Iemand die leeft naar het celibaat, leeft celibatair. Dit betekent niet alleen dat men ongehuwd door het leven gaat, maar ook dat men leeft zonder seksualiteit. De oorsprong van het celibaat ligt bij Jezus zelf, die door zijn celibataire leven een voorbeeld gaf van onverdeeld kiezen voor de liefde en dienst aan God.
Zoals te lezen valt in de brieven van de apostelen, met name in de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs 7:8-9, moedigde de apostel Paulus de celibataire levenshouding onder mannelijke gelovigen aan, ter wille van God, en om zich geheel te kunnen richten op het prediken van Christus en Zijn kruisdood. Tegelijkertijd begreep hij dat niet elke gelovige man het aankon zonder vrouw te leven. De apostel Paulus verzucht het al in zijn eerste brief aan de Korintiërs: “Ik zou willen dat gij zonder zorgen waart. Wie niet getrouwd is, heeft zorg voor de zaak des Heren, hoe hij de Heer kan behagen. Maar de getrouwde heeft zorg voor aardse zaken en wil zijn vrouw behagen, en zijn aandacht is verdeeld... Dit alles zeg ik tot uw eigen bestwil, niet om uw vrijheid aan banden te leggen: het gaat mij alleen om de eerbaarheid en een onverdeelde toewijding aan de Heer” (1Kor. 7, 32-35).
Christus zelf spreekt met lof over degenen “die zichzelf onhuwbaar hebben gemaakt omwille van het Rijk der Hemelen” (Mt. 19, 12) en zegt tot de apostelen die alles hebben verlaten om Hem te volgen: “Ieder die zijn huis, broers of zusters, vader of moeder, vrouw, kinderen of akkers heeft prijsgegeven om mijn Naam, zal het honderdvoudig terugkrijgen en eeuwig leven ontvangen” (Mt. 19, 29; Lc. 18, 28-30; Mc. 10, 29-30).
Historische Ontwikkeling van het Celibaat
Hoewel Jezus zelf ongehuwd was, was het celibaat niet vanaf het begin een verplichting binnen de Kerk. Vanaf het begin van de Kerk ging de voorkeur uit naar ongetrouwde priesters, ook al was het toen nog niet verplicht. Petrus, een discipel van Jezus van Nazareth, wordt vaak beschouwd als de eerste paus. Hij was ‘gewoon’ getrouwd.
Op het Concilie van Elvira (306) werden hogere geestelijken, zoals de paus, dekens en bisschoppen, verplicht tot onthouding, maar nog niet tot een volledig celibaat. Al op het Concilie van Nicea (325), bijeengeroepen door keizer Constantijn de Grote, had het onderwerp celibaat op de kerkelijke agenda gestaan, met als doel om deze in te voeren voor bisschoppen en priesters. Maar ook hier werd geen officiële regel ingesteld. Het celibaat werd overgelaten aan ieders goeddunken.
De vereiste van het celibaat werd voor het eerst als wetgeving vermeld in de Synode van Elvira in 306 (canon 33). Verschillende concilies in het Westen hebben deze wetgeving overgenomen. Onder paus Leo I (440-461) en paus Gregorius de Grote (590-604) werd de celibaatsplicht geïntroduceerd, nu ook voor subdiakens. Andere bronnen vermelden Paus Marcellus I (? - 309) als de eerste wetgever van het celibaat voor de wereldwijde Kerk.
Op de rooms-katholieke synode in Mainz maakte paus Gregorius VII in 1075 bekend dat hij het celibaat instelde voor priesters en ook voor lagere geestelijken als diakens. Zij mochten niet huwen en moesten zich dus ook onthouden van seksuele handelingen. Was een priester al getrouwd volgens de kerkregels, dan gold een uitzondering. Toen aartsbisschop Siegfried deze boodschap in 1075 namens de paus afkondigde op de synode in Mainz, ontstond er een hoop tumult en werd hij uit zijn stoel gesleept door kwade geestelijken. Het celibaat was nu wel als disciplinaire regel ingevoerd, maar het werd pas echt opgelegd tijdens het Eerste Lateraanse Concilie in 1123, tevens voor gewone priesters. In dat jaar werd het celibaat een kerkelijke wet voor alle katholieke geestelijken.
De bisschop Augustinus van Hippo (354-430) schreef in zijn werk Confessiones (Bekentenissen) al over seks, dat hij als ‘vuil’ betitelde en zondig noemde. Deze gedachte ontleende Augustinus overigens niet uit de Bijbel, maar was afkomstig uit het neoplatonisme, de opleving van het gedachtegoed van de Griekse filosoof Plato vanaf de derde eeuw. In zijn denken was een kuis en ascetisch leven een belangrijk ideaal.
Mede onder invloed van de Renaissance, die tot een hernieuwde aandacht voor de individuele mens en het lichaam leidde, ontstond er scherpe kritiek op het celibaat. Met name vanuit het protestantisme en humanisme. Het celibaat is sindsdien blijven bestaan in de Rooms-Katholieke Kerk.
De instelling van het celibaat was overigens weinig effectief. Van de twaalfde eeuw tot het Concilie van Trente, halverwege de zestiende eeuw, hadden veel bisschoppen en pausen vrijelijk relaties met vrouwen. Dit leidde regelmatig tot buitenechtelijke kinderen. Deze praktijk was al gangbaar sinds de vroege Middeleeuwen. Tal van pausen uit de vijfde en zesde eeuw waren erkende kinderen van geestelijken, zowel van bisschoppen en pausen. In de vijftiende eeuw werd de katholieke kerk geleid door pausen die uit relaties met maîtresses diverse kinderen hadden (Innocentius VIII (1484-1492) en Alexander VI (1492-1503)). Ook de paus die het kerkelijk Concilie van Trente (1545-1563) startte, Paulus III (1534-1549), was vader van vier kinderen; de paus die het voortzette maar later weer schorste, Julius III (1550-1555), onderhield openlijk homoseksuele betrekkingen. Bij de afronding van het Concilie van Trente onder paus Pius IV (1559-1565), waarbij het doel voorop stond een einde te maken aan de misstanden in de katholieke kerk, is andermaal besloten dat geestelijken het celibaat moeten respecteren.
In de twintigste eeuw zijn er slechts minimale veranderingen in het ‘celibaatsbeleid’ van de Rooms-Katholieke Kerk doorgevoerd. Het Tweede Vaticaans Concilie gaf in 1965 ruimte aan gehuwde mannen om tot diaken gewijd te worden. En, waren ze weduwnaar, dan konden diakenen ook na hun huwelijk nog gewijd worden. Maar de Rooms-Katholieke Kerk wilde het celibaat niet afschaffen.
Het celibaat wordt ook begrepen als een teken van solidariteit met alleenstaanden en als verwijzing naar Jezus, die volgens de katholieke traditie celibatair geleefd heeft.
Theologische en Pastorale Betekenis van het Celibaat
De Katholieke Kerk ziet het celibaat als een onderdeel van de roeping voor het priesterschap, met name in de westerse of Latijnse ritus, en voor intrede in een kloosterorde. Het idee is dat, doordat een persoon zich niet aan een aardse persoon bindt, een dichtere binding en een betere wijding van het leven aan God kan worden bereikt. Door het celibaat wordt de priester op een nieuwe en uitstekende wijze aan Christus toegewijd. Zowel Lumen gentium als Presbyterorum ordinis vermelden dat de priesters door het celibaat Christus gemakkelijker met een onverdeeld hart kunnen aanhangen en zich vrijer kunnen wijden aan de dienst van God en de mensen. Door het celibaat maakt de priester zich er meer geschikt voor het geestelijk vaderschap in Christus in ruimere mate te ontvangen. Hij belijdt erdoor dat hij zijn leven uitsluitend in dienst wil stellen van de zending die aan hem is toevertrouwd om de gelovigen “te verloven met één man en hen als een kuise maagd aan Christus te geven en zo roepen zij [de priesters] dat geheimvolle huwelijk op dat door God is gesticht en in de toekomst ten volle moet worden geopenbaard, waardoor de Kerk Christus als enige Bruidegom heeft” (PO 16,2).
Het celibaat omwille van het rijk der hemelen (Mt. 19,12) is een gave van Jezus Christus aan Zijn Kerk. Omdat het geleefd wordt voor het rijk der hemelen, is het nauw verbonden met de andere evangelische deugden van armoede en gehoorzaamheid. Deze drie deugden, overeenkomstig de evangelische raden, die met elkaar verbonden zijn en complementair, zijn de uitdrukking van een bestaan dat helemaal ingevoegd is in het evangelie. De priesterlijke levenswijze vraagt om een bijzondere liefde, namelijk de pastorale liefde waarmee de priester zich erop richt heel zijn leven te geven voor het heil en de verlossing van de mensen. Het celibaat heeft deze positieve betekenis van volledige beschikbaarheid voor het priesterlijk dienstwerk en het is een vorm van toewijding aan God met een onverdeeld hart: vrij-zijn voor het rijk der hemelen.
Het celibaat heeft waarde als teken en getuigenis van de liefde van de priester voor het rijk der hemelen. Tegelijk is het celibaat een deelname aan de kenosis, de ontlediging van Christus zelf. Dat de priester alles verlaat en heel zijn leven aan Christus geeft, zoals de apostelen dat deden (Mc. 1, 16-20), is een teken dat ook voor de mensen van onze tijd Christus verkondigt, mits die priester het celibaat leeft in een evangelische geest van gebed, waakzaamheid, armoede, blijdschap, afkeer van eerbewijzen, broederlijke liefde.
Juist het celibaat brengt tot uitdrukking dat de priester zijn hele leven geeft. Hij mag en kan het celibaat dus niet als iets negatiefs beschouwen: “Je mag niet trouwen”. Kan een priester het celibaat wel beleven in onze dagen? Zeker is dat hij dit niet uit zichzelf kan. Op de eerste plaats is het daarom nodig Gods genade te vragen om celibatair te kunnen leven.
Het celibaat in de Katholieke Kerk wordt beschouwd als:
- Een teken van de toekomstige wereld die in geloof en liefde al tegenwoordig is.
- Een uiting van liefdevolle zelfgave, een teken en stimulans van de liefde (signum et stimulus caritatis).
- Een deelname aan de ontlediging van Christus zelf.
- Een middel om gemakkelijker met een onverdeeld hart aan Christus te hechten en zich vrijer te wijden aan de dienst van God en de mensen.
- Een vorm van geestelijk vaderschap.
De apostel Paulus schrijft aan de hele geloofsgemeenschap van Korinte, met name over het belang van het leven zonder aardse zorgen om zich volledig op God te kunnen richten. Deze woorden hebben voor de priester, die zijn hele leven aan de dienst van Christus en Zijn Kerk wijdt, een bijzondere betekenis.
Praktische en Sociale Aspecten van het Celibaat
Naast bovennatuurlijke redenen zijn er ook verschillende praktische redenen voor het celibaat. Zo voorkomt het celibaat het ontstaan van priesterfamilies, waarin het priesterschap en kerkelijk bezit, van vader op zoon wordt overgedragen. Een celibataire priester is daarmee ook (geografisch) flexibeler in de loop van zijn gewijd leven.
Een van de redenen is de mogelijkheid voor de priester, niet gehinderd door familiale beslommeringen, zich volledig te wijden aan de kerkgemeenschap en het offer. Wanneer je bijvoorbeeld een peuter hebt die net heeft ontdekt dat hij met de inhoud van zijn luier ook de kamer kan schilderen en je vrouw is even naar de winkel of op haar werk, kan je onmogelijk alles laten vallen om een gelovige de laatste sacramenten te gaan toedienen. Vanaf het begin van de Kerk ging de voorkeur uit naar ongetrouwde priesters.
Discussie en Huidige Ontwikkelingen
Gedurende de laatste 50 jaar, maar ook daarvoor, is er binnen de Katholieke Kerk steeds discussie en reflectie geweest over het celibaat. Als bezwaar wordt gezien dat mannen op jonge leeftijd tot het celibaat worden gedrongen, terwijl ze de repercussies pas op latere leeftijd ten volle ervaren. In de jaren zestig en zeventig van de 20e eeuw leidde het onvermogen vast te houden aan kuisheidsgelofte tot uittredingen op grote schaal uit het priesterambt.
Sommigen spraken zich uit tegen het celibaat, onder andere omdat het tot een tekort aan priesters zou leiden, anderen bleven het celibaat als een geschenk voor de Kerk en de samenleving beschouwen. In Nederland sprak het Pastoraal Concilie van de Nederlandse Kerkprovincie zich in 1970 expliciet uit tegen het celibaat.
In een interview met La Repubblica zei Paus Franciscus in 2014 in antwoord op de vraag of het celibaat een groeiend probleem wordt in de Rooms-Katholieke Kerk dat het celibaat (ruim) negenhonderd jaar na de dood van Christus is ingesteld en geen dogma is. "Het probleem bestaat zeker, maar is niet zo omvangrijk. Er is tijd nodig, maar er zijn oplossingen en we zullen die vinden."
In januari 2020 kreeg Paus Franciscus kritiek van zijn voorganger Joseph Ratzinger (Paus Benedictus XVI) die een hoofdstuk leverde voor het boek van kardinaal Sarah, waarin hij waarschuwde niet te tornen aan het celibaat.
Tijdens de synode van bisschoppen uit het Zuid-Amerikaanse Amazonegebied eind 2019 werd het voorstel gedaan oudere gehuwde mannen toe te laten tot het priesterambt om het priestertekort het hoofd te bieden. De verwachting was dat Franciscus hier positief op zou reageren. De beslissing kan grote gevolgen hebben voor de Rooms-Katholieke Kerk, ook in Nederland. "Wat hier gebeurt, is heel belangrijk. Er kan een precedent geschapen worden", zegt Vaticaankenner en NOS-correspondent Andrea Vreede. "Als getrouwde mannen met een gezin tot priester gewijd mogen worden in het Amazonegebied, kan dat op den duur ook een oplossing zijn voor bijvoorbeeld Europa. Ook hier is immers een groot tekort aan priesters."
In februari 2022 maakten enkele Duitse bisschoppen, onder wie de aartsbisschop van München-Freising, kardinaal Reinhard Marx, bekend voorstander te zijn van het versoepelen van de regels rond het celibaat van priesters.
Critici van het plan om gehuwde priesters toe te staan zijn er genoeg. Door gehuwde priesters toe te staan zou het celibaat veel aan aantrekkelijkheid verliezen. Celibatair leven is volgens meer traditionele katholieken een teken van heiligheid en van een totale roeping. En komen de kerkgangers nog wel op de eerste plaats als een priester ook een gezin heeft? Pastoor Mennen van het bisdom Den Bosch is geen voorstander. Zelfs de discussie over gehuwde priesters en een einde aan het celibaat noemt hij een slechte ontwikkeling.
"Het celibaat heeft zijn wortels bij de apostelen. Jezus zelf was ook ongehuwd. Zo konden deze mensen zich helemaal inzetten om leiding te geven en een levend teken te zijn van het feit dat het niet alleen om het hier en nu gaat."
Pastoor Los en priester Mennen denken niet dat gehuwde priesters uiteindelijk de oplossing zijn voor het priester-tekort. "Bij de protestanten helpt het ook niet, daar mag men huwen en is er alsnog ook een tekort aan predikanten", zegt Los. "We hebben hier meer een tekort aan gelovigen dan aan priesters."
Het Wetboek van Canoniek recht (1983) legde vast dat priesterstudenten “door een passende opvoeding” moeten worden voorbereid “op het onderhouden van de staat van het celibaat” en zij moeten “leren deze in ere te houden als een bijzondere gave van God” (c. 247 §1); het Wetboek bepaalde vervolgens: “Clerici zijn aan de verplichting gehouden gedurende heel hun leven een volledige onthouding omwille van het rijk der hemelen in acht te nemen en zijn daarom verplicht tot het celibaat, dat een bijzondere gave Gods is ,waardoor immers de gewijde bedienaren zich gemakkelijker met een onverdeeld hart aan Christus kunnen hechten en zich met grotere vrijheid kunnen wijden aan de dienst van God en van de mensen” (c. 277 §1).
Pastores dabo vobis was de vrucht van de synode van 1990 die eenduidig de praktijk bevestigde dat het priesterschap alleen wordt verleend aan mannen “die van God de gave hebben ontvangen van een roeping tot de celibataire kuisheid”, onverlet latend de traditie van sommige Oosterse Kerken en het bijzondere geval van gehuwde geestelijken die zich tot het katholieke geloof bekeren.
Celibaat in Andere Religieuze Tradities
Het celibaat is niet een typische levensregel van het katholieke christendom. Ook in andere religies en samenlevingen kwam en komt dit ideaal voor. De oudst bekende voorbeelden zijn de eunuchen, gecastreerde mannen die rond 2100 v.Chr. in Sumerië leefden. En uit het Romeinse Rijk kenden we de Vestaalse Maagden, die celibatair moesten leven.
In de oosters-katholieke kerken en de orthodoxe kerken geldt sinds de 4e eeuw de regel dat bisschoppen enkel onder celibatairen, uit de monniken gekozen worden. Gehuwde mannen kunnen wel tot diaken of priester gewijd worden. Het priestercelibaat wordt overigens in de oosters-katholieke kerken hoog in ere gehouden. In de oosters-katholieke kerken wordt de pastorale bediening meestal toevertrouwd aan ongehuwde priesters en onderhouden vele priesters in feite de wet van het celibaat, met uitzondering van de Maronieten en de katholieke Armeniërs. In de oosters-katholieke kerken zijn de priesters die er vrijwillig voor gekozen hebben talrijk, vaak voortkomend uit hun contacten met Latijnse geestelijken en Jezuïeten. Alle oosters-katholieke kerken kennen echter minstens enkele gehuwde pastoors en andere (niet-monastieke, niet in religieuze congregatie verblijvende) geestelijken, ook in Oost-Europa waar de Byzantijns-katholieke kerken van oostelijk Slowakije en Oekraïne zelfs de priesteropvolging van vader en zoon kennen.
Zowel in het Oosten als in het Westen leven de monniken een celibatair leven en mag degene, die het wijdingssacrament ontvangen heeft, daarna niet meer trouwen noch (als weduwnaar) hertrouwen. Normaal gesproken zijn in de Orthodoxe Kerk alle monniken celibataire priesters met uitzondering van gehuwde priesters die weduwnaar geworden, of eventueel van hun vrouw gescheiden, zijn. Zij trouwen altijd vóór het ontvangen van de wijding. Vaak ging het priesterschap in de oosterse kerken over van vader op zoon.
Protestanten, Anglicanen en vrij-katholieken eisen van hun geestelijken geen celibaat. Rond 1845 ontstonden er in de Anglicaanse Kerk wel opnieuw kloosterorden.


Documentaire over de volledige geschiedenis van de Rooms-Katholieke Kerk | 33 n.Chr. – heden (volledige chronologie)
tags: #moet #dominee #celibatair #zijn