Inleiding tot Johannes Calvijn
Johannes Calvijn, oorspronkelijk Jehan Cauvin genaamd, werd geboren in Noyon, Frankrijk, op 10 juli 1509. Hij was de vierde van zes kinderen van Gérard Cauvin en Jeanne Lefranc. Zijn moeder, afkomstig uit Kamerijk, oefende een vrome invloed op hem uit. Dankzij de positie van zijn vader als bisschoppelijk ambtenaar, kon Calvijn huisonderwijs volgen met een groep adellijke jongens.
Op veertienjarige leeftijd, in 1523, werd Calvijn door zijn vader naar het Collège de la Marche in Parijs gestuurd. Daar volgde hij onderwijs in Latijn en Frans, onder andere bij Mathurin Cordier. Daarnaast bezocht hij enige tijd het Collège Montaigu. Aanvankelijk wilde Gérard Cauvin dat zijn zoon priester zou worden, maar toen dit door een geschil met het kapittel onmogelijk werd, liet hij hem rechten en letteren studeren.
Calvijn begon zijn studie in 1528 aan de Universiteit van Orléans en vervolgde deze in 1529 in Bourges. In 1532 behaalde hij zijn doctoraat in het recht in Orléans. Volgens de toenmalige gewoonte latiniseerde hij zijn naam Jehan Cauvin tot Iohannes Calvinus.

Calvijns Vroege Leven en Bekering
Als humanist schreef Calvijn in 1532 zijn eerste boek, een commentaar op Seneca's verhandeling De clementia (Over de zachtmoedigheid, of de goedertierenheid). Dit werk was een hulde aan Erasmus van Rotterdam, die in 1529 een grote Seneca-uitgave had verzorgd.
Na het verschijnen van zijn eerste boek werd Calvijn gewonnen voor de reformatie. Dit bleek op 1 november 1533, tijdens de rectorale rede van rector Nicolaas Cop - een vriend van Calvijn - aan de Universiteit van Parijs. Calvijn had materiaal voor deze rede aangedragen. De rede, die handelde over de tekst "Zalig zijn de armen van geest" (Matteüs 5:3), bevatte veel citaten van Erasmus en Luther en eindigde met de vraag: "Is het recht dat wij meer de mensen zoeken te behagen dan God? Moeten wij hen vrezen, die het lichaam kunnen verderven, maar die geen macht hebben over de ziel?" (vergelijk Matteüs 10:28).
Tijdens zijn omzwervingen in Frankrijk ontmoette Calvijn Jacques Lefèvre d'Étaples. In Noyon deed Calvijn afstand van zijn kerkelijke inkomsten. Later raadpleegde hij, onder de schuilnaam Charles d'Espeville in Saintonge, een uitgebreide bibliotheek, waar hij de basis legde voor zijn latere Institutio Christianae Religionis.
Calvijn ging in 1534 voorgoed over tot de reformatie toen hij in de grotten van Saint-Benoît-la-Forêt en Crotelles (nabij Poitiers) voor het eerst het Heilig Avondmaal vierde.
De Institutie en Vroege Jaren in Genève
In 1535 kwam Calvijn in Bazel terecht, waar hij voor het eerst de reformatoren Heinrich Bullinger en Guillaume Farel ontmoette. In 1536 kwam de eerste uitgave van zijn Institutio Christianae Religionis (Onderwijs in het christelijk geloof) uit. In dit boek, zijn magnum opus, vatte Calvijn zijn zienswijze op het geheel van de christelijke leer samen. Gedurende zijn verdere leven bleef Calvijn dit boek aanvullen en uitbreiden, zowel in het Frans als in het Latijn.
De predikant van Lausanne, Pierre Caroli, vroeg zich hardop af of Calvijn wel het leerstuk van de Drievuldigheid onderschreef, omdat hij een duidelijke benoeming van Jezus Christus als God miste en zijn collega van Arianisme beschuldigde.
In Genève begon op 27 januari 1534 een godsdienstgesprek, wat leidde tot de verwerping van het katholicisme, maar een nieuw systeem van kerkbestuur en kerkorde ontbrak. Protestantse predikanten waren in het Genève van 1536 weinig meer dan ambtenaren zonder macht of rijkdom. Calvijn was aanvankelijk ook niet meer dan een lage ambtenaar die met toestemming van de gemeenteraad in de stad woonde, met de intentie zich aan studie te wijden.
Guillaume Farel drong echter sterk aan op Calvijns medewerking in Genève. Enkele maanden eerder, in november 1536, had Calvijn de gemeenteraad voorgesteld om iedere habitant (wettige inwoner van vreemde afkomst zonder stemrecht, wapens te dragen of een openbaar ambt te bekleden) de 21 artikelen van zijn geloofsbelijdenis te laten onderschrijven. Dit ging tegen de nieuw verworven vrijheid van de stad in.

Verbanning, Straatsburg en Terugkeer naar Genève
Na zijn verbanning uit Genève trok Calvijn naar Straatsburg, waar hij, dankzij zijn vriend Martin Bucer, predikant werd van de Franse vluchtelingengemeente. In de jaren die volgden, oefende Martin Bucer een grote invloed uit op Calvijn.
Calvijn was vastbesloten te trouwen en wilde laten zien dat het huwelijk bij hem in hoger aanzien stond dan het kerkelijke celibaat. Hij vroeg zijn vrienden hem te helpen een vrouw te vinden die "bescheiden, toegeeflijk, niet arrogant, niet extravagant, geduldig en bevorderlijk voor zijn gezondheid" was. In 1540 trouwde Calvijn met de uit Luik afkomstige Idelette de Bure, weduwe van de bekeerde anabaptist Jean Stordeur. Idelette had een zoon en een dochter uit haar eerdere huwelijk. In 1542 kregen Calvijn en Idelette een zoon, die echter na twee weken overleed. Idelette Calvijn overleed in 1549.
In 1539 kwam een psalmboek van Calvijn uit met 18 psalmen, waarvan 5 door hem berijmd, met de Geloofsbelijdenis, de Lofzang van Simeon en de Tien Geboden. In 1540 kwamen er formulieren voor de kerkdiensten en een formulier voor de bediening van de Heilige Doop.
Tijdens zijn ballingschap volgde Calvijn de ontwikkelingen in Genève op de voet. Toen Jacopo Sadoleto, een rooms-katholieke kardinaal, een brief schreef aan het bestuur van Genève om de stad uit te nodigen terug te keren naar de moederkerk, keerde het tij voor Calvijn. Zijn inzet voor de protestantse gemeenschap in Genève hielp hem het verloren aanzien in de stad terug te winnen. Toen een aantal aanhangers van Calvijn in de gemeenteraad waren gekozen, werd Calvijn in 1540 uitgenodigd terug te keren naar Genève. Na ontvangst van een brief van Farel, was hij ervan overtuigd dat hij moest terugkeren. Tijdens de verhuizing van Straatsburg naar Genève kreeg hij veel medewerking van de stadsraad.
In 1541 werd Calvijn opnieuw predikant in Genève. Gedurende de daaropvolgende periode zette Calvijn de kerk van Genève op poten, met veel hulp van zijn collega Pierre Viret. Meteen na zijn terugkomst begon hij aan een nieuwe kerkorde en schreef hij een nieuwe catechismus voor de jeugd. Onder Calvijns leiding werd Genève een voorbeeld voor andere reformatorisch gezinde gebieden.

Theologische Opvattingen en de Kerkenorde
Johannes Calvijn ontwikkelde een nieuwe kerkorde, die veel protestantse kerken in de daaropvolgende eeuwen navolgden. Hij riep vier ambten in het leven: predikanten, diakenen, ouderlingen en doctores (verantwoordelijk voor de opleiding van nieuwe predikanten).
Een centraal punt in Calvijns theologie was de theorie van de predestinatie: de overtuiging dat mensen geen enkele invloed hebben op hun eigen redding en alleen door genade konden worden behouden. Volgens dit idee had God, vanuit Zijn eeuwig raadsbesluit, reeds van tevoren bepaald wie de goddelijke rechtvaardiging ten deel zou vallen en wie niet. Dit moest echter in de juiste context worden gezien: niet als product van menselijke speculatie, maar als een geheim van goddelijke openbaring.
Calvijn ontkende, net als mede-reformator Luther en kerkvader Augustinus, de mogelijkheid dat goede werken zouden kunnen bijdragen tot verzoening met God. Zijn predestinatieleer is hoofdzakelijk gebaseerd op de gedachte dat God zo groots is en de mens zo nietig in vergelijking met God, dat de mens nooit in staat zal zijn daar iets aan toe of af te doen. Naar Calvijns inzicht strekt de gedachte dat Gods voorzienigheid alles regeert de gelovige tot troost.
Een ander belangrijk punt was het avondmaal. Calvijn legde het katholieke idee van transsubstantiatie - de daadwerkelijke verandering van brood en wijn in Jezus’ lichaam en bloed - naast zich neer. Luther stond nog achter het katholieke idee, hoewel hij geloofde dat de essentie van God aanwezig was in het voedsel.
Calvijn vond in alle opzichten dat religie boven de staat stond. De geloofsgemeenschap kon desnoods zichzelf besturen als de vorst niet bereid was zich ondergeschikt te maken aan het geloof. Calvinisten wilden de hele samenleving hervormen naar Calvijns visie, waarbij het bestuur van kerk en staat in handen kwam van dominees en ware gelovigen.
Calvijn was een verklaard aanhanger van de vijf sola's van de reformatie. Volgens Calvijn is de mens slechts rechtvaardig voor God door het verzoenende werk van Jezus Christus en kan de mens daar zelf niets aan toe- of afdoen (sola gratia - door genade alleen). Omdat de mens niet in staat is zich te rechtvaardigen door goede werken, meende Calvijn dat God reeds van tevoren had bepaald wie deze goddelijke rechtvaardiging ten deel zou vallen.

Calvijns Prediking en Invloed
Calvijn preekte vanaf zijn terugkeer in Genève in 1541. Hij nam een groot deel van de kerkdiensten voor zijn rekening. Net als Huldrych Zwingli en Maarten Luther behandelde Calvijn in zijn prediking gehele bijbelboeken, en maakte geen gebruik van het pericopenstelsel. Hij deed er soms maanden of jaren over om een geheel bijbelboek door te preken.
In 1549 werd een officiële 'snelschrijver' aangesteld die de preken van Calvijn opschreef. Calvijns preken waren analytisch opgebouwd: hij volgde de tekst op de voet, verklaarde en paste deze toe. De toepassing was geen aanhangsel, maar verweven met de boodschap van de bijbeltekst. Calvijns prediking was één en al evangelie, prediking van de belofte. Hij riep de mensen namens God op tot geloof in Jezus Christus en verzekerde hen van de redding die bij Hem te vinden is, terwijl hij hen waarschuwde die dit verwierpen.
In 1559 stichtte Calvijn in Genève een academie, de huidige Universiteit van Genève, om predikanten op te leiden. Zijn vriend en latere opvolger Theodorus Beza werd de eerste rector. Jonge mannen kwamen uit heel Europa om aan Calvijns academie te studeren, waarna zij naar hun thuisland terugkeerden om te prediken.
In 1562 verscheen een psalmbundel (bekend als de Geneefse psalmen), geschikt om gezongen te worden tijdens de dienst. Calvijn was in Straatsburg zelf begonnen met het berijmen van psalmen. Eenmaal terug in Genève droeg hij dit werk over aan Clément Marot en Beza, terwijl hij Guillaume Franc, Louis Bourgeois en Maitre Pierre verzocht de muziek te componeren.
Controverses en Overlijden
Een problematische periode in het leven van Calvijn was het conflict dat hij had met de Spaanse arts en theoloog Michael Servet. Daarnaast was zijn standpunt met betrekking tot de kinderdoop voor de autoriteiten van Genève niet rustgevend.
In 1553 publiceerde Servet anoniem het boek Restitutio Christianismi (Herstel van het christendom), waarin hij Calvijn en diens Institutie bekritiseerde. Servet wilde niets weten van drie personen binnen de Godheid, maar sprak van drie krachten. Op 3 februari 1546 schreef Calvijn al aan Guillaume Farel dat hij het voornemen had Servet te laten ombrengen zodra hij daar de gelegenheid voor zou hebben.
Op zondag 13 augustus 1553 woonde Servet in Genève een dienst bij die door Calvijn werd geleid. Daar werd Servet herkend. De gemeenteraad van Genève, verantwoordelijk voor de rechtspraak, vroeg Vienne op 21 augustus 1553 om afschriften van de bewijsstukken tegen Servet en overlegde met bondgenoten zoals Bern, Zürich, Schaffhausen en Bazel. Calvijn stelde voor de doodstraf door de brandstapel om te zetten in de doodstraf door het zwaard, wat echter niet gebeurde.
Op zaterdagavond 27 mei 1564 overleed Calvijn op 54-jarige leeftijd. Vlak voor zijn overlijden had Calvijn op 25 april 1564 zijn testament geciteerd aan notaris Pierre Chenelat. Conform zijn wens werd hij de middag na zijn overlijden begraven in een gewone houten kist op kerkhof Pleinpalais in Genève. Hij wenste geen grafsteen.