Dit document behandelt de inhoud van het Bijbelboek Jozua, specifiek gericht op hoofdstuk 25 (hoewel de aangeleverde tekst lijkt te verwijzen naar de gebeurtenissen beschreven in de laatste hoofdstukken van Jozua, met een focus op het vernieuwen van het verbond en de verdeling van het land, evenals de dood van Jozua). De tekst beschrijft belangrijke momenten in de geschiedenis van Israël na de verovering van het land Kanaän.
Het Vernieuwen van het Verbond te Sichem
Jozua riep alle stammen van Israël bijeen in Sichem. Hij riep de oudsten, stamhoofden, rechters en ambtsdragers van Israël, die zich opstelden voor het aangezicht van God.
Jozua sprak tot het volk en herinnerde hen aan de geschiedenis van hun voorouders. Hij vertelde hoe hun vaderen, zoals Terah, aan de overzijde van de rivier andere goden dienden. Vervolgens beschreef hij hoe God Abraham had uitgekozen, hem door Kanaän had geleid, zijn nageslacht had vermenigvuldigd en Izak had gegeven. Aan Izak waren Jakob en Ezau gegeven, waarbij Ezau het Seïrgebergte ontving, en Jakob en zijn kinderen naar Egypte trokken.
Jozua vervolgde met de bevrijding uit Egypte, de plagen die God over Egypte bracht, en de uittocht onder leiding van Mozes en Aäron. Hij herinnerde het volk aan hun beleving bij de Schelfzee, waar God een doorgang creëerde en de Egyptenaren verdronk. Ook de lange periode in de woestijn en de verovering van het land van de Amorieten aan de overzijde van de Jordaan werden genoemd. God had de Amorieten in hun hand gegeven, en zij hadden hun land in bezit genomen.
Verder werd de strijd tegen Balak, de koning van Moab, en de poging om Israël te vervloeken met de profeet Bileam beschreven. God weigerde naar Bileam te luisteren, waardoor hij Israël steeds zegende. De overtocht van de Jordaan en de strijd tegen Jericho, de Amorieten, Ferezieten, Kanaänieten, Hethieten, Girgasieten, Hevieten en Jebusieten werden eveneens benadrukt. God gaf hen in hun hand en verdreef de vijanden, niet door het zwaard of de boog van Israël, maar door de inzet van horzels.
Jozua benadrukte dat God hen een land had gegeven waarvoor zij zich niet hadden ingespannen, met steden die zij niet hadden gebouwd, en dat zij nu aten van wijngaarden en olijfbomen die zij niet hadden geplant.

Daarom drong Jozua er bij het volk op aan om de HEERE te vrezen en Hem in oprechtheid en trouw te dienen. Hij beval hen de goden weg te doen die hun vaderen aan de overzijde van de rivier en in Egypte hadden gediend.
Jozua stelde het volk voor een keuze: "Maar als het in uw ogen kwalijk is de HEERE te dienen, kies voor u heden wie u zult dienen: óf de goden die uw vaderen, die aan de overzijde van de rivier woonden, gediend hebben, óf de goden van de Amorieten, van wie u het land bewoont. Maar wat mij en mijn huis betreft, wij zullen de HEERE dienen!"
Het volk antwoordde vastberaden: "Er is geen sprake van dat wij de HEERE zouden verlaten om andere goden te dienen. Want de HEERE is onze God. Hij is het Die ons en onze vaderen uit het land Egypte, uit het slavenhuis, heeft uitgeleid en Die deze grote tekenen voor onze ogen gedaan heeft en ons bewaard heeft op heel de weg die wij gegaan zijn, en voor alle volken door het midden waarvan wij getrokken zijn."
Jozua waarschuwde hen dat zij de HEERE niet konden dienen, omdat Hij een heilig en jaloers God is die hun overtredingen en zonden niet zal vergeven. Als zij de HEERE zouden verlaten en vreemde goden zouden dienen, zou Hij Zich van hen afkeren, hen kwaad doen en hen vernietigen.
Het volk herhaalde hun voornemen om de HEERE te dienen. Jozua maakte hen tot getuigen van hun keuze en het volk bevestigde dit. Jozua droeg hen op de vreemde goden weg te doen en hun hart op de HEERE, de God van Israël, te richten. Het volk beloofde de HEERE te dienen en Zijn stem te gehoorzamen.
Op die dag sloot Jozua een verbond met het volk en legde de bepalingen ervan vast in Sichem. Hij schreef deze woorden in het wetboek van God en richtte een grote steen op onder de eik bij het heiligdom van de HEERE, als getuige van de woorden die God tot hen gesproken had.

De Dood van Jozua en de Oudsten
Na deze gebeurtenissen stierf Jozua, de dienaar van de HEERE, op honderdtienjarige leeftijd. Hij werd begraven in Timnath-Serah, in het bergland van Efraïm.
Israël diende de HEERE gedurende de dagen van Jozua en de dagen van de oudsten die hem opvolgden en de daden van de HEERE voor Israël kenden. De beenderen van Jozef, die de Israëlieten uit Egypte hadden meegenomen, werden in Sichem begraven, op het stuk land dat Jakob van de zonen van Hemor had gekocht.
Het Erfdeel van Juda
De tekst beschrijft vervolgens gedetailleerd het lot voor de stam van de nakomelingen van Juda, inclusief de grenzen van hun gebied en de steden die hen werden toegewezen.
Zuidelijke Grens
De zuidgrens begon aan het einde van de Zoutzee, vanaf de uitloper die op het zuiden ziet. Deze grens liep ten zuiden van de Schorpioenenpas, langs Zin, omhoog ten zuiden van Kades-Barnea, langs Hezron, omhoog naar Adar en boog af naar Karkaä. Vervolgens ging hij langs Azmon en kwam uit bij de Beek van Egypte, met de zee als eindpunt.
Oostelijke en Noordelijke Grens
De oostgrens was de Zoutzee tot aan de monding van de Jordaan. De grens aan de noordzijde begon bij de baai van de zee, vanaf de monding van de Jordaan. Deze liep omhoog naar Beth-Hogla, langs het noorden van Beth-Araba, omhoog naar de steen van Bohan, de zoon van Ruben.
Westelijke Grens
De westgrens viel samen met de Grote Zee en zijn gebied. Dit was het gebied van de nakomelingen van Juda.
Steden en Gebieden
De tekst somt een uitgebreide lijst op van steden en hun dorpen die tot het erfdeel van Juda behoorden, verdeeld over verschillende regio's zoals het Laagland, het Bergland en de Woestijn. Enkele van de genoemde steden zijn Kabzeël, Eder, Jagur, Kedes, Hazor, Ziklag, Berseba, Gosen, Gilo, Kirjath-Arba (Hebron), en Engedi.
Het is vermeldenswaard dat de nakomelingen van Juda de Jebusieten, de inwoners van Jeruzalem, niet konden verdrijven.

Kaleb en Debir
Een specifieke vermelding wordt gedaan van Kaleb, de zoon van Jefunne, aan wie Jozua een deel te midden van de nakomelingen van Juda gaf, namelijk de stad van Arba (Hebron). Kaleb verdreef daaruit de zonen van Enak. Hij trok vervolgens op tegen de inwoners van Debir, dat voorheen Kirjath-Sefer heette. Kaleb beloofde zijn dochter Achsa aan degene die Kirjath-Sefer zou innemen. Othniël, de zoon van Kenaz, nam de stad in en kreeg Achsa tot vrouw. Achsa spoorde haar man aan om een akker van haar vader te vragen, en Kaleb gaf haar zowel hooggelegen als laaggelegen waterbronnen.
Noot over de Bijbelse Referenties
De aangeleverde tekst bevat fragmenten die lijken te verwijzen naar verschillende delen van het boek Jozua, waaronder het verbond in Sichem (hoofdstuk 24), de dood van Jozua (hoofdstuk 24), de verdeling van het land (hoofdstuk 13-19, met specifieke vermelding van Juda), en ook passages die lijken te komen uit het boek Richteren (zoals de gebeurtenissen rond Achan en de slag bij Ai, die in Jozua hoofdstuk 7 worden beschreven). De vermelding "jozua 25 15 herziende statenvertaling" suggereert een specifieke verwijzing, hoewel het boek Jozua eindigt met hoofdstuk 24. Het kan zijn dat de nummering in de vraag een typefout bevat, of verwijst naar een specifieke uitgave of interpretatie.
Commerciële Producten Gerelateerd aan Jozua 24:15
De tekst bevat ook beschrijvingen van commerciële producten gebaseerd op de Bijbeltekst Jozua 24:15 ("Ik en mijn huis zullen de HEERE dienen"). Dit omvat posters en kaarten, gedrukt op stevig papier met een matte afwerking. Er worden specificaties gegeven over papierformaat, gewicht en verzendwijze. Tevens wordt een sierkussen genoemd, gemaakt van katoen volgens BCI-eisen, met de tekst "Ik en mijn huis wij zullen de Here dienen."
Jozua 24:15 | Bijbeltekst | All Kids 1st
tags: #jozua #25 #15 #herziende #statenvertaling