De Doopsgezinde Gemeente Aalsmeer, net als vele andere kerkgenootschappen, kent een geschiedenis van leden, vrienden en belangstellenden. Er is een duidelijke verschuiving merkbaar in de geloofsbeleving van mensen, waarbij de traditionele Doopsgezinde Gemeente, met nadruk op belijdenis, doop en avondmaal, plaatsmaakt voor een meer open geloofsgemeenschap. In deze gemeenschap voelt iedereen die aan activiteiten wil deelnemen zich thuis en kan hij of zij tot zijn recht komen.
Binnen deze geloofsgemeenschap ligt de focus op het gestalte geven aan Bijbelse waarden en het aan de orde stellen van zingevingsvragen. Sinds 2014 worden leden en vrienden binnen de Gemeente gelijk benaderd. Vrienden hebben, net als leden, stemrecht en kunnen zelfs tot lid van de kerkenraad worden gekozen. Deze grotere rol voor vrienden markeert een belangrijke stap in de ontwikkeling naar een open geloofsgemeenschap, waarin waarden en normen behouden blijven, maar er ook ruimte is voor zowel aarzeling als overtuiging. Er is plaats voor zowel Bijbelvaste als spirituele gedachten, en voor zowel dadendrang als beschouwing. Essentieel hierbij zijn de eigen verantwoordelijkheid voor denken en doen, de betrokkenheid bij elkaar en de dienstbaarheid aan de wereld.
De Gemeente verheugt zich over het aantal vrienden dat zich in de afgelopen jaren heeft aangesloten. Uit gesprekken met hen blijkt vaak een sterke overtuiging in de waarden die de Doopsgezinden aanhangen, wat de kern vormt van hun gemeenschap.

Oriëntatie en lidmaatschap
Voor wie meer wil weten over de Doopsgezinden, wordt een oriëntatiecursus aangeboden. Deze cursus biedt een kennismaking met zowel de Doopsgezinden als hun geloof, zowel historisch als hedendaags. De oriëntatiecursus kan gevolgd worden door een belijdeniscursus, waarin men zich kan voorbereiden op het lidmaatschap van de Gemeente.
Geïnteresseerden die willen deelnemen aan een van deze cursussen, meer willen weten over lidmaatschap, of vriend of belangstellende willen worden van de Doopsgezinde Gemeente Aalsmeer, worden aangemoedigd contact op te nemen met ds. Paul F. Vrijheid.
Historische wortels en kernprincipes
Vrijheid in geloven en een kritisch sociaal bewustzijn zijn kenmerken die de Doopsgezinden typeren. Wereldwijd zetten zij zich in voor vredeswerk, praktische hulpverlening, onderwijs en verzoening, vaak in samenwerking met andere kerken en geloofsgemeenschappen.
De oorsprong van de Doopsgezinden ligt rond 1524 in Zürich, waar aanhangers van Zwingli zich afkeerden van de hervormers. Zij vonden dat de hervormers te veel steunden op de overheid, wat in strijd was met de leer van Jezus. Deze groep zonderde zich af, bestudeerde de Bijbel zelf en stichtte geheime gemeenten waar iedereen vrijwillig, door volwassenendoop, lid kon worden. Ze werden verketterd als ‘anabaptisten’ of ‘wederdopers’, wat het begin van hun vervolging markeerde.
In dezelfde periode ontstonden doperse bewegingen in Duitsland en Nederland. Gemeenschappelijk voor hen was dat dogma's en leerregels taboe waren; alleen het evangelie gold als norm. Na een radicale fase in het 'Nieuwe Jeruzalem' te Münster (1534-1535), bood Menno Simons (1496-1561) een nieuw perspectief. Hij nam het evangelie letterlijk, predikte afzondering van de ‘wereld’, verbood het dragen van wapens en het zweren van eden. Geloof kwam meer aan op daden dan op woorden en rituelen. De mennonieten werden zwaar vervolgd, met duizenden executies en vluchten als gevolg. Ondanks constante vlucht wist Menno Simons het gemeenteleven te organiseren.
Na de opkomst van het calvinisme en het einde van de vervolgingen rond 1578, raakten de dopers verdeeld. In de Gouden Eeuw liet het vooruitstrevende deel, de doopsgezinden, de afzondering van de wereld varen, terwijl een kleiner deel, de mennonieten, vasthield aan oude leer en tradities. In de 18e eeuw werden veel doopsgezinden voorvechters van de Verlichting en haar ideaal van tolerantie en politieke vrijheid, wat echter tot ledenverlies leidde. De oprichting van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit in 1811 markeerde een nieuwe bloeiperiode, waarbij de Doopsgezinden zich ontwikkelden tot een niet-dogmatische richting met veel aandacht voor praktisch christendom.
De Gemeentedagbeweging aan het begin van de 20e eeuw zorgde voor verdieping van het geloofsleven en herijking van principes. In de 20e en 21e eeuw uiten doopsgezind geloof en sociaal bewustzijn zich vaak in praktisch hulpwerk wereldwijd.
De verspreiding van de wederdopers (complete documentaire) De Amish, Mennonieten en Hutterieten
Kernmerken en identiteit
De Doopsgezinden vormen de Nederlandse tak van de internationaal bekende Mennonieten, volgelingen van Menno Simons. De naam "doopsgezinden" verwijst naar hun specifieke kijk op de doop: alleen volwassendoop op vrijwillige basis, waarbij de dopeling haar of zijn eigen belijdenis aflegt. Een ander belangrijk kenmerk is de afwijzing van militaire dienst en het dragen van wapens, en vroeger ook van overheidsdienstneming.
Historisch gezien werden doopsgezinde kerkgebouwen, vaak "Vermaning" genoemd, soms verscholen gebouwd, omdat de gemeenschap "gedoogd" werd. Bekende Nederlandse Doopsgezinden aan het begin van de 21e eeuw zijn onder meer de voormalige ministers Joris Voorhoeve en Annemarie Jorritsma.
De Doopsgezinden, ook wel mennonieten, mennisten, dopers of dopersen genoemd, zijn een protestantse stroming met wortels in de radicale Reformatie. Ze onderscheiden zich door hun nadruk op de vrije, bewuste keuze voor geloof en de afwijzing van kinderdoop. De lokale gemeente staat centraal.
De beweging verspreidde zich vanuit Zwitserland naar Nederland en Duitsland. Menno Simons speelde een cruciale rol in het organiseren van het gemeenteleven en gaf inhoud en vorm aan een geloofsgemeenschap die zich over de hele wereld verspreidde.
Naarmate de tijd vorderde, ontwikkelden de Doopsgezinden zich tot een niet-dogmatische richting met veel aandacht voor praktisch christendom. De Gemeentedagbeweging aan het begin van de 20e eeuw stimuleerde verdieping van het geloofsleven en herijking van principes.
De belangrijkste geloofskenmerken zijn door de jaren heen overeind gebleven, mede dankzij een sterk individueel bepaald geloof dat in gemeenschap wordt beleefd. Dit heeft de Nederlandse Doopsgezinden "anders", vrijzinniger gemaakt dan hun geloofsgenoten elders.
De Doopsgezinde Kerk was een van de eerste in Nederland die haar predikantenopleiding openstelde voor vrouwen, met Anne Zernike als de eerste vrouwelijke predikante.
Wereldwijd kunnen de geloofsbelevingen van Doopsgezinden flink uiteenlopen, maar de traditionele, principiële kenmerken blijven aanwezig. Op grond van bijbelse opvattingen zijn Doopsgezinden over het algemeen tegen elke vorm van geweld. Het weigeren van militaire dienstplicht door jongens is hier een historisch voorbeeld van. Hulp-, vredes- en verzoeningswerk, met name door Noord-Amerikaanse Doopsgezinden, heeft bijgedragen aan de groei van het aantal Doopsgezinden wereldwijd.
De Doopsgezinde Gemeenschap vandaag
De Doopsgezinde Gemeente Leiden wordt beschreven als een warme en gastvrije geloofsgemeenschap die ruimte biedt voor persoonlijke geloofsbeleving en spirituele verdieping. Centraal staat de volwassenendoop, gebaseerd op de vrije, bewuste keuze van volwassenen. De gemeenschap hanteert een gelijkwaardige structuur zonder hiërarchie, waarin iedereen een stem heeft en beslissingen gezamenlijk worden genomen.
Kernwaarden zijn onder andere geweldloosheid in woorden, daden en omgang met elkaar. De gemeenschap is een plek voor verdieping in geloof, waarden en relaties, en moedigt individuen aan hun eigen geloofsidentiteit te ontdekken.
De Doopsgezinden vormen een christelijke geloofsgemeenschap, ook wel bekend als de Doopsgezinde Broederschap. Ze zijn een eigentijdse en open groepering, zonder hiërarchische structuren, waar mannen en vrouwen gelijkwaardig zijn. Wereldwijd zijn er ongeveer 1,4 miljoen Doopsgezinden, meestal mennonieten genoemd naar Menno Simons.
Als kerkgenootschap bestaan Doopsgezinden al bijna 500 jaar. In de tijd van de reformatie zochten de ‘dopersen’ een radicale verandering van de bestaande kerk. Deze beweging van ‘wederdopers’ of ‘dopers’ begon rond 1525 in Zwitserland. Ze lazen zelf de Bijbel en kwamen tot de conclusie dat geloof een persoonlijke keuze moest zijn, wat leidde tot de afwijzing van kinderdoop. De nadruk kwam te liggen op de lokale gemeente.
Door katholieken en hervormers werden zij als ‘anabaptisten’ of ‘wederdopers’ bestempeld, wat de start van hun vervolging betekende. Vanuit Zwitserland verspreidde de beweging zich naar Nederland en Duitsland.
Menno Simons, die voortdurend op de vlucht was, slaagde erin het gemeenteleven te organiseren. Hij wordt beschouwd als de eerste en enige (radicale) hervormer van Nederlandse bodem. Door zijn reizen, geschriften en leiderschap gaf hij vorm aan een geloofsgemeenschap die zich over de hele wereld verspreidde.
Na de opkomst van het calvinisme en het einde van de vervolgingen, raakten de dopers verdeeld. In de Gouden Eeuw liet het vooruitstrevende deel, de doopsgezinden, de afzondering van de wereld los, terwijl een kleiner deel, de mennonieten, vasthield aan oude leer en tradities. In de 18e eeuw werden veel doopsgezinden voorvechters van de Verlichting, wat leidde tot ledenverlies. De oprichting van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit in 1811 markeerde een periode van bloei, waarbij de Doopsgezinden zich ontwikkelden tot een niet-dogmatische richting met veel aandacht voor praktisch christendom. De Gemeentedagbeweging aan het begin van de 20e eeuw zorgde voor verdieping van het geloofsleven.
De Nederlandse Doopsgezinden zijn door deze ontwikkeling vrijzinniger geworden dan hun geloofsgenoten elders. Eind 19e eeuw stelde de Doopsgezinde Kerk als een van de eerste haar predikantenopleiding open voor vrouwen.
De traditionele, principiële kenmerken van de Doopsgezinden blijven aanwezig. Op grond van bijbelse opvattingen zijn ze over het algemeen tegen elke vorm van geweld. Dit leidde in het verleden tot het weigeren van militaire dienstplicht. Het hulp-, vredes- en verzoeningswerk van Noord-Amerikaanse Doopsgezinden heeft bijgedragen aan het wereldwijde aantal van bijna anderhalf miljoen Doopsgezinden.
Doopsgezinden: een geschiedenis van waarden en aanpassingen
De Doopsgezinden vormen een kleine, vrijmoedige geloofsgemeenschap in Nederland, met wortels in de Radicale Reformatie van de anabaptisten (wederdopers). Na een roerig en soms gewelddadig begin, ontwikkelden zij zich onder leiding van Menno Simons tot 'weerloze christenen' en 'stillen in den lande'. Veel gemeenschappen wereldwijd dragen zijn naam (Mennoniten, Mennonites, Mennisten).
Doopsgezinden komen samen in autonome lokale gemeenschappen, met vrijwillige samenwerkingsverbanden op verschillende niveaus. Ze kennen geen hiërarchie, geen ambten en geen officiële leer. Alle leden zijn gelijkwaardig. Hoewel er opgeleide predikanten zijn, zijn zij ook 'gewoon' lid van de gemeente en vrijgesteld voor bepaalde taken.
Volwassenen worden gedoopt op hun eigen, zelfgeschreven belijdenis en als dooplid toegelaten. Kinderen, vrienden en belangstellenden maken onlosmakelijk deel uit van de gemeenschappen.
Er is een historische hang naar weerloosheid of vredelievendheid, die in Nederland niet absoluut is. Het zijn gemeenschappen van vaak vrijmoedige, mondige mensen die in samenspraak hun levenspad in geloof bepalen. Vanwege deze openheid is het niet eenvoudig om het geloof van de Doopsgezinden eenduidig te duiden; het kan van gemeenschap tot gemeenschap verschillen. Ze zijn gewend te luisteren, open te staan voor andere ideeën en standpunten, en te verwoorden waar ze staan, met de erkenning dat waarheid op verschillende manieren zichtbaar wordt.
Traditioneel kenmerken de Doopsgezinden zich door hard werken en een eenvoudige leefstijl. Het adagium ‘in de wereld, maar niet van de wereld’ wijst op een hang naar wereldmijding en een niet-gelijkvormig willen zijn aan de wereld. In Nederland uit zich dit eerder in een zekere terughoudendheid om met het geloof te koop te lopen en een eigenzinnige warsheid van trends. Sober leven, samen werken, vredelievendheid, een persoonlijke geloofsbeleving en respect voor medemens en schepping blijven belangrijk.

Doopsgezinden en de maatschappelijke context
De term "kerk" kan verwarrend zijn, gezien de vele soorten kerken met hun eigen gebruiken, geschiedenis, waarden en onderlinge verhoudingen. In de huidige geseculariseerde maatschappij, met een trend van christendom naar spiritualiteit, hebben veel mensen geen duidelijk beeld meer van wat een "kerk" inhoudt, laat staan van de verschillen tussen kerken.
Voor jongeren die hun wereldbeeld vormen en op zoek zijn naar zingeving, kan dit verwarrend zijn. Nieuwsitems over "christenen" of "protestanten" sluiten niet altijd aan bij hun beleving, en andere christenen geven soms een normatief beeld van hoe het christelijk geloof "hoort" te zijn. Dit kan extra lastig zijn wanneer vrienden een anti-kerkelijke retoriek hanteren.
Om jongeren hierin te wapenen, is het waardevol om in gesprek te gaan over wat de Doopsgezinde gemeenschap precies inhoudt. Naast de nadruk op eigen inzicht en verantwoordelijkheid, en de vaak centrale rol van geweldloosheid, zijn gelijkheid, wederzijds respect en gemeenschap belangrijk. Het kan verhelderend zijn om jongeren verschillende Doopsgezinde belijdenissen te laten lezen, om de breedte van de gemeenschap te tonen.
Het gesprek over de Doopsgezinden is complex, juist vanwege hun openheid. Het is niet eenvoudig om eenduidige antwoorden te geven, maar de nadruk ligt op eigen inzicht, verantwoordelijkheid, geweldloosheid, gelijkheid, wederzijds respect en gemeenschap.
Kledingvoorschriften en sociale identificatie
De Haarlemse Feyntje van Steenkiste, afkomstig uit een welvarende textielfamilie, werd door Frans Hals geportretteerd in een kledingstijl die kenmerkend was voor de Doopsgezinden in de 17e eeuw: eenvoudig, sober en zwart. Sieraden, vreemde vormen, kleuren en andere uitingen van rijkdom of ijdelheid waren ongewenst. Voorschriften bepaalden dat een christen geen karmozijn laken, satijn of damast mocht dragen, noch schoenen met hoge hakken of andere opzichtige versieringen. Vrouwenrokken mochten niet wijd uitstaan of van onderen versierd zijn, lijfstukken mochten geen baleinen bevatten, en wijde mouwen en gestreken kragen waren uit den boze. Kortom, "de ijdele vindingen der mode mocht een christen niet overnemen."
Urbane dopers waren hierin iets vrijer dan dorpse dopers. Heinrich Benthem beschreef in de 17e eeuw dat ze erop stonden dat bescheidenheid in kleding werd betracht, hoewel sommigen in Amsterdam de aandacht trokken met pruiken en andere tekenen van wereldsheid.
Deze klederdracht, gestoeld op religieuze principes, diende niet alleen om vroomheid te tonen, maar ook om een doperse identiteit te vormen. Het niet naleven van deze kledingvoorschriften kon leiden tot straffen via kerkelijke tucht.
De tucht was een instrument om discipline en volgzaamheid binnen de gemeenschap te kweken, met regelgeving rond geloofsbelijdenis en levenswijzen. Straf kon variëren van tijdelijke uitsluiting van het avondmaal tot complete uitzetting (mijding), hoewel dit laatste zelden voorkwam. Vergrijpen zoals dronkenschap, militaire dienst, afwezigheid bij kerkdiensten, trouwen met iemand buiten de kerk en faillissement konden leiden tot tuchtstraffen.
Een voorbeeld hiervan is de familie van Kornelis Bosman, die in 1707 werd bestraft voor de klederdracht van hun dochters. Na het beloven van zedige kleding werd de straf, het inhouden van wekelijkse bediening (geld voor de armen), ingetrokken.
Het opleggen van kledingvoorschriften vormde zo een collectieve identiteit. Het portret van Dirck Jacobsz. Leeuw, een rijke 17e-eeuwse Amsterdamse koopman, gemaakt door Govert Flinck, illustreert dit. Voor zijn doop werd hij geportretteerd in dure stoffen en met sieraden. Na zijn doop liet hij zich hullen in sober zwart. Onderzoek toont aan dat eerst rode sokken en een opvallende kraag zichtbaar waren, die later overschilderd werden met vlakke zwarte verf, wat de ernst van de dopers met hun kledijvoorschriften aantoont.

Veranderingen in levensstijl en consumptie
De tucht verdween aan het begin van de 18e eeuw, wat leidde tot een versoepeling van de doperse leefregels. Leden trouwden vaker buiten de kerk en traden soms toe tot het leger of de ambtenarij. Ook de kledingvoorschriften versoepelden, wat zichtbaar is in portretten uit die tijd.
Twee koopmannen illustreren deze verandering: Lucas de Clercq, geportretteerd door Frans Hals in sober zwart, en David Leeuw, geportretteerd door Jan Maurits Quinckhard in kleurrijke kleding, met ornamenten en het familiewapen.
Deze verschuiving in klederdracht is historisch te verklaren. Vanaf de tweede helft van de 17e eeuw raakten veel dopers betrokken bij speculatie en investeringen, wat leidde tot vermogensgroei. Nieuwe generaties konden opleidingen betalen en investeren. Huwelijken binnen het koopmansmilieu met niet-doopsgezinden zorgden voor een verdere integratie in welvarende kringen. Hierdoor bewoog de Doopsgezinde Gemeente zich meer richting hogere sociaaleconomische lagen, met een groeiende interesse in kunst, academische discussies en modieuze kleding.
Deze transformatie kan worden gezien als een beweging van het protestantse arbeidsethos naar opzichtige consumptie. Socioloog Max Weber beschreef hoe het protestantse arbeidsethos, met nadruk op hard werken als een geestelijke roeping, soberheid en rationaliteit, de voedingsbodem was voor kapitalistische instituties. Faillissement werd zelfs als strafbaar beschouwd, omdat het duidde op onvoldoende hard werken.
Thorstein Veblen beschreef het fenomeen van opzichtige consumptie: het kopen en gebruiken van meer dan strikt noodzakelijk, met als doel economische welvaart en status te tonen. Dit creëert een collectieve identiteit en een wij/zij-verhouding.
Galenus Abrahamszoon de Haan schreef in 1687 al: "Hoe corrumpeer je Doopsgezinden en Mennonieten? Alleen door ze rijker te maken." Hoewel geld corrupt kan maken, is deze analyse slechts een deel van de waarheid. Historici Yme Kuiper en Harm Nijboer benadrukken dat dopers ook bekend stonden als uitermate betrouwbare handelspartners, wat voortkwam uit hun strenge vroomheid en het immorele van het misleiden van partners. Dit creëerde een voedingsbodem voor hun latere succes.
Hoewel de grenzen van de doperse gemeenschap in de 18e eeuw vervaagden, bleef de collectieve identiteit voortleven. Families en bedrijven met doperse achtergrond omvatten vaak leden die niet actief stonden ingeschreven, maar wel de normen en waarden van de dopers uitdroegen. Toch bleven de dopers relatief sober vergeleken met andere groepen.
In tijden van economische tegenspoed, zoals in de late 18e eeuw, bleven de dopers vasthouden aan hun traditie van armenzorg. Voedsel, onderwijs en kleding werden aan armen toebedeeld, waarbij er soms zelfs kleding werd gemaakt van hoogwaardige stoffen die lang mee moesten gaan.
Het stadse leven, waarin de dopers participeerden, vereiste handel. Aangezien het doperschap zich niet meer definieerde als afzetten tegen anderen, vervaagde de collectieve identiteit. De dopers vonden zichzelf opnieuw uit, maar verloren hun oude principes niet uit het oog.
In de hedendaagse Doopsgezinde Gemeente Utrecht onderzoekt de Bijbelkring Hemels Groen antwoorden op vragen van deze tijd, zoals hoe samen te leven en zich te verhouden tot de natuur. Soberheid heeft voor de moderne doper een andere betekenis gekregen: het draait niet meer om afzetten tegen anderen, maar om de kritische vraag: "Is het nodig dit te kopen?". Comfort hoeft hierbij niet verloren te gaan.
De doperse quiltgroep komt regelmatig bijeen om gezamenlijk kleurrijke dekens te produceren, waarbij reststoffen worden gebruikt. Afgemaakte dekens worden naar Oekraïense Doopsgezinden gestuurd, wat aantoont dat oude doperse idealen voortleven in het moderne doper-zijn. Waar armenzorg-initiatieven vroeger lokaal gericht waren, is de doperse blik nu ook naar buiten gericht.
De ontwikkeling van de Doopsgezinde Gemeenschap in de 18e eeuw kan worden gezien als een transitie van het protestantse arbeidsethos naar opzichtige consumptie. Dit lijkt intuïtief tegenstrijdig met de oorsprong van het protestantisme als rebellie tegen consumptie en ijdel vertoon.
Een soberder toekomst is niet alleen gewenst, maar noodzakelijk. Hiervoor is een nieuw verhaal nodig, dat oog heeft voor maatschappelijke complexiteit en constructieve initiatieven belicht.
tags: #normen #en #waarden #doopsgezinden