Historische Context van Het Kerkje
In het jaar 1812 werd de bouw van deze kerk gestart voor de Hervormde Gemeente. Hoewel de architect van het Kerkje niet bekend is, is het wel duidelijk dat het gebouwd is met materiaal afkomstig van de afbraak van de Rooms-Katholieke kerk van Achel. Dit eenvoudige, driezijdig gesloten bakstenen kerkje kenmerkt zich door een klein torentje op het dak en een bakstenen pilastergevel met vlechtingen en spitsbogige blindnissen. Het zadeldak is bedekt met leien.

De geschiedenis van Budel zelf gaat ver terug in de tijd. Al in de pre- en protohistorie verbleven er mensen in deze omgeving. De geschreven geschiedenis begint met vermeldingen van de 'villa Budilio in Texandria', een domein dat eigendom was van de Pepiniden en Karolingen. Door het aannemen van koninklijk gezag werd het 'domein Budel' koningsgoed. De oudste bekende tekst is een oorkonde van Karel de Grote, waarin hij bevestigt dat zijn grootvader Pepijn de Middelste, die stierf in 714, bezittingen te Budel schonk aan de abdij van Chèvremont bij Luik. In 947 werd ook de kerk van Budel aan dit klooster geschonken. Later, in 972, werden de bezittingen van de abdij overgedragen aan het Mariakapittel (Marienstift) van Aken. Deze eigendomssituatie bleef bestaan tot het einde van de 18e eeuw.
Het kapittel van Aken vond Engelbert van Horne, heer van Cranendonck, omstreeks 1245 bereid om voogd te zijn over de kerkelijke goederen in Budel. Vanuit deze positie verwierf Engelbert steeds meer rechten in Budel, waaronder het aanstellen van schout en schepenen. Dit legde de basis voor de toevoeging van Budel aan Cranendonck, twee eeuwen later in 1421. Vanaf dat moment bestond de hoge heerlijkheid (later Baronie) Cranendonck uit de dorpen Maarheeze, Soerendonk, Gastel en Budel. Deze plaatsen waren verenigd in twee schepenbanken: die van Budel en die van Maarheeze-Soerendonk-Gastel, die verantwoordelijk waren voor zowel het bestuur als de rechtspraak.
Na 1648 werd Budel een grensplaats. Aangezien douaneambtenaren protestants moesten zijn, ontstond er een bloeiende hervormde gemeente, de hervormde gemeente van Budel-Gastel, die de grootste was op het platteland van de Meierij van 's-Hertogenbosch. In 1805 werd de kerkelijke gemeente samengevoegd met die van Maarheeze-Soerendonk. Toen de katholieken in 1799 hun kerk terugkregen, bouwden de protestanten een eigen kerk, die in 1812 gereedkwam en nog steeds bestaat.
Evolutie van het Kerkgebruik
In 1973 werd de Hervormde Gemeente Budel toegevoegd aan die van Weert. Vanaf dat moment kwam het kerkgebouw in gebruik van de Duitse Evangelische Kirche, ten behoeve van de 2300 Duitse militairen die sinds 1963 gelegerd waren in de Nassau-Dietzkazerne, die dateert uit 1956. Sinds mei 2014 vangt het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) hier asielzoekers op. De opvanglocatie functioneert als een gemeenschappelijke vreemdelingenlocatie waar ketenpartners zoals COA, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), Koninklijke Marechaussee (KMar) en politie intensief samenwerken.
In 1963 werd de Hervormde Gemeente Budel reeds toegevoegd aan die van Weert, en kwam het gebouw in gebruik van de Duitse Evangelisch-Lutherse Kerk. Na het vertrek van de Duitse legereenheid uit de Nassau-Dietzkazerne stond Het Kerkje leeg. In 2002 werd de stichting Behoud en Beheer Hervormde Kerk Budel opgericht. Deze stichting draagt sindsdien zorg voor Het Kerkje en organiseert er sociale en culturele evenementen.

Culturele en Sociale Functie van Het Kerkje
Nu wordt de kerk gebruikt voor concerten, exposities en lezingen. De kerk bezit een door Claude Demeny vervaardigd eikenhouten kansel met koperen lezenaar uit 1734, een eikenhouten doophek, en een doopbekkenhouder met bekken. Boven op het leien zadeldak bevindt zich een pinakel/torentje met een windvaan, versierd met een gouden engel en bazuin. Links van de toegangsdeur is een oud hoogtemetingspeil van het Normaal Amsterdams Peil (NAP) bewaard gebleven.
Budel: Een Dorp met Een Rijke Geschiedenis
Gem. Budel (Budels: Buul) is een dorp in de gemeente Cranendonck in de Nederlandse provincie Noord-Brabant, gelegen ongeveer 25 km ten zuiden van Eindhoven. Het grenst aan de Belgisch-Limburgse gemeente Hamont-Achel en de Nederlands-Limburgse gemeente Weert. Budel ligt op enkele kilometers van de A2. Lange tijd bevond zich hier een Duitse legerplaats, de Nassau-Dietzkazerne. De naam 'Budel' is mogelijk verwant aan 'bode' en het oudhoogduitse 'butil' (gerechtsdienaar), dan wel aan de woordgroep van 'buidel' (zwellen).
De Teutenhuizen zijn enkele kenmerkende huizen in de dorpskern die gebouwd werden door rondtrekkende handelaren die in het buitenland rijk waren geworden, de zogenaamde teuten. Het betreft de huizen Markt 27 en Nieuwstraat 17. De neogotische katholieke Kerk van Onze-Lieve-Vrouw Visitatie werd gebouwd tussen 1904 en 1912 naar een ontwerp van Caspar Franssen. Voorafgaand aan de bouw werd de oude kerk gesloopt. Enkele 16e-eeuwse gedenkstenen van de oude kerk zijn in de nieuwe kerk ingemetseld. In de kerk bevinden zich enkele monumentale voorwerpen uit de 17e, 18e en 19e eeuw. In de nabijheid van de kerk zijn middeleeuwse waterputten gevonden.
Het 'Schepenhuis' is een oud raadhuis uit 1772, gebouwd naar een ontwerp van de Boxtelse landmeter Hendrik Verhees. Op de zolder zijn hergebruikte balken verwerkt, waarop het jaartal 1616 is ingebeiteld. De benedenverdieping van het gebouw diende oorspronkelijk als overdekte markt voor garens en boter. Na 1966 werd het niet meer als gemeentehuis gebruikt. In 1982 werd het heropend voor nieuwe functies. In het gebouw bevindt zich een heemkamer en worden wisselende exposities georganiseerd.
Windmolen Nooitgedacht is een ronde stenen stellingmolen, een korenmolen uit 1846. Toen de pachter uit de molen moest, bouwde hij een eigen molen, genaamd 'Zeldenrust'. De 'Nooitgedacht' is nog steeds in bedrijf. Windmolen Zeldenrust is een ronde stenen beltmolen uit 1869. In 1900 brandde hij af en werd hij herbouwd. De molenberg is vervangen door een pakhuis.
Os Moen is een bronzen beeldje van een vrouw die een brood snijdt. Het symboliseert de Budelse gemoedelijkheid en gastvrijheid. Het Monument voor Antonius Mathijsen (Budel, 1805 - Hamont, 1878) eert deze militair arts die in 1851 het gipsverband uitvond. Het Geuzendijkmonument staat op de voormalige grens tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en Spaans Gelre, de huidige provinciegrens. Het origineel stamt uit 1952, maar is verplaatst naar winkelcentrum 'De Munt' te Weert. Een replica uit 1984 verbeeldt episoden van het grensleven.
Het Museum Jan Corver gaat over zendamateurisme. Het werd in 1999 geopend en is vernoemd naar Jan Corver, een pionier van het zendamateurisme in Nederland die in 1914 bij minister Cornelis Lely pleitte voor het opheffen van het verbod op een radio-ontvanger. De collectie toont antieke zend- en ontvangsttoestellen en er is een documentatiecentrum aan het museum verbonden.
Uniek, zelfs naar Nederlandse begrippen, is dat Budel nog vijf bijzondere grenspalen bezit. Deze palen, vaak 'douanepalen' genoemd, werden in de zeventiende eeuw geplaatst voor de Admiraliteit van de Maeze, gevestigd te Rotterdam, die in deze zuidelijke streken de in- en uitvoergelden inde. Vier van deze palen zijn nog origineel, één exemplaar is onlangs opnieuw gemaakt. Het vaderland was de Republiek der Verenigde Nederlanden. De palen markeerden de staatsgrens die in 1648 bij de Vrede van Münster ontstond toen de Meierij aan dit gebied werd toegevoegd. Aan deze grens werden diverse 'douanekantoren' gevestigd, waaronder een te Budel.
Vanwege de ligging ten zuiden van de Uerdinger linie (ik/ich) en de betoningslijn wordt het Budels dialect taalkundig ingedeeld bij het Limburgs (preciezer: West-Limburgs). Budel is omringd door een agrarisch gebied. Langs de Buulder Aa ligt een natuurgebied, het Buulderbroek.
De Budelse Brouwerij is een van de weinige nog bestaande onafhankelijke familiebrouwerijen in Noord-Brabant. Ze werd opgericht in 1870 door Gerardus Arts als Brouwerij 'De Hoop'. Een anker in het beeldmerk verwijst nog naar deze benaming. Gerardus was tevens boer, maar wijdde zich omstreeks 1920 volledig aan de brouwerij. Er waren toen drie brouwerijen in Budel, waarvan er uiteindelijk één de Tweede Wereldoorlog overleefde. Deze regionale brouwerij produceert bier onder de merknaam Budels in combinatie met de biersoort, zoals Budels Bock, enzovoort.
De textielindustrie, met Van Winkel Fashions B.V. die altijd in Budel is gebleven, is ook vertegenwoordigd. De Nassau-Dietzkazerne in de Budelerbergen werd gebouwd in 1956 en huisvestte sedert 1963 ongeveer 2300 Duitse militairen, die zorgden voor werkgelegenheid en omzet. Dit contingent werd in 2006 opgeheven.
Sedert 1970 beschikt Budel over een vliegveld, oorspronkelijk onder de naam 'Luchtvaartterrein Budel'. Er kwam een vliegschool en er landden privé-vliegtuigjes. Later ging het 'Kempen Airport' heten. Sinds 1991 bezit het een verharde landingsbaan.
Knooppunt Budel - Nederlands • Great Railways
Kerkelijke Tucht: Een Historisch Perspectief
In het jaar 1541 introduceerde Calvijn in zijn beschouwing over de kerkelijke tucht, in de Institutie, het onderscheid tussen 'verborgen' en 'openbare' zonden. Hoewel hij deze begrippen niet exact definieerde, duidde hij wel aan wat hij bedoelde. Een 'verborgen' zonde is slechts bekend bij een beperkt aantal mensen. Een 'openbare' zonde is 'niet slechts bij één of twee getuigen' bekend, maar bij de hele of vrijwel de hele gemeente. Hoewel hij geen uitputtende opsomming gaf van zonden die tot de laatste categorie behoren, gaf hij wel enkele voorbeelden. Dit onderscheid tussen verborgen en openbare zonden werd in een aantal gevallen overgenomen in de kerkorde van protestantse kerken van het gereformeerde type. Een voorbeeld hiervan is de Dordtse Kerkorde van 1619, waarin dit onderscheid de basis vormde voor de kerkelijke tucht (art. 72-75). Toen deze kerkorde in 1816 werd vervangen door het Algemeen Reglement, keerde dit onderscheid echter niet terug. Zo verdween het uit het kerkrecht en de kerkelijke praktijk van de Nederlandse Hervormde Kerk.
De kerken die voortkwamen uit de Afscheiding (1834) en de Doleantie (1886) grepen echter terug op de aloude Dordtse Kerkorde. De onderscheiding tussen verborgen en openbare zonden is te herleiden op één grondgedachte: de kerk moet ergens een grens trekken. Natuurlijk bestaat de kerk uit zondaars en hoeft de kerk niet op elke overtreding te reageren, maar ze kan ook niet alles laten passeren. Als leden van de kerk ernstige misstappen begaan, brengen ze de hele gemeenschap in diskrediet en ondermijnen ze de gemeenschappelijke moraal. Dan moet de kerkgemeenschap reageren op het gedrag van deze leden om zelf geloofwaardig te blijven. Omdat de kerk echter geen onnodige ophef wil veroorzaken, maakt ze een onderscheid tussen zonden die reeds openlijk besproken worden en zonden die vooralsnog nauwelijks bekend zijn.
Hoe aannemelijk dit ook klinkt, de praktijk is weerbarstiger dan de theorie. Dit is onder andere terug te zien in de commentaren op de gereformeerde kerkorde(n) die in de loop der tijd verschenen zijn. Het commentaar van de Gereformeerdsynodale predikant Jansen, verschenen in 1952, dient hier als voorbeeld. Hij waarschuwt voor de toepassing van tucht: 'Het onderzoek moet in stilte, voorzichtig, bescheiden, waardig en vooral onpartijdig geschieden'. De kerkenraad mag over de beschuldiging 'niet met derden spreken' en 'vooral niet op losse geruchten en vermoedens afgaan'. Het doel van het onderzoek mag nooit zijn om een verborgen zonde aan de overheid bekend te maken, zelfs niet bij 'diefstal, moord of doodslag'. Jansen signaleert verder dat de verklaringen van aanklager en aangeklaagde vaak 'lijnrecht tegen elkaar ingaan', waardoor de kerkenraad genoodzaakt is zijn oordeel op te schorten. Jansen benadrukt het belang van zorgvuldigheid zo sterk, dat de vraag rijst of de tucht dan überhaupt nog wel te handhaven is. De juistheid van de observaties van Jansen werd het afgelopen jaar bevestigd door zaken die speelden in Amersfoort en Kruiningen. Ook buiten de gereformeerde traditie is recent het debat over kerkelijke tucht opnieuw op de agenda gezet door de pleidooien van onder andere Hauerwas en Kennedy. Zij verdedigen de stelling dat een kerk aan geloofwaardigheid wint als ze morele eisen durft te stellen aan haar leden. Ook dan komt de vraag naar de scheiding tussen zonden met of zonder een publiek karakter weer aan de orde.
Het Pontificaat van Innocentius III en Kerkelijke Tucht
Het pontificaat van Innocentius III (1198-1216) was van grote betekenis voor de ontwikkeling van het Christendom in Europa. Kort na zijn aantreden wist Innocentius de macht van de Heilige Stoel zodanig te vergroten dat Rome opnieuw het belangrijkste machtscentrum in Europa werd. Daarna gaf hij het startsein voor een diepgaande hervorming binnen de kerk, met als doel het geestelijk leven op alle niveaus te vernieuwen. Tijdens het Vierde Lateraanse Concilie (1215) liet hij bepalingen goedkeuren die onder andere de persoonlijk biecht invoerden en de rechtsspraak reorganiseerden. Om dit te bereiken gaf Innocentius de bisschoppen de opdracht om de parochies en kloosters die bij elk bisdom hoorden intensiever dan voorheen te visiteren.
Bij deze visitaties moest de bisschop (of zijn vervanger) nagaan of er binnen de parochie ernstige misstanden waren die een scandalum (ergernis, schandaal) hadden veroorzaakt onder de bevolking. Deze peccata publica of crimina publica corresponderen met de 'openbare zonden' uit de latere gereformeerde traditie. Een rondreis van een bisschop was geen sinecure. Bisschop Richard Swinfield van Hereford bezocht in 1290 de parochies van zijn diocees tussen 9 april en 31 mei. Binnen deze 52 dagen legde hij 320 kilometer af. Hij reisde te paard omdat de wegen grotendeels onverhard waren, en hij liet zich begeleiden door 30 ruiters omdat alleen reizen te gevaarlijk was. Tijdens deze reis bezocht hij 41 parochies, wat betekende dat hij gemiddeld minder dan anderhalve dag ergens kon verblijven. De bisschop moest in zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk informatie over de parochie verzamelen. Daartoe riep hij getuigen op, meestal sleutelfiguren binnen de lokale gemeenschap, die hem moesten inlichten over de fama (goede naam) of infamia (slechte naam) van met name de clerus. Van deze verhoren maakte een speciaal aangestelde secretaris verslagen, die later ingezien konden worden om vast te stellen of er verbetering was opgetreden.
Uit één van de bewaard gebleven processen-verbaal blijkt hoe lastig het was om vast te stellen welke fama iemand had. Het gaat om een visitatie van aartsbisschop Walter Giffard van York aan de parochie van Selby in 1275. De heer Walter, kapelaan van de parochie, verklaart onder ede dat Johannes, de broer van de abt, in opspraak is (diffamatus est). Thomas, een kapelaan, wordt onder ede gehoord. David ad Aulam, leek, verklaart onder ede dat de abt in opspraak is, omdat hij vrouwen onderhoudt in de hoeves van de abdij en in het dorp Selby. Het proces-verbaal wordt hier abrupt afgebroken. De abt blijft in functie, maar de geruchten over wangedrag blijven de ronde doen.
Wanneer aartsbisschop William Wickwane, de opvolger van Giffard, in 1280 opnieuw Selby visiteert, wordt hij overstelpt met klachten over de abt. Uit het proces-verbaal blijkt hoe moeilijk het voor een bisschop is om vast te stellen of er sprake is van peccata publica (openbare zonden) waartegen hij kan optreden. Wat betreft het gedrag van de abt, staken de stemmen. Vier getuigen verklaren van niets te weten; vier anderen hebben kwade geruchten gehoord, maar kunnen geen namen noemen; slechts één getuige meent te weten om welke vrouw het gaat. Het is niet verwonderlijk dat de aartsbisschop op grond van deze stemverhouding niet tot actie kan overgaan. Tucht handhaven blijkt dus moeilijk, zolang de kerk niet over een goed uitgerust apparaat beschikt om de waarheid vast te stellen.
Daar komt een ander dilemma bij: de kerk heeft niet alleen als taak om de discipline te handhaven, maar ook om zondaren te begeleiden op de weg van inkeer, boete en vergeving. In veel gevallen staat de eerste, disciplinerende opdracht, op gespannen voet met de tweede, pastorale. Het Vierde Lateraanse Concilie probeerde deze twee opdrachten duidelijker van elkaar te scheiden door de kerkelijke rechtspraak te onderscheiden van de persoonlijke biecht. Het Vierde Lateraanse Concilie verklaarde de biecht tot een algemene plicht in de beroemde 21e canon omnis utriusque sexus fidelis (iedere gelovige, man of vrouw). Vanaf deze tijd moest iedere gelovige ten minste eenmaal per jaar en bij voorkeur vóór Pasen persoonlijk alle zonden biechten bij de eigen priester. Deze persoonlijke biecht werd omgeven met de meest strikte geheimhoudingsplicht (het biechtgeheim). Priesters die het geheim schenden, worden in de canon bedreigd met ontzetting uit hun ambt (a sacerdotali officio deponendum).
Bij de biecht gaat het om de occulta cordis (de verborgenheden van het hart), geheime zonden en zwakheden die afgeschermd moeten worden tegen de onbeschaamde blikken van buitenstaanders. Voor het eerlijk belijden van verborgen zonden tijdens de biecht is geheimhouding dus essentieel. Niet alle zonden beperken zich echter tot de 'verborgenheden van het hart', want sommige zonden komen opzettelijk of onopzettelijk in de volle openbaarheid. In dat geval moet de kerk wel reageren, want sommige zonden 'kan de kerk niet zonder schandaal negeren of zonder gevaar dulden' (sine scandalo dissimulari non possit vel sine periculo tolerari).
Vanaf het Vierde Lateraans Concilie neemt de kerk het feit dat een zonde in de openbaarheid is gekomen als uitgangspunt voor het in gang zetten van een procedure voor het forum externum, de kerkelijke rechtbank. Welk criterium gebruikt kan worden om de grens aan te geven tussen 'verborgen' en 'openbare' zonden? Om deze grens te markeren wordt vanaf het begin van de 13e eeuw het begrip fama verheven tot juridische terminus technicus. Vanaf deze tijd is het enkele feit dat er rond een bepaalde persoon een mala fama (kwaad gerucht) bestaat voor een rechter voldoende reden om een formeel juridisch onderzoek (inquisitio) te starten. Uiteraard moet de rechter daarbij niet afgaan op kwaadwillende of kwaadsprekende getuigen, maar alleen op betrouwbare en eerlijke mensen (non quidem a malevolis et maledicis, sed a providis et honestis).
De toepassing van het begrip fama was vanaf het begin omgeven door allerlei problemen en onduidelijkheden. Zoals de casus rond de abt van Selby al liet zien, leverde het horen van getuigen in veel gevallen geen eenduidig beeld op. Daarnaast bestond het reële gevaar dat haatdragende personen opzettelijk valse geruchten in omloop brachten om iemand in diskrediet te brengen. Om zichzelf te verweren kon de beschuldigde voor de rechtbank een eed van onschuld (purgatio) afleggen. Daarin stond hij (zij) nog sterker, als hij een aantal bekenden wist te vinden om zijn eed te ondersteunen (compurgatio). Zodra hij zijn naam op deze manier van alle blaam gezuiverd had, kon hij bovendien een proces wegens smaad (diffamatio) aanspannen tegen degenen die hem beschuldigd hadden. In de latere Middeleeuwen hadden de kerkelijke rechtbanken in Engeland de handen vol aan het afhandelen van zulke smaadprocessen. Vaak ging het daarbij om beschuldigingen van overspel, waarbij de bewijsvoering gezien de aard van het delict vrijwel altijd een probleem was. Dit alles leidde overigens tot een sterke juridisering van het kerkelijke leven. Deze tendens werd ook zichtbaar in de biechtpraktijk, die steeds meer een formeel karakter kreeg. De oorspronkelijke bedoeling van Innocentius III, het bevorderen van het geestelijke leven in de kerk, verdween steeds meer uit het zicht. De Reformatie van de 16e eeuw kan gezien worden als een hernieuwde poging om de kerk te bepalen bij haar oorspronkelijke roeping.
De Kerkenraad van Genève en Calvijn
De kerkenraad van Genève onder leiding van Calvijn (1541-1564) heeft op het Reformatorische erf ongetwijfeld de meest gedecideerde poging ondernomen om de kerkelijke tucht in de praktijk gestalte te geven. De kerkenraad van Genève en Calvijn wilden vanaf 1541 meer grip krijgen op het in hun ogen vaak losbandige en zondige leven van de inwoners van de stad. In praktische zin probeerden zij dit doel te bereiken via het Consistoire, een bestuurlijk lichaam dat resorteerde onder de burgerlijke overheid, maar waarin predikanten onder leiding van Calvijn grote invloed uitoefenden. Tijdens de zittingen van het Consistoire werden aantekeningen gemaakt door een speciaal daartoe aangestelde secretaris. Deze aantekeningen zijn bewaard gebleven en intussen gedeeltelijk toegankelijk gemaakt voor onderzoek. Deze verslagen geven een fascinerend inzicht in het kerkelijke leven in een vroegmoderne Europese stad als Genève.
Zoals op grond van de middeleeuwse jurisprudentie te verwachten viel, was vooral het vaststellen van de juiste feiten en de toedracht vaak een probleem. Een voorbeeld hiervan is de zaak van Jeanne, een dienstmeisje dat in mei 1546 werd opgeroepen om te getuigen in een zaak rond haar meesteres, die beschuldigd werd van overspel. Jeanne moest vertellen wat ze ervan wist. Familieleden en vrienden van haar meesteres waren reeds opgeroepen, maar zij wilden of konden de geruchten over overspel niet bevestigen. Veel hing dus af van het getuigenis van Jeanne. Tijdens de ondervraging gaf ze aanvankelijk ontwijkende antwoorden aan het Consistoire, maar uiteindelijk gaf ze toe dat zowel haar meesteres als de minnaar van haar meesteres haar onder druk hadden gezet om te liegen. Vervolgens verstrekte ze het Consistoire verschillende details die de geruchten bevestigden. Aan dit voorbeeld is te zien hoe moeilijk het was om in de praktijk vast te stellen of er sprake is van een openbare zonde. Als de direct betrokkenen ervoor kozen de feiten te verzwijgen, lag manipulatie van afhankelijke getuigen (zoals dienstmeisjes) op de loer.
Structurele Problemen bij Handhaving van Tucht
Op grond van het historisch overzicht kunnen we concluderen dat handhaving van de tucht de kerk voor twee structurele problemen plaatst: (1) de waarheidsvinding, omdat de kerk geen eigen opsporingsapparaat heeft; (2) het bepalen van de grens tussen de pastorale en disciplinerende opdracht van de kerk. Deze observaties zijn ook van toepassing op twee recente zaken in Amersfoort en Kruiningen.
In het najaar van 2016 maakte de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) van Amersfoort-Oost bekend dat een kerklid van deze gemeente in 1986 twaalf of mogelijk zelfs zestien minderjarige jongens zou hebben misbruikt. De toenmalige predikant en enkele ambtsdragers zouden hiervan geweten hebben, maar de zaak verzwegen hebben. In 2016 werd de geheel vernieuwde kerkenraad daarover via een tip op de hoogte gesteld. Deze stelde een onderzoekscommissie in die na enkele maanden vaststelde dat in drie gevallen sprake was geweest van misbruik. De toenmalige predikant was door de dader zelf indertijd op de hoogte gesteld van twee daarvan. Volgens de commissie had hij daarop adequaat gereageerd 'binnen de toenmalige kerkordelijke kaders'. Hij had de bekentenis van de dader afgehandeld als een 'verborgen zonde'. Daarom had hij de misstap niet gemeld aan de voltallige kerkenraad en evenmin aangifte gedaan. Hij had wel pastorale hulp aangeboden en verleend aan de slachtoffers.

tags: #budel #evangelische #gemeente