en de opname van "water uit de Bron" te waarborgen, ziet hij als een voortdurende noodzaak.

Zijn kritische houding uit zich onder meer in zijn visie op het verkiezingsprogramma van de SGP. Hij nuanceert de kreet van een "kleine overheid" door te stellen dat niemand terugverlangt naar de 19e-eeuwse nachtwakersstaat en dat de overheid in de huidige tijd een zekere omvang nodig heeft. Hij spreekt liever van een "bescheiden overheid" die dicht bij de mensen staat, en ziet anarchie als een groter gevaar dan een logge overheid. De herinnering aan een gesprek met SGP-Kamerlid C.N. van Dis, die een groep jonge economen, waaronder Schippers, bestempelde als "socialisten", illustreert hoe zijn ideeën niet altijd in dank werden afgenomen.
Hoewel het hoofdbestuur hem nooit formeel op het matje heeft geroepen, mede dankzij de zelfstandige positie van het Wetenschappelijk Instituut (WI), zijn er momenten geweest dat het stichtingsbestuur van het WI hem aansprak op uitlatingen. Dit leidde tot gesprekken met de partijvoorzitter, waarin de onderlinge verbondenheid als één partij werd benadrukt.
Een specifiek voorbeeld van zijn kritiek betrof de vrouwendiscussie binnen de SGP. In een artikel ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van het studieblad Zicht, betoogde hij dat de partij mede verantwoordelijk was voor de ontstane problemen door in de jaren negentig de bepaling dat alleen mannen lid konden worden, in de statuten op te nemen. Hij had destijds al gewaarschuwd voor de juridische risico's. Zijn conclusie, "Wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het deksel op zijn neus", gaf hij achteraf toe, was "iets te pittig gekruid".
Humor als Relativeringsvermogen
Humor is een kenmerkend aspect van Jan Schippers' persoonlijkheid, hoewel hij erkent dat dit risico's met zich meebrengt als anderen de humor niet begrijpen of waarderen. Hij citeert Godfried Bomans: "Humor is overwonnen droefheid", en ziet er ook een element van zelfrelativering in. Zonder deze relativering dreigt men een fanaticus te worden. Tegelijkertijd waarschuwt hij voor overmatig gebruik van "gereformeerde grapjes", een valkuil waar hij soms voor gewaarschuwd is. De psalmen uit 1773 en verhalen over humor op de kansel, zoals die van ds. Jac. van Dijk, waardeert hij echter.
Hij deelt de visie van Luther dat humor ons op de been houdt wanneer we de onvolkomenheden van ons werk en de vele tegenslagen onder ogen zien. Humor, als een combinatie van een lach en een traan, stelt ons in staat om onze eigen beperkingen te erkennen en te relativeren. Het is de lach om het "prutsen".
Een bizar maar fantastisch en inspirerend filmpje
"Gerechtigheid Verhoogt een Volk": Een Monumentale Nota
Zijn grootste klus als directeur van het WI van de SGP was het schrijven en redigeren van de nota "Gerechtigheid verhoogt een volk", die in 2016 na negen jaar werk werd gepubliceerd. Dit project was deels gecompliceerd doordat verkiezingen het werk meermalen onderbraken. Het vernieuwende van deze studie was de verschuiving van verzet tegen het idee van godsdienstvrijheid naar acceptatie ervan. Jarenlang had de SGP godsdienstvrijheid afgewezen, uit angst dat dit gelijkstond aan het erkennen van de gelijkwaardigheid van alle religies. Dit verzet liep echter vast, mede doordat de gereformeerde gezindte zelf steeds vaker een beroep deed op godsdienstvrijheid. De nota stelt dan ook dat de SGP voor godsdienstvrijheid is, maar tegen godsdienstgelijkheid, wat een significante stap betekende in de doordenking van het partijdenken.
Grenzen Bewaken: Leren van Ziekte en Kwetsbaarheid
Ondanks de bewering van collega's dat men altijd op Jan kan rekenen, erkent hij dat zijn geest vaak doorgaat als zijn lichaam al "ho" roept. Dit leidde eens tot een burn-out op 32-jarige leeftijd, toen hij bij de eurofractie ChristenUnie/SGP werkte. Gedurende die periode kon hij aanvankelijk niets meer dan orgelspelen, muziek luisteren en boeken lezen, en naar de kerk gaan. Hij voelde zich eenzaam, mede doordat hij als vrijgezel minder afgeremd werd en zijn zelfwaardering sterk verbonden was met zijn werk. De steun van vrienden, familie en gesprekken met een psycholoog waren cruciaal. De psycholoog hielp hem te ontdekken dat zijn drang om achterstanden in te halen voortkwam uit een periode van anderhalf jaar waarin hij op 15- en 16-jarige leeftijd kanker had overwonnen. Dit leidde tot een diepgaande reflectie op zijn tweede leven, vol energie en levenslust, maar ook tot zelfuitputting.

De kanker, een zeldzame vorm van wekedelentumor, werd ontdekt in zijn gezicht, wat een vroege diagnose mogelijk maakte. Vanaf Goede Vrijdag 1984 volgde een zwaar traject van chemokuren, waarbij hij extreem vermagerde. Zijn moeder speelde een cruciale rol in zijn herstel door ervoor te zorgen dat hij tussentijds weer aankwam. De meest intense fase kwam in januari 1985, toen hij, na een periode van schijnbare genezing, opnieuw de tumor voelde terugkeren. De wetenschap van de komende zware behandelingen, bestaande uit chemo, chirurgie en radiotherapie, was beangstigend. Uiteindelijk, na de laatste bestralingen op de verjaardag van zijn tweelingzusjes in september 1985, kwam hij door deze loodzware periode heen.
Hij benadrukt de immense steun die hij destijds ervoer. Klasgenoot Henk Brons tekende alle lesverslagen voor hem op. Buren brachten zure haring, zijn favoriete voedsel na de behandeling, en prekenbandjes van predikanten als ds. J.H.C. Olie en ds. J.H. Velema, die zijn liefde voor de Dordtse Leerregels aanwakkerden. De vaste grond voor zijn redding, buiten hemzelf in Christus, werd hem duidelijk. Een oudere kerkganger, Annetje Olthuis, stuurde hem wekelijks kaarten, wat hem nog steeds ontroert. Achteraf ziet hij de steun van de gemeenschap als een grote zegen.
De ziekteperiode heeft zijn leven onmiskenbaar gevormd. De drang om "in te halen en goed te maken" was constant aanwezig, deels gevoed door de gedachte dat hij iets moest terugdoen voor de kosten die de verzekering dekte. Het overlijden van zijn schoonmoeder, die lange tijd ziek was, bracht opnieuw de kwetsbaarheid van het leven onder de aandacht.
Predikantschap en Gelovige Vinding
De tekst bevat ook informatie over predikanten die nauw verbonden zijn met Jan Schippers, zoals dominee Nico Catsburg, met wie hij samenwerkt aan het boek "Wolven in de Kerk". Dit boek behandelt de uitdagingen en grensoverschrijdend gedrag waarmee predikanten te maken kunnen krijgen, een onderwerp waarvoor hij pleit voor betere procedures en een onafhankelijk meldpunt.
De tekst beschrijft ook de roeping en loopbaan van ds. J. Schipper (vermoedelijk een andere persoon, gezien de context van de publicaties, maar de naam is identiek en de thematiek overlapt). Deze ds. Schipper werd op 13 december 1946 geboren en studeerde Nederlands. Na een carrière in het onderwijs werd hij in 1994 toegelaten tot de Theologische School van de Gereformeerde Gemeenten. Zijn eerste gemeente was ’s-Gravenpolder, gevolgd door Dirksland en Leerdam. In Dirksland werd zijn vrouw getroffen door een hersentumor, wat de periode in die gemeente sterk kleurde. Na haar overlijden in 2013, nam hij het beroep aan naar Leerdam, een gemeente die bijna een halve eeuw geen predikant had gehad. Ook daar kreeg hij te maken met ziekte, maar door Gods trouw mocht hij blijven leven en de werken des Heeren vertellen. In zijn prediking legt hij de nadruk op de noodzaak en mogelijkheid van wedergeboorte en bekering, en op de "doorleving" van de drie stukken van de leer.
Ds. Schipper schrijft regelmatig in De Saambinder onder de kop "De taal der bevinding", waarin hij uitdrukkingen behandelt die ontstaan zijn in gezelschapskringen en de noodzaak van hun doorleving benadrukt. Hij herkent veel in de werken van Alexander Comrie, over wie hij een boekje schreef. Naast kleine kerkgeschiedenis, toont hij interesse in de moderne devotie en mystiek uit de middeleeuwen, en de parallelle stromingen in de Nadere Reformatie. Hij benadrukt het onderscheid tussen mystieke gemeenschapsoefening en bevinding.
Sinds 1993 is ds. Schipper betrokken bij het deputaatschap ter behartiging van de belangen van De Saambinder. Hoewel hij nog steeds bijdraagt aan het blad, erkent hij dat ouderdom leidt tot het inleveren en loslaten van taken, in navolging van het principe "Hij moet wassen, maar ik minder worden."
De tekst vermeldt ook de emeritaat van ds. J. Schipper, geboren op 13 december 1946. Na zijn studie Nederlands en een loopbaan in het onderwijs, werd hij predikant in ’s-Gravenpolder, Dirksland en Leerdam. Sinds 2013 is hij weduwnaar en na zijn emeritaat vestigde hij zich in Scherpenzeel. Diverse artikelen en verslagen uit kerkelijke bladen worden als verwijzing genoemd, waaronder interviews, bevestigingen en afscheidsdiensten.