Een archieftoegang biedt uitgebreide informatie over een specifiek archief en bestaat doorgaans uit de volgende onderdelen: de kenmerken van het archief, een inleiding op het archief, de inventaris of plaatsingslijst, en eventuele bijlagen. De kenmerken omvatten onder meer de omvang, vindplaats, beschikbaarheid en openbaarheid. De inleiding bevat interessante historische informatie over het archief, de achtergronden van de archiefvormer, en kan tevens aanwijzingen voor het gebruik bevatten. De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch gestructureerd overzicht van beschreven archiefstukken, waarbij de beschrijvingen formeel en globaal zijn. Het lezen en begrijpen van een inventaris vereist enige oefening en ervaring. Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd, waarbij rubrieken op een hoger niveau ook voldoen aan een zoekvraag op een lager niveau.

DTB-registers: Dopen, Trouwen en Begraven
Tijdens het Concilie van Trente (1545-1563) besloot de Rooms-Katholieke Kerk dat alle dopen, huwelijken en begrafenissen geregistreerd moesten worden. Kort daarna begonnen ook de protestantse kerken met het bijhouden van DTB-registers (Doop-, Trouw- en Begraafregisters). Voor genealogisch onderzoek zijn met name de doopregisters van grote waarde, omdat deze de mogelijkheid bieden om meerdere generaties van een familie aan elkaar te koppelen. In een doopinschrijving worden immers de namen van de dopeling en beide ouders vermeld. Trouw- en begraafregisters vermelden ouders daarentegen bijna nooit.
Het terugvinden van de juiste personen kan ondanks de vermelding van ouders soms lastig zijn. Familianamen werden niet altijd vermeld, terwijl ze wel door de betreffende voorouders werden gebruikt. Het is belangrijk te beseffen dat een doopdatum niet altijd gelijk is aan de geboortedatum. Binnen de Rooms-Katholieke Kerk werd een kind doorgaans kort na de geboorte gedoopt (binnen één of twee dagen). In de protestantse kerk vond de doop wat later plaats, meestal binnen enkele weken na de geboorte. De doopsgezinde kerk kent de volwassendoop.
Bij huwelijken werd soms niet de datum van voltrekking vastgelegd, maar de aankondiging van het huwelijk. Voorafgaand aan een huwelijk werden de trouwplannen in de kerk aangekondigd, zodat bezwaar gemaakt kon worden. De data in begraafboeken betreffen geen overlijdensdata, maar begraafdata. Begravingen werden niet geregistreerd om sterfgevallen vast te leggen, maar om begraafrechten te registreren, zoals inkomsten uit het verhuren van lijkwaden, de baar en het baarkleed, en voor het luiden van de klokken. Een exacte sterfdatum moet in andere bronnen worden gezocht, zoals documenten over de verdeling van een erfenis of lidmatenregisters.

Bewaring en Ontsluiting van DTB-registers
De kerkelijke bevolkingsregistratie is niet volledig bewaard gebleven. De oudste DTB-registers dateren uit de tweede helft van de zestiende eeuw, maar voor de meeste plaatsen beginnen ze in de loop van de zeventiende of achttiende eeuw. Helaas zijn nog niet alle DTB-registers op naam ontsloten en digitaal doorzoekbaar.
Doopregisters
Doopregisters zijn registers van een kerkgenootschap waarin alle dopen werden geregistreerd. Voorschriften voor het bijhouden van doopregisters werden vastgesteld tijdens het Concilie van Trente (1545-1563). Het oudste doopregister van Amsterdam dateert van 1564, een jaar na het concilie, en is een doopboek van de Oude Kerk.
Burgerlijke Stand en Kerkenregisters
Toen Nederland in 1810 opging in het Franse Keizerrijk, werd de burgerlijke stand ingevoerd, een bevolkingsregistratie naar Frans model. De kerken werden in 1811 verplicht hun doop-, trouw- en begraafregisters in te leveren bij de burgerlijke stand. Na 1811 werd het verplicht bij de burgerlijke stand een kopie van de geboorteakte te tonen bij de ondertrouw. Voor personen die vóór 1811 waren geboren, was geen geboorteakte opgemaakt. Zij konden een doopbewijs krijgen op basis van de bij de burgerlijke stand ingeleverde doopregisters van de kerken.
Inhoud en Zoekmogelijkheden
In de registers zijn gegevens overgenomen uit de doopregisters of vergelijkbare registers met geboorteregistratie van diverse kerkgenootschappen, waaronder de Nederlands-Hervormde kerk, Waalse kerk, Engelse kerken, Lutherse kerken, Doopsgezinde kerken, Remonstrantse kerk, Rooms-Katholieke kerk, Oud-Katholieke kerk, Grieks-Katholieke kerk en de Portugees-Israëlitische kerk. Opgenomen zijn ook inschrijvingen uit het Register van het Regiment Oranje-Nassau (1785-1795). Gegevens over geboorten van Hoogduitse Joden zijn niet opgenomen omdat de registers in het Hebreeuws zijn.
De inschrijving in het register werd gedaan door de geestelijke die de doop verrichtte. Hij schreef de namen op zoals hij ze hoorde, zonder controle op volledigheid of spelling. In de registers staan meestal de voornamen van het kind, de volledige namen van de ouders en getuigen, en de datum van de doop. De geboortedatum werd aanvankelijk niet vermeld. In 1792 stelden de Staten van Holland verplicht ook geboortedatum en geboorteplaats te vermelden. In vrijwel alle doopboeken is de naam van de geestelijke die de doop heeft verricht te vinden.
Let op: omdat in de registers alleen de voornaam van het kind is vermeld, is het niet mogelijk de doop van een kind te vinden door te zoeken op de voornaam en achternaam van het kind. Wel kan via de knop 'uitgebreid zoeken' gezocht worden op de voornaam van het kind (in het vak onder 'eerste persoon') en op de achternaam van de vader (in het vak onder 'tweede persoon').
Beschikbaarheid van Gegevens
Voor de periode 1701-1811 zijn alle gegevens opgenomen in de database, inclusief kanttekeningen. Voor de periode 1564-1701 is dit niet het geval. De gegevens uit de doopregisters van 1701-1811 zijn rechtstreeks en volledig uit de originele registers ingevoerd. Voor de invoer van de gegevens uit 1564-1701 is gebruik gemaakt van een index uit de jaren vijftig van de twintigste eeuw, die alleen de namen van de dopeling en de ouders bevatte, niet de namen van getuigen en pastoor.
Tweelingen krijgen ieder een eigen inschrijving in de doopregisters. In de Lutherse kerk werden dopen per jaar ingeschreven in één register, alfabetisch geordend op de eerste letter van de naam van het kind. De namen van tweelingen beginnen vaak niet met dezelfde eerste letter.
De letters I en J werden vroeger vaak door elkaar en daarna naast elkaar gebruikt. Dit is letterlijk overgenomen uit het doopregister en betekent dat de naam is afgekort.

In het doopregister van de Rooms-Katholieke schuilkerk 't Boompje staat genoteerd als 4e inschrijving op de rechterpagina op 7 juni de doop van Joannes Alexius (afgekort tot Jo'es Alexius), zoon (letter f van filius) van Jacobus Alexius Magito en Maria Roos. Deze jongen is een afstammeling van Alexander Masitoi, die zich omstreeks 1675 in Amsterdam vestigde en uit Duinkerken afkomstig was. Van deze oorspronkelijk Franse naam zijn in de loop der jaren vele varianten in de doopregisters terechtgekomen, zoals Magiteau, Macito, Masiton, Magito en zelfs Shaagito. Er zijn ook afstammelingen die een achternaam kregen op basis van het patroniem Alexander.

Op pagina 353 van het doopregister van de Oude Kerk staat genoteerd als 3e inschrijving de doop van Scheltes, zoon van Henne Seiks en Elisabet Scheltes. Dit betreft een gezin afkomstig uit Friesland. De vader kwam uit IJlst en de moeder uit Woudsend. Zowel Sierks als Scheltes zijn patroniemen (voornamen van de vader). Deze ouders gebruikten geen familienaam/achternaam.
Registers van Predikanten
Wanneer men in de protestantse gemeenten is begonnen met het aanleggen van lijsten met de namen en de jaren van bediening van predikanten die in vroeger tijd in de plaatselijke gemeente hebben gewerkt, is niet meer na te gaan. Waar deze gewoonte in zwang kwam, was men zich ervan bewust een apostolische vermaning (Hebr. 13:7) na te volgen. Het opstellen van lijsten van ambtsdragers was al een oudchristelijke gewoonte en kwam bovendien ook buiten de kerk alom voor. Mogelijk bestond er in het protestantisme een zekere behoefte om, als parallel van het streven om met correcte bisschopslijsten de apostolische successie aan te tonen, de gemeenten via een eigen predikantenlijst te verbinden met de eeuw der Reformatie. Het is begrijpelijk dat men de lokale kerkgeschiedenis wilde beschrijven en conserveren met behulp van de 'naamketen' van de vroegere predikanten.
Omstreeks 1700 verschijnen de eerste lijsten van gereformeerde classes in druk, en in de loop van de achttiende eeuw worden bijna alle provincies op deze wijze bewerkt. Wanneer in 1802 Joh.H. Brans een vervolg geeft op het kerkelijk register van M. Soermans over Zuid-Holland (dat liep tot 1702), somt hij de bestaande registers op; alleen Zeeland en Drente ontbreken nog. De achttiende-eeuwse registers zijn dikwijls uitvoerig over de persoonlijke en ambtelijke omstandigheden der predikanten, maar de gebruikte bronnen laten vaak te wensen over.
Men zou verwachten dat in de loop van de negentiende eeuw het beschikbare materiaal zou worden bewerkt tot een register dat alle predikanten van alle gemeenten in ons land sedert de Reformatie zou behandelen. De remonstranten en lutheranen hadden het in dit opzicht gemakkelijker dan de hervormden. Zij hadden sedert respectievelijk 1847 (dr. Joannes Tideman publiceerde zijn 'Biographische naamlijst') en 1777 (de 'Naamrol van de lutheranen') reeds hun aandeel geleverd. Voor zover nagegaan kon worden, is in de negentiende eeuw vier keer gepoogd een register van alle Nederlandse predikanten op te stellen, maar is het doel nergens bereikt. Toch is op deze wijze wel belangrijk materiaal bijeengebracht, hetzij in manuscript, hetzij in gedrukte vorm, waarvan ook nu nog met vrucht gebruik wordt gemaakt.
Het Nieuw Kerkelijk Handboek (Van Alphen)
In juni 1878 verscheen voor het eerst het Nieuw Kerkelijk Handboek, oftewel 'Van Alphen'. De volledige titel van de eerste editie luidt: 'Nieuw kerkelijk handboek, omvattende al de door den Staat gesubsidieerde protestantsche kerkgenootschappen. Met voorkennis van het Departement van Financiën uit officiële bronnen zamengesteld en van aanteekeningen voorzien.' Het werd geredigeerd door M.W.L. van Alphen (1828-1919), hoofdcommies bij het Departement van Financiën, afdeling erediensten.
De 'Van Alphen', zoals deze tegenwoordig bekend is (sinds enige tijd een tweejaarlijkse uitgave), is in hoofdtrekken nog hetzelfde werk als de editie van 1878. Men vindt er alle protestantse gemeenten in opgesomd met hun voorgangers en hun tractement, waarbij gegevens over niet-dienstdoende, bijzondere, emeriti-predikanten e.a., het theologisch hoger onderwijs, de kerkelijke besturen, etc. Toch had de eerste uitgave een andere opzet dan de hedendaagse edities. Van Alphen bood in 1878 niet alleen de genoemde gegevens, maar daarenboven van alle protestantse kerken een historisch overzicht, met name wat betreft de bestuursinrichting. Hij vermeldde per gemeente ook het een en ander over de ligging van de plaats, het onderwijs, de vervoersgelegenheid e.d., de namen van de eerste hervormde predikant en diens opvolgers ten tijde van de invoering van het Algemeen Reglement (1816) en de wijzigingen daarop (1852), alsmede een specificatie van de bestanddelen van het tractement. Soms werden nog historische details over de gemeente, het kerkgebouw of het kerkmeubilair vermeld. Over 174 gemeenten gaf een bijlage een gedetailleerde opgave van de uitoefening van het collatierecht. De editie van 1878 was bedoeld als een eenmalige uitgave; Van Alphen kondigde wel jaarlijkse supplementen aan, die verschenen in 1879 en 1880. Het derde vervolg was tevens ingericht als een 'compleet dominé's boekje' (1881), wat inhield dat Van Alphen zich nu niet beperkte tot vermelding van de nieuwste wijzigingen, maar opnieuw alle predikanten per gemeente had opgesomd.
Geleidelijk groeide de behoefte om ook telkens over het andere materiaal uit de eerste editie te kunnen beschikken. Hieraan kwam Van Alphen weldra tegemoet. Zo verdween de aanduiding 'vervolg' van het titelblad en werd ook de afzonderlijke telling van de 'complete dominé's boekjes' niet langer volgehouden. Tot (voor zover bekend) 1881/1882 verscheen het Naamregister der predikanten bij de hervormde, christelijk gereformeerde, evang. luthersche, hersteld luthersche, doopsgezinde en remonstrantsche gemeenten in het Koninkrijk der Nederlanden (enz.), in de laatste edities een uitgave van H.L. van Hoogstraten, gedrukt bij A. van Hoogstraten en Zoon te 's-Gravenhage. Dit register is te beschouwen als de voortzetting van het Naamregister der predikanten zo van de Nederduitsche als Walsche en Engelsche kerken in de Zeven Verenigde Provinciën (enz.) dat (voor zover bekend) sedert 1770 om de twee, drie of meer jaar werd uitgegeven te Amsterdam.
Deze uitgave was met recht een domineesboek. Behalve de gegevens over de predikanten bood ze niet veel meer dan de samenstelling der besturen, de inrichting van het theologisch hoger onderwijs en de namen der kandidaten. Pas in de laatste jaargangen werden ook gegevens over de tractementen en de wijze van beroeping meegedeeld, in een tabellarische alfabetische lijst der gemeenten achterin. Het eigenlijke naamregister had daarvoor geen plaats; dit was opgebouwd op de namen van de predikanten gerangschikt per ring (althans bij de hervormden). Het was ook pas in de laatste tien jaar, dat dit register de predikanten uit de niet-hervormde kerkgenootschappen had opgenomen. Nadat in 1869 een eenmalig Naamregister der doopsgezinde, luthersche, hersteld-luthersche en remonstrantsche predikanten in het Koninkrijk der Nederlanden (enz.) was verschenen, bij Y. Rogge te Amsterdam, was hierin verandering gekomen.
Pas bij vergelijking met de uitgave van Van Hoogstraten worden de voordelen van Van Alphens werkwijze duidelijk. Van Alphen behoefde ook niet, zoals Van Hoogstraten, naar gegevens betreffende de tractementen bij de desbetreffende gemeenten navraag te doen, maar kon die rechtstreeks uit de departementale administratie putten, die hem ook in staat stelde de mutaties bij te houden. Van Hoogstratens Naamregister verdween dan ook, nadat Van Alphens Handboek als een periodiek 'compleet dominé's boekje' was gaan functioneren. Door zijn betrouwbaarheid en volledigheid, zijn overzichtelijke opbouw, niet het minst ook door de jaarlijkse verschijning verwierf het Handboek zich spoedig een uitstekende naam. De uitgave van 1902, de vijfentwintigste, kreeg een voorwoord van prof. dr. M.A. Gooszen mee, waarin bijzonder waarderend over het werk werd gesproken; men vindt hierin ook een foto van Van Alphen.
Ook nadat hij in 1895 was gepensioneerd, zette Van Alphen de uitgave voort, tot in 1900 zijn zoon de redactie overnam. M.W.L. van Alphen jr. (1864-1932) - eveneens werkzaam op de afdeling erediensten, eerst als adj.-commies, sedert 1907 als commies - had zijn vader in deze taak sinds 1891 geassisteerd. Volledigheidshalve wordt vermeld dat de uitgave sedert 1922 door de Bond van Nederlandse Predikanten wordt verzorgd; wel prijkte de naam van Van Alphen jr. nog tot 1934 op het titelblad, maar dat was 'decoratief'. Sedert 1934 luidt het: Van Alphens Nieuw Kerkelijk Handboek.
Zo uitvoerig als de editie van 1878 is geen jaargang meer geweest. Wel bleef Van Alphen erop bedacht telkens gegevens te verschaffen waarom men vroeg of waarvan hij aannam dat men ze op prijs zou stellen. Op enkele onderwerpen uit dit wat verscholen materiaal kan de aandacht worden gevestigd:
- Sedert 1883 was er een rubriek 'Regtspraak'; uitvoerig werd hier, per gemeente, bericht over processen betreffende kerkelijke eigendommen of betaling van renten, vacatuurgelden, collatierechten e.d. De processen die naar aanleiding van de doleantie werden gevoerd, werden alle verslagen in de jaargangen 1887 en volgende.
- Handelingen van synode-vergaderingen e.d. werden niet gepubliceerd; Van Alphen gaf echter wel nauwkeurig de gang van zaken bij de vereniging der afgescheiden en dolerende kerken in 1892 weer.
- Alle stukken betreffende de beroeping van de moderne predikant dr. J.W. Lieftinck te Sliedrecht in 1889, waartegen een orthodoxe groepering zeer langdurig protesteerde, werden in jaargang 1891 afgedrukt.
- Door mededeling van de plaatselijke predikanten of anderszins vermeldde Van Alphen bijzonderheden over kerkelijke eigendommen, legaten e.d.
- Onder Beilen werd in 1884 bericht dat de beide kerkklokken gebroken waren, de grote al sedert de Franse tijd. 'Het torenwerk staat sedert jaren stil'.
- Ook vindt men af en toe vermeld, wanneer een gemeente de dienst op Hemelvaartsdag of een tweede christelijke feestdag heeft gestaakt.
- Vier bladzijden lang werd in 1893 verslag gedaan van de bouw en inwijding van de hervormde kerk te Apeldoorn.
- Over al deze 'extra' mededelingen in de jaargangen 1878-1899 is in jaargang 1899 een register opgenomen.
Bijzondere aandacht schonk Van Alphen aan de bezoldiging der predikanten, een zaak die toentertijd nog gecompliceerd was door de sterk wisselende inkomsten uit kerkelijke goederen, pastoralia enz. en die op vele plaatsen slecht geregeld was. Bijlage I van 1884 geeft een 'Staat van de rijkstractementen der predikanten', gerangschikt naar de grootte van het bedrag, variërend van f 6, - (voor Beilen, Havelte, Ruinerwolde en Emmen; anno 1978 nog steeds hetzelfde) tot f 2.280, - (voor de oudste Haagse hervormde predikant); in bijlage J zijn de bedragen vermeld per gemeente in alfabetische volgorde. In 1888 gaf Van Alphen een volledig verslag van het verhandelde over de herziening van art. 168 der Grondwet (bezoldiging der predikanten) met een overzicht van de uitgaven voor de protestantse kerken sedert 1848 en opgave van desbetreffende literatuur.
Een bijzonder belang heeft nog steeds het drietal supplementen, afzonderlijk uitgegeven in 1889, 1890 en 1891, waarin alles wat betrekking heeft op de bezoldiging der predikanten uit de resoluties van de Staten van Holland en West-Friesland en van Zeeland uit de jaren 1573 - 1700 is bijeengebracht.
Temidden van dit vele historische materiaal is het dan ook niet vreemd sedert 1883 predikantslijsten bij bepaalde gemeenten aan te treffen. Of Van Alphen er zelf om begon te vragen, of dat de lijsten hem eenvoudig zijn toegestuurd, is niet bekend. Dikwijls vermeldde hij dat de plaatselijke predikant hem een lijst had toegezonden. Maar menige jaargang vermeldt in het voorbericht dat Van Alphen zelf ook uit oude nummers van de Boekzaal of uit de bibliotheek van het departement lijsten had opgesteld. Ze verschenen in willekeurige volgorde. Voor Zeeuwse gemeenten was hem hierin behulpzaam de bekende historicus J. van der Baan te Wolphaartsdijk. In 1890 werd op een uitslaande tabel de predikantenlijst van Aardenburg afgedrukt, afgestaan door de archivaris van de plaats, G.P. Roos. Toen naar aanleiding van het beroepen van een predikant door de Nederlandse gemeente te Smyrna diens bezoldiging door de staatskas opnieuw moest worden bezien, moest Van Alphen uitgebreid archiefonderzoek doen; het resultaat ervan publiceerde hij in 1883 in een bijlage, met de authentieke gegevens over de komst en het vertrek van de predikanten sedert 1658.
Van jaar tot jaar nam het aantal gemeenten, waarbij een predikantenlijst kon worden gegeven, toe. In 1891 werd bij alle Overijsselse hervormde gemeenten een lijst gegeven, door bemiddeling van ds. W.P. van Lindonk (voorheen te Kampen) ontleend aan de predikantenlijst van A. Moonen uit 1709 en zijn vervolgen. Bij alle Waalse gemeenten verschenen lijsten in 1895, samengesteld door ds. M.A. Perk, kennelijk op grond van de lijsten die F.H. Gagnebin in het 'Bulletin de la commission pour l'Histoire des églises wallonnes' in 1888 had gepubliceerd.
Omstreeks 1900 rijpte het plan om met vereende krachten de nog ontbrekende lijsten samen te stellen en dan een compleet predikantenregister van alle Nederlandse gemeenten te publiceren. Daar het te hoog gegrepen bleek deze uitgave in één keer te realiseren, begon Van Alphen jr. in 1903 met de publicatie van de predikantslijsten van alle Gelderse hervormde gemeenten. In de volgende jaargangen kwamen zonder een bepaalde volgorde binnen een tiental jaren de andere provincies aan de orde, met uitzondering van Noord-Brabant en Limburg; deze beide provincies werden pas in 1949 behandeld.
Andere Negentiende-Eeuwse Registers
Onder nummer BPL 1218 berust op de Leidse Universiteitsbibliotheek het handschrift De Waldkirch Ziepprecht. Beter is het te spreken van een collectie handschriften. Deze omvat het volgende:
- BPL 1218 a-e bevat, op formaat 22 x 28 cm, registers met de namen en de belangrijkste biografische gegevens (voor zover bekend) van alle hervormde predikanten in ons land, gerangschikt per gemeente, sedert de Reformatie tot ca. 1880 (totaal 2147 bladzijden).
- BPL 1218 s-v bevat registers op formaat 14½ x 22½ cm met de namen enz. van alle lutherse, doopsgezinde, remonstrantse en christelijk gereformeerde predikanten uit genoemde periode.
- Andere onderdelen van BPL 1218 bevatten naamlijsten van emeriti uit de jaren 1819-1883, candidaten in de jaren 1874-1883, lijsten van opgeheven en gestichte gemeenten bij de Hervormde Kerk sedert 1800, lijsten met de getallen der candidaten sedert 1736, gegevens over Indische predikanten e.d.
- Voorts zijn er lijsten van rooms-katholieke parochies in Nederland met hun pastoors in de nummers 1218 z-ag.
- BPL 1218 ag is een alfabetische naamlijst van de dienstdoende geestelijken der vijf Nederlandse bisdommen uit 1868.
Sommige onderdelen zijn kennelijk overgeschreven, andere zijn nog duidelijk in klad gesteld. De leesbaarheid van de inkt is niet optimaal. Deze collectie verwierf de Leidse universiteitsbibliotheek in 1884 van de erfgenamen van...
Archieven van de Hervormde Kerk
Tot 1984 bevonden de archieven en de bibliotheek van de Hervormde Kerk en haar synode zich in de Haagse Javastraat. In 1984 werd de bibliotheek in haar geheel naar de Universiteitsbibliotheek Utrecht overgebracht. De bibliotheek kwam terecht in de depots van de Universiteitsbibliotheek op het Science Park en werd aangevuld met tijdschriften, en met nog niet gecatalogiseerde monografieën en tijdschriften van het Bureau van de Nederlandse Hervormde Kerk. Het archief werd overgebracht naar het Algemeen Rijksarchief te Utrecht, nu het Utrechts Archief.
Een aparte deelcollectie is de collectie Pont, genoemd naar Willem Ferdinand Lodewijk Pont (‘s-Gravenhage 21-8-1853 - ‘s-Gravenhage 26-11-1935), referendaris bij het Departement van Marine en zoon van Ds. Daniel Pont. Deze verzameling bevat voornamelijk kleine publicaties van J.H. Gunning jr. en beslaat ca. Een andere deelcollectie is die van de Classis Zwolle.
tags: #nederlandse #hervormde #register