De Doleantie in Oosterbierum: Een Historische Blik op Kerkelijke Strijd

Het dorp Oosterbierum, gelegen in Friesland ten noorden van Franeker en dicht bij de Waddenzee, kent een rijke geschiedenis die nauw verweven is met religieuze en maatschappelijke ontwikkelingen. De huidige hervormde kerk, gebouwd rond 1500, getuigt van deze geschiedenis, met een torenspits die in 1766 werd vervangen door een houten exemplaar bedekt met leien. Oorspronkelijk gewijd aan Sint Gregorius, onderging de kerk, net als de gemeenschap, ingrijpende veranderingen tijdens de Reformatie in 1580, waarna het een centrum werd voor de reformatorische eredienst.

Kloosterleven en Lokale Conflicten

De geschiedenis van Oosterbierum is ook verbonden met het klooster Mariëndal. Dit klooster, gesticht door Sibo die zijn bezittingen verkocht en zijn huis inrichtte als klooster, groeide uit tot een aanzienlijke instelling. Samen met Tjalling Donia richtte Sibo dit klooster op, dat echter regelmatig te lijden had onder natuurrampen en oorlogsgeweld. Een ander historisch element is de nabijgelegen stins, de Haerdastate, die in 1498 door 'woeste benden' werd veroverd, geplunderd en waarvan de bewoners naar Bolsward werden gevoerd. Ondanks de achtervolging en het doden van vijftig van de plunderaars, bleven de gevolgen van deze daad ingrijpend.

Kaart van Friesland met de locatie van Oosterbierum

De 19e Eeuw: Orthodoxie versus Vrijzinnigheid en de Opkomst van de Doleantie

In de eerste helft van de negentiende eeuw kende Oosterbierum vrijzinnige predikanten. Later werden orthodoxe predikheren aangesteld. Een opvallende figuur was ds. H. van Broekhuizen, die van 1876 tot 1882 in Oosterbierum diende. Voordien had hij de 'Nederduits Gereformeerde Gemeenten' in Zuid-Afrika gediend. In Oosterbierum werd hij een fervent tegenstander van de floreenrechten, een systeem waarbij grondbezitters (florenen) de predikanten benoemden, wat vaak leidde tot de aanstelling van vrijzinnige predikanten in orthodoxe gemeenten. Ds. Van Broekhuizen werd in 1882 opgevolgd door ds. J. Doorenbos.

Ds. J. Doorenbos diende als hervormd predikant in Oosterbierum tijdens de periode van de Doleantie. Hij arriveerde op 23 juli 1882 en diende tot 15 juli 1888, bevestigd door ds. J. Cannegieter uit Tzummarum. De gemeenschap van Oosterbierum werd geconfronteerd met onrust door de procedure tegen de 'Amsterdamsche broederen', een groep van tachtig geschorste dolerenden. De kerkenraad van hervormd Oosterbierum werd gedwongen een standpunt in te nemen. Op 3 februari 1886 kwam men bijeen en overwoog men de 'adhaesie' (steunbetuiging) aan de Amsterdamse broeders, een standpunt dat door alle ouderlingen en diakenen werd gedeeld.

Ondanks een verschil van inzicht met ds. Doorenbos, die weigerde mee te werken aan deze acties, werden de discussies 'in broederlijke liefde' gevoerd. De ouderlingen weigerden echter de classicale vergaderingen bij te wonen uit onvrede met de synodale organisatie. Een kleine groep gemeenteleden begon zondags samen te komen om leerrede te lezen in een woonkamer, wat leidde tot een groeiende kring.

Het Cruciale Moment: 11 September 1887

Een sleutelgebeurtenis vond plaats op zondag 11 september 1887, na de ochtenddienst. Ds. Doorenbos deelde mee dat hij die middag niet kon voorgaan vanwege een optreden in een naburige gemeente. De kerkenraad achtte deze afwezigheid onnodig. Nadat ds. Doorenbos de preekstoel had verlaten, vroeg diaken Hillebrand Bruinsma of de afgezette dolerende ds. Sikkel uit Hijlaard die middag in de hervormde kerk zou kunnen preken, "want hij hoort niet in een schuur te preken". Ds. Doorenbos weigerde dit categorisch, argumenterend dat ds. Sikkel, als afgezette predikant, geen recht had om in een hervormde kerk te dienen.

Diaken Bruinsma reageerde door aan te geven dat hij dan naar de kerkvoogden zou stappen. In de consistorie sprak ds. Doorenbos de dolerende kerkenraadsleden toe en verzocht hen hun functies ter beschikking te stellen. Desondanks preekte ds. Sikkel die middag in het kerkgebouw van de hervormde gemeente te Oosterbierum, en riep zelfs op tot doleren. Tijdens de dienst werd gecollecteerd voor 'de Reformatie der Kerken' en de dolerende Vrije Universiteit. Na afloop werd onder leiding van ds. Sikkel een vergadering gehouden.

Interieur van een historische Nederlandse hervormde kerk

Escalatie en Afzetting

De gebeurtenissen bleven niet zonder gevolgen. De 'ongehoorzame kerkeraadsleden' werden opgeroepen om op 28 september 1887 voor de classis in Franeker te verschijnen voor verantwoording. Zij verschenen niet, maar stuurden wel een brief waarin ze hun acties toelichtten. De classis verzocht hen opnieuw te verschijnen, ditmaal voor een classicale commissie op 3 oktober. Ds. Doorenbos smeekte ouderling P. van Keimpema om gehoor te geven aan de oproep en schuld te belijden, in het belang van vrede en rust. Van Keimpema beloofde de oproep door te geven, maar gaf aan zelf niet te zullen gaan; niemand van de betrokkenen verscheen.

Klaas Pasma, 'agent van dr. Kuyper', speelde een actieve rol in de Doleantiebeweging in Oosterbierum. Hij verspreidde dolerende bladen en preken en zond brieven naar de kerkenraad met verzoeken om vergaderingen te beleggen. Ds. Doorenbos noemde zijn activiteiten 'opruiïng'. Pasma beklaagde zich ook bij de kerkenraadsleden over ds. Doorenbos, die geweigerd had zijn kind in te schrijven in het lidmatenboek van Oosterbierums hervormde gemeente, zonder de andere kerkenraadsleden te raadplegen.

Op 24 oktober 1887 schorste de classis de vier kerkenraadsleden van Oosterbierum voor onbepaalde tijd. Een week later, op 29 oktober, belegden de geschorste broeders een vergadering met stemgerechtigde leden om te besluiten of zij de volgende dag hun plaats in het doophek zouden innemen en voor de collecte rond zouden gaan. De uitkomst was dat iedereen bleef zitten, wat geïnterpreteerd werd als steun voor de geschorste kerkenraad. De 'christelijke onderwijzer' Gerritsen reageerde echter kritisch, stellend dat de kerkenraad zelfstandig moest handelen, net zoals zij dat in het verleden hadden gedaan.

Op 1 november 1887 vroegen Nauta en Van Keimpema aan ds. Doorenbos om een kerkenraadsvergadering te houden, aangezien de ambtsdragers de dag daarop voor het Provinciaal Kerkbestuur moesten verschijnen en waarschijnlijk zouden worden afgezet. Ds. Doorenbos, die vermoedde wat het onderwerp zou zijn, weigerde de bijeenkomst op 7 november bij te wonen. Op 9 november 1887 besloot het provinciaal kerkbestuur de vier kerkenraadsleden schuldig te verklaren aan vergrijp in de uitoefening van hun ambt en aan verstoring van orde en rust, en ontzette hen uit hun ambten.

De Gevolgen van de Afzetting

Twee dagen eerder, op 7 november, had echter een kerkenraadsvergadering plaatsgevonden in het bijzijn van ds. Sikkel, maar bij afwezigheid van ds. Doorenbos. In deze bijeenkomst verklaarden de geschorste kerkenraadsleden hun schorsing onwettig. De vier kerkenraadsleden besloten vervolgens de gebruikelijke kennisgevingen aan de overheden te zenden. Het betrof de ouderlingen Thomas Nauta en P. van Keimpema en de diakenen H. Bruinsma en Jelle Zijlstra.

De uitgetreden kerkenraad verzocht de kerkvoogden om het kerkgebouw open te stellen voor hun godsdienstoefeningen. Het merendeel van de gemeente bleef de uitgetreden kerkenraad trouw, hoewel slechts één van de kerkvoogden zich bij de Doleantie aansloot. Het kerkgebouw bleef in hervormde handen.

In een brief van november 1887 deelden de kerkenraadsleden Nauta, Van Keimpema, Bruinsma en Zijlstra de hervormde gemeenteleden mee dat 'het leven onder de synodale hiërarchie een zondig leven was' en dat men een einde wilde maken aan de situatie waarin 'predikers en loochenaars van den eenigen waarachtigen God als leeraars worden geëerd'. Ze gaven leden de gelegenheid zich in te schrijven in het lidmatenboek van de nieuwe 'Nederduitsche Gereformeerde Kerk te Oosterbierum'.

Illustratie van een historische kerkelijke bijeenkomst of conflict

Ondertussen had ds. Doorenbos de kerkenraadsleden laten weten hen niet meer als zodanig te erkennen, waardoor 'het doophek ledig' bleef. Twee stemgerechtigde leden, Klaas Jellesma en Tjerk de Jong, collecteerde tijdens de dienst. De zondag daarop fungeerden Jellesma en Tjalling Tjallingi, en later Pieter S. Visser en Jan L. Bosma als ouderlingen, nadat bekend werd dat de dolerende kerkenraadsleden door het provinciaal kerkbestuur waren afgezet. Bij ds. Doorenbos werd een stuk opgemaakt waarin deze vier nieuwe broeders voorlopig werden benoemd als kerkenraad van de hervormde gemeente.

tags: #kerkbode #de #woeste #weg