Oudewater, een stad met een rijke geschiedenis die dit jaar haar 750-jarig bestaan viert, dankt haar naam waarschijnlijk aan de oude (uiter)waarden waar de Linschoten uitmondt in de Hollandsche IJssel. De strategische ligging op de grens tussen Holland en het Sticht maakte de stad tot een belangrijke grensvesting. Het waren de stadsrechten, verleend door Hendrik van Vianden, de bisschop van Utrecht, die de basis legden voor de ontwikkeling van Oudewater. De kroniek van Heda vermeldt zelfs de precieze datum van deze gebeurtenis: 5 juli.
Kort na het verkrijgen van de stadsrechten werd de huidige kerk gebouwd. Aanvankelijk als kruiskerk, onderging het gebouw ruim een eeuw later een transformatie tot de huidige hallenkerk. Opvallend is de toren met zijn zadeldak, een kenmerk dat men vaker in Friesland aantreft dan in deze regio.

De Vroege Reformatie in Oudewater
Al in een vroeg stadium kwam de kerk in protestantse handen. Na de gebeurtenissen in Den Briel op 1 april 1572, verklaarde ook Oudewater zich voor de prins. De stad nam deel aan de eerste vrije Statenvergadering op 19 juli 1572 in Dordrecht.
De eerste predikant die in Oudewater een gereformeerd geluid liet horen, was Theodorus Aemelius. Hij was reeds in 1566 begonnen met het preken van de gereformeerde beginselen en had zich na een periode als rondreizend prediker tijdelijk in Utrecht gevestigd. Daar ontfermde hij zich over de jonge Jacobus Arminius, die hij ondersteunde in zijn opleiding. Na de Protestantse omwenteling keerde Aemelius terug naar Oudewater, maar overleed helaas al in 1573.
Zijn opvolgers, Hugo Dirksz. (1574) en Johannes Vitriarius (ook wel Johannes Gelasias genaamd, 1575), dienden de gemeente slechts kortstondig. Op 7 augustus 1575 werd Oudewater ingenomen door de Spanjaarden, wat leidde tot een periode van grote wreedheid en verwoesting. Het aantal slachtoffers liep op tot wel 900 Ã 1500, een aanzienlijk deel van de toenmalige bevolking van 1800 tot 2000 inwoners.
De Verschrikkingen van de Spaanse Invasie
De kroniek van Arnoldus van Duyn, "Oudewaters moord" (1669), beschrijft de gruweldaden die de Spanjaarden begingen: 'Vrouwen en Dochters, zyn van dit snoodste gespuys mishandeld, en daer na de Mannen opgehangen. Zommige tot hutspot gehakt en gevierendeeld. Anderen wederom de Neus en Ooren afgesneden. De Hoofden doorgeklooft. Zommige hebbense met priemen in ât Lichaem geprikkelt. Andere hebbense zoo haestig overvallen, datse op haere ernstige begeerte en smekingen, haer evenwel geen tijdt noch respijt hebben willen gunnen, datse me een kort Gebedt hare Zielen in de hand van haeren Hemelschen Vader beveelen konden. Zommige hebbense in stoelen gebonden, en groote Vuuren gestookt, en haer dan langzamerhand gepijnigt en verbrandt.'
De moeder, zusters en broer van Jacob Arminius behoorden ook tot de slachtoffers. Arminius zelf ontkwam aan het geweld omdat hij als zestienjarige theologiestudent in Marburg verbleef.
Ds. Vitriarius werd op 9 augustus opgehangen. Zijn marteldood, beschreven in het Martelarenboek, is een aangrijpend relaas van verraad en standvastigheid. Ondanks de dreiging en de executie van zijn zoon, weigerde hij zijn geloof te verloochenen en werd hij als ketter uitgescholden. Pas anderhalf jaar later, toen de stad weer onder het bestuur van de prins van Oranje kwam, werd zijn lichaam van de galg gehaald. De heer Van Swieten beschreef het als een wonder Gods dat het lijk ongeschonden was gebleven.

De Kerk en haar Predikanten door de Eeuwen Heen
De kansel waaronder de martelaar Vitriarius begraven werd, is sindsdien meerdere malen vervangen. De huidige kansel, daterend uit de zeventiende eeuw, diende tot 1960 in de Nieuwkerk te Dordrecht. Na de sluiting van die kerk verhuisde de kansel naar Oudewater, waar deze na de restauratie van 1960-1968 zijn huidige plaats kreeg.
Op deze kansel stonden in het verleden bekende predikanten zoals Jacobus Borstius, Johannes dâ Outrein en Johannes Barueth. Later beklom de coccejaanse dichter-dominee Rutger Schutte deze kansel, die zich ook inzette voor het zingen van gezangen in de kerk. Ook de latere professor J. Severijn diende als predikant vanuit deze kansel.
Ondanks de geringe omvang van Oudewater, kreeg de gemeente in 1578 reeds een tweede predikantsplaats. Tussen 1648 en 1721 waren er zelfs drie predikanten verbonden aan de gemeente.
De Tijd van Remonstranten en Contraremonstranten
De spanningen tussen remonstranten en contraremonstranten lieten ook Oudewater niet onberoerd. In deze periode dienden Johannes Lydius (1602-1643) en Lieven Jansz. de Raedt (1608-1617) de gemeente. Lydius, een broer van de Dordtse Balthasar Lydius, stond bekend om zijn rechtzinnigheid. Hoewel hij aanvankelijk bekende nog nooit een catechismuspreek te hebben gehouden, haalde hij dit in na zijn komst in Oudewater. Naast zijn ambtelijke werk vertaalde hij preken van Heinrich Bullinger en overwoog hij een werk tegen de remonstrantse leider Uytenbogaert te schrijven.
Zijn collega, Lieven de Raedt, was daarentegen remonstrantsgezind, wat leidde tot menige botsing, niet alleen tussen de predikanten, maar ook tussen Lydius en de remonstrantse kerkenraadsleden en burgemeester Van Galen.
In 1617 werd Lydius geschorst omdat hij een avondmaalsbediening had gehouden met gemeenteleden die zich wensten af te scheiden van de remonstrantse predikanten. Ondanks toestemming van prins Maurits om zijn dienstwerk te hervatten, ondervond Lydius tegenwerking. Na het vertrek van Lieven de Raedt werden de diensten waargenomen door remonstrantse predikanten uit de classis, zoals Eduard Poppius uit Gouda.
De situatie escaleerde op 29 december 1617, toen honderden gemeenteleden een brief richtten aan de magistraat met het verzoek om de vacature te laten vervullen door hun eigen predikant. De magistraat luisterde hier niet naar, en toen Poppius de dienst zou leiden, nam Lydius de kansel in. Dit leidde tot een confrontatie, waarbij veel gemeenteleden de kerk verlieten. Vanwege de handtastelijkheden op straat werd besloten om tijdens de preken van Lydius een sterke wacht te plaatsen bij de kerk.
Na de komst van een nieuwe magistraat, die Lydius steunde, en de afzetting van de remonstrantse predikanten op last van de Dordtse synode, keerde de rust weer in Oudewater. Lydius' tweede periode van bediening verliep aanzienlijk soepeler. Zijn weigering in 1621 om een beroep naar Gorcum aan te nemen, getuigt van zijn gehechtheid aan de gemeente van Oudewater, die hij niet wilde scheuren.

De Kerk in Hekendorp en de Afscheiding
In het midden van de negentiende eeuw ontstond de behoefte aan een kerkgebouw in Hekendorp, dat kerkelijk onder Oudewater viel. Ds. G. Steenhof, die de gemeente diende van 1826 tot 1864, gaf hieraan gehoor met de woorden: 'Er zal in Hekendorp eene kerk komen, al moet ik die uit eigen zak bouwen'. Mede dankzij de weduwe van schoolmeester Zijp, die de nood van Hekendorp onder de aandacht bracht, werd dit plan gerealiseerd. Op 22 maart 1846 werd de kerk ingewijd met een preek over Genesis 22:14b: 'De Heere zal het voorzien'. Op de voorgevel werd de inscriptie 'God is liefde' aangebracht.
De Afscheiding in 1834 had in Oudewater geen grote impact, maar vanaf 1835 braken er wel individuele leden met de Hervormde Kerk. Bij de volkstelling van 1846 waren er 1000 Hervormden, 970 rooms-katholieken en 50 Afgescheidenen. Deze laatste groep kerkte aanvankelijk in het geheim in woonhuizen in de omgeving, omdat grote samenkomsten zonder toestemming van de koning niet waren toegestaan.
Nadat er een breuk ontstond binnen de Afgescheidenen in de classis Oudewater, vormde zich in Oudewater een gemeente rondom ds. L.G.C. Ledeboer. Later nam de gemeente intrek in het kerkgebouw aan het Rodezand 26, waarvan de eerste steen in 1861 was gelegd.
In 1930 werd een Gereformeerde Gemeente opgericht, die het kerkgebouw van de Ledeboerianen kocht. Deze gemeente, die nooit groot werd, hield haar laatste dienst op 29 oktober 2000 en voegde zich bij de gemeente van Stolwijk.
De Protestantse Gemeente Oudewater: Fusie en Toekomst
Op 9 oktober 2005 ontstond de Protestantse Gemeente in Oudewater (PGO) uit een fusie van de Gereformeerde Kerk van Oudewater en de Hervormde deelgemeente âDe Biezenâ te Oudewater. De PGO profileert zich als een gastvrije gemeenschap, geïnspireerd door het Woord van God, en is aangesloten bij Stichting Wijdekerk, een initiatief dat staat voor acceptatie van LHBT+-personen binnen de kerk.
De kerk in Hekendorp, die in 1846 werd ingewijd, speelde een belangrijke rol voor de gemeenteleden die ver van Oudewater woonden. Ondanks aanvankelijke weerstand van de kerkenraad van Oudewater, werd de bouw van een eigen kerkje toegestaan. De zinsnede 'en hun nakomelingen' werd uiteindelijk achterwege gelaten na protest van Hekendorpers.
De Nederlandse Hervormde Gemeente van Oudewater kende na 1880 een moeizame periode van beroepingswerk. Meer dan zeventig beroepen werden uitgebracht, maar telkens volgde een bedankje. De gemeente zocht naar een rechtzinnige predikant, wat uiteindelijk leidde tot de komst van ds. W.F.A. Winckel in 1886.
De Doleantie in Oudewater
De komst van ds. Winckel bracht nieuwe uitdagingen met zich mee. De spanningen tussen de hervormde synodale organisatie en de opkomende Doleantie, onder leiding van dr. A. Kuyper, speelden ook in Oudewater een rol. Ds. Winckel weigerde vrijzinnige leden van de Protestantenbond als belijdend lid van de Hervormde Gemeente in te schrijven, wat leidde tot zijn schorsing door het classicaal bestuur van Gouda.
De kerkenraad van Oudewater besloot daarop de band met het synodaal bestuur te verbreken, maar niet met de Ned. Herv. Kerk zelf. De schorsing van ds. Winckel werd onrechtvaardig verklaard. Uiteindelijk werd ds. Winckel afgezet omdat hij een kerkenraadsvergadering met gebed had geopend, wat volgens het Algemeen Reglement verboden was.
De Dolerende kerkgemeenschap, die zich als eigenaar van alle kerkelijke goederen beschouwde, kerkte aanvankelijk in de christelijke school. In 1889 werd de eerste steen gelegd voor een eigen kerk aan de Rootstraat, die op 26 januari 1890 in gebruik werd genomen. De gemeente breidde zich langzaam uit en werd in 1925 verbouwd.

Architectuur en Restauratie
De Sint-Michaëlskerk, ook wel bekend als de Grote Kerk, is een rijksmonument met een rijke bouwgeschiedenis. De huidige vorm is het resultaat van eeuwenlange aanpassingen en uitbreidingen. De toren, gebouwd omstreeks 1300, deed oorspronkelijk dienst als vestingwerk en is door de eeuwen heen herhaaldelijk gerestaureerd.
Opvallend is het zadeldak van de toren, een uniek kenmerk dat de kerk onderscheidt. De bouw van de kerk begon vermoedelijk omstreeks 1300, waarbij de toren met zijn voeten in de stadswal heeft gestaan. De geledingen van de toren wijzen hierop. De toren heeft de belegeringen van 1349 en 1575 doorstaan.
De kerk zelf onderging verschillende verbouwingen. Zo werd rond 1500 de Noorderkapel gebouwd en in 1575, na de verwoesting, de kerk hersteld met de preekstoel als centraal element. De middeleeuwse kerk was oorspronkelijk gebouwd voor de R.K. eredienst, met altaren in het koor en de zijschepen. Na de Reformatie werd de kerk omgevormd tot een plek voor de gereformeerde eredienst, met Gods Woord in het middelpunt.
In de periode 1960-1967 vond een ingrijpende restauratie plaats, waarbij het kerkgebouw in zijn oude glorie werd hersteld. De toren werd in 1954-1956 gerestaureerd, waarbij alle middeleeuwse onderdelen met respect werden hersteld. In 1950 werd een nieuw gegoten carillon aangeschaft, dat later werd uitgebreid tot 49 klokken.
Het carillon, dat sinds 1950 in de dakkapel aan de stadszijde van de toren is geplaatst, zorgt voor harmonieuze klanken die ieder kwartier te horen zijn. Latere aanpassingen aan het 'nieuwe' klokkenspel volgden in 1964-1965 en 1997.