Introductie van Ds. P. Korteweg
Dr. P. Korteweg is predikant van de hersteld hervormde gemeente te Oud-Beijerland. In 2006 promoveerde hij op de nieuwtestamentische commentaren van Johannes Drusius (1550-1616), die een aanzienlijke invloed hebben gehad op de totstandkoming van de Statenvertaling. Dr. Korteweg heeft in deze krant artikelen en recensies gepubliceerd over de betekenis van de doop en de reformatorische visie op kunst. Hij benadrukte dat kunst niet bedoeld is om zonde aan te wakkeren, maar om Gods goedheid en genade te erkennen.

Voorzitter van de Stichting Heruitgave Werken Guido de Brès
Dr. Korteweg is voorzitter van de Stichting Heruitgave Werken Guido de Brès. Hij heeft, met tussenpozen, ongeveer vier jaar gewerkt aan zijn biografie van Guido de Brès. Enkele jaren daarvoor raakte hij gefascineerd door diens werk "Le baston de la foy chrestienne", dat hij bestudeerde voor een lezing. In een interview typeerde dr. Korteweg De Brès als een "reformator van Nederland", en verklaarde dat hij De Brès theologisch invloedrijker vond dan bijvoorbeeld Petrus Datheen. Zijn doel was om De Brès te portretteren als een "gelovige pelgrim" en een "kind van God" die de consequenties van zijn geloof droeg.

Bevestiging in Oud-Beijerland
Ds. P. Korteweg werd op [datum, indien bekend uit de tekst] bevestigd als predikant van de hersteld hervormde gemeente te Oud-Beijerland. De bevestigingsdienst werd geleid door zijn zwager, ds. N. den Ouden uit Nieuw-Lekkerland. De preektekst was 2 Timotheüs 2:15. In de avonddienst, de intrededienst, preekte ds. Korteweg over Lukas 14:23. Na de dienst spraken burgemeester K. Tigelaar namens de gemeente Oud-Beijerland, ouderling J. Bos van de gereformeerde gemeente namens de plaatselijke kerken, consulent ds. A. de Groot namens de classes, en scriba van de hersteld hervormde gemeente, ouderling C. Nobel.
De gemeente Oud-Beijerland was een jaar vacant geweest voor zijn komst.

Historische Context: De Vorming van de Protestantse Kerk in Nederland
Op 12 december 2003 namen de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelische-Lutherse Kerk het besluit tot een fusie, die op 1 mei 2004 een feit werd. Samen vormden deze kerken de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). Binnen de Nederlandse Hervormde Kerk was er echter aanzienlijk verzet tegen deze fusie. Tientallen gemeenten, honderden ambtsdragers en tienduizenden leden hadden principiële bezwaren en konden niet toetreden tot de nieuwe kerk. Zij zagen de fusie als een confessionele en historische breuk met de kerk der vaderen, en beschouwden de PKN niet langer als een gereformeerde kerk, maar als een plurale kerk.
Ontstaan van de Hersteld Hervormde Kerk
De hervormde gemeenten, ambtsdragers en leden die om gewetensredenen niet mee konden gaan in de Protestantse Kerk in Nederland, bleven op 1 mei 2004 achter op de oude fundamenten van de vaderlandse kerk. Zij weigerden deel te worden van een kerk met een andere grondslag en verklaarden 'hervormd' te zijn en te blijven. Aanvankelijk kozen zij plaatselijk voor de naam 'Nederlandse Hervormde Gemeente (in hersteld verband)' en landelijk voor de naam 'Hersteld Nederlandse Hervormde Kerk'. Vanwege de gebrokenheid was er veel herstel en opbouw nodig, zowel plaatselijk, classical als landelijk. Via noodclasses en een noodsynode werd een nieuwe classicale indeling gevormd en een volwaardige synode gekozen. De opleiding moest opnieuw georganiseerd worden. Dankbaarheid jegens de Koning der Kerk is gepast bij het zien van de voortgang van het kerkelijke leven na 1 mei 2004.

Predikantschap van Ds. P. Korteweg in Vrouwenpolder
In Vrouwenpolder diende ds. L. Groenenberg de gemeente vanaf 7 september 1986 tot zijn afscheid op 20 januari 2008, na ruim 21 jaar. Zijn opvolger, ds. P. Korteweg, werd verbonden aan de gemeente op 21 januari 2009 en diende deze vijf jaar. Zijn opvolger werd ds. J.
De Doleantie en de Gereformeerde Kerk te Vrouwenpolder
De Gereformeerde Kerk te Vrouwenpolder ontstond op 13 april 1887 als ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’, onder leiding van ds. P.J.W. In de geschiedenis van deze kerk zijn diverse gebeurtenissen van belang: het ontstaan als Dolerende Kerk (1887), de ingebruikneming van eigen kerken (1887 en 1903), de Vrijmaking in 1945 met het verlies van het kerkgebouw en de ingebruikneming van een nieuw bedehuis (1953), en de opheffing van de Gereformeerde Kerk door de vorming van de Protestantse Gemeente en de buitengebruikstelling van het gereformeerde kerkgebouw (beide in 2004).
De Doleantie in Middelburg en de rol van ds. P.J.W. Klaarhamer
De Doleantie in Vrouwenpolder is nauw verbonden met de gebeurtenissen in Middelburg. Daar was ds. P.J.W. Klaarhamer predikant in de hervormde gemeente. Toen ds. G.J. Barger uit Driebergen in maart 1886 beroepen werd in Middelburg, weigerde hij de roeping op te volgen omdat hij door het tekenen van de beroepsbrief gehoorzaamheid aan de reglementen van de hervormde kerk zou beloven. Collega Klaarhamer bood aan Barger in Middelburg te bevestigen zonder die ondertekening, maar Barger ging niet naar Middelburg. Op 4 november 1887 ging hij zelf in Doleantie in Driebergen. Ds. Klaarhamer kreeg hierdoor problemen met de classis Middelburg.
Openbare Brief van ds. A. Littooij
Ter verdediging van zijn hervormde collega schreef de Middelburgse christelijke gereformeerde ds. A. Littooij op 5 maart 1887 een ‘Openbare Brief’ aan het hervormde classicale bestuur. Hierin nam hij het voor ds. Klaarhamer op, met wie hij naar eigen zeggen eenzelfde strijd voerde. Hij bekritiseerde de gesloten ogen voor de vrijzinnige prediking in de hervormde kerk en stelde dat het veroordelen van rechtvaardigen en herders om hun gehoorzaamheid aan God een gruwel is voor de Heer. De classis negeerde dit echter, en op 8 maart 1887 werd ds. Klaarhamer geschorst. Dit was voor ds. Klaarhamer de druppel. Op dezelfde dag vond de instituering van de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ te Middelburg plaats, de eerste in de provincie. De Dordtse Kerkorde werd weer van kracht verklaard. Klaarhamer vormde met vier uitgetreden ouderlingen en drie diakenen de kerkenraad van de Dolerende kerk in Middelburg. Vervolgens institueerde hij dolerende kerken in Serooskerke, Vrouwenpolder, Gapinge, Koudekerke, Vlissingen, Grijpskerke, Arnemuiden, Sint-Laurens en Oost- en West-Souburg.

De Doleantie te Vrouwenpolder
In oktober 1886 werd op Walcheren een classicale conferentie gehouden waar predikanten spraken over kerkelijke moeilijkheden. De 'benauwde broederen' te Amsterdam, waaronder dr. A. Kuyper, werden vervolgd, wat een standpuntbepaling vereiste. Twee hervormde predikanten, ds. Van Boven en ds. Philippus Peter, verzetten zich tegen de synodale hiërarchie. Ds. Peter noemde het een "ontzettende zonde" om langer toe te zien hoe het Koningschap van de Heer Jezus Christus in Zijn gemeente vertrapt werd. Ds. Peter was hervormd predikant te Serooskerke en consulent van de hervormde gemeente te Vrouwenpolder, die vacant was. In Serooskerke had de kerkenraad zich op 6 april 1887 afgescheiden van het hervormd kerkbestuur en de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ geïnstitueerd, onder leiding van ds. Klaarhamer. Ds. Peter trok zich daarna terug. De kerkenraad van Vrouwenpolder, waar ds. Peter als consulent had laten blijken dat "in den bestaanden toestand verandering moest komen", besloot op 12 april 1887, een week na Serooskerke, ook in Doleantie te gaan. De kerkvoogden, die het beheer over de kerkelijke goederen voerden, bleven dit doen en verklaarden zich te onthouden van oordeel over de daad van de kerkenraad, en zich te richten op het beheer van het kerkegoed ten behoeve van de gemeente.
In haar mededelingen aan andere hervormde gemeenten op Walcheren maakte de kerkenraad van Vrouwenpolder duidelijk dat zij niet met de Hervormde Kerk, maar slechts met het hiërarchische bestuur ervan gebroken had. Als afgevaardigden van de kerkenraad van Vrouwenpolder woonden de ouderlingen C. de Kam en P. [naam ontbreekt] de bijeenkomsten bij.
Ds. Klaarhamer gaf in de kolommen van de Zeeuwsche Kerkbode een afkeurende beoordeling van het optreden van ds. Peter, na diens dubbelhartige houding in Serooskerke en Vrouwenpolder. Op 6 oktober 1886 was het motto "voor Koning Jezus, tegen de synode", maar op 3 april 1887 leek het "Tegen Koning Jezus, voor de Synode".
Nadat de kerkenraad zijn beslissing had meegedeeld aan de burgemeester en de politie om bescherming te vragen tegen mogelijke bemoeilijking, gebeurde het volgende: een paar dagen later sloten drie predikanten, zonder voorafgaande kennisgeving aan de kerkenraad of kerkvoogden, de kerk en de kasten. De kerkvoogden namen de sluiting niet onmiddellijk weg, maar wachtten met het aanspannen van een proces. Een soortgelijk geval had zich in Serooskerke voorgedaan en de rechter zou hierover beslissen. Afhankelijk van de uitspraak zouden de kerkvoogden actie ondernemen. Begin juni 1887 gaf de kerkenraad van Vrouwenpolder opdracht tot de bouw van een houten 'hulpkerk' op een stuk grond aan de Schoolstraat. Ondertussen werden de diensten in een schuur van een gemeentelid gehouden.
De eerste diensten en de bouw van de hulpkerk
Tijdens de periode van de bouw van de hulpkerk gingen diverse 'voorgangers' voor in de diensten. Op 19 juni 1887 ging de heer Van Leeuwen voor, op 26 juni de heer J.D. van der Velden, theologisch candidaat, op 3 juli de heer K. Werner uit Amsterdam en op 17 juli ds. [naam ontbreekt]. De genoemde voorgangers waren meestal nog geen predikant en gingen dus voor in een leesdienst, waarbij preken van 'oudvaders' werden gelezen. Theologisch kandidaat J.D. van der Velden (1859-1947) mocht echter wel preken, en half juli 1887 werd hij door de kerkenraad beroepen. Soms kwam er een 'echte' predikant, zoals ds. Klaarhamer, die op zondag 2 september 1887 de houten hulpkerk aan de Schoolstraat 'inwijdde'.
Oprichting van 'De Kerkelijke Kas' en verdere ontwikkelingen
Ondertussen was ook een Vereeniging 'De Kerkelijke Kas' opgericht. Omdat een Dolerende Kerk volgens de toen geldende regels geen overheidserkenning en dus geen rechtspersoonlijkheid kon krijgen, die echter wel nodig was voor een ordentelijk kerkelijk leven (voor financiële en andere transacties), werd, net als in alle andere Dolerende Kerken, 'De Kerkelijke Kas' opgericht om deze erkenning wel te verkrijgen. De kerkenraad van Vrouwenpolder besloot tot de oprichting van 'De Kerkelijke Kas' over te gaan. De kerkdiensten in de hulpkerk gingen gewoon verder. Op 16 oktober 1887 ging J. Brederveld uit Velsen voor, op zondag 13 november waren er twee leesdiensten door een van de ouderlingen, en tijdens de 'weekdienst' op woensdagavond 16 november om 7 uur preekte ds. [naam ontbreekt].
Half november 1887 eiste het hervormde classicaal bestuur van Middelburg, "doende wat des kerkeraads van Vrouwenpolder is", de afgifte van "alle gelden, goederen en boeken en andere bescheiden, die aan de diaconie dier kerk behoren." De diakenen dienden de genoemde spullen snel aan de classicale vertegenwoordigers over te dragen. Op 7 december 1887 werd de zaak voor de Arrondissementsrechtbank Middelburg in behandeling genomen. Mr. C. [naam ontbreekt] Advocaat en procureur mr. C. [naam ontbreekt] stonden de partijen bij. De hulpkerk bleef het onderdak van de Dolerende gemeenteleden.
Verdere beroepingen en de komst van ds. F.W.J. Wolf
Het beroepingswerk ging door. Op zondag 4 maart 1888 werden de gebruikelijke twee diensten gehouden: ’s ochtends een preeklezing, en ’s middags onder leiding van voorganger K. Werner uit Amsterdam. Verderop in de week, op de weekdienst van vrijdag 9 maart om zeven uur, ging ds. F.W.J. Wolf (1860-1944) van Axel voor. In dezelfde tijd nam diens oudere broer, J.H.M.F. Wolf (1859-1907), het beroep van de Dolerende Kerk van Serooskerke c.s. aan.
Het duurde tot 1899 voordat de kerk van Vrouwenpolder haar eerste eigen predikant kreeg. Enkele beroepen waren uitgebracht, waaronder een op ds. C. Oranje (1870-1907) van Berkel, die in januari 1899 bedankte en naar Den Haag vertrok. Kort daarna werd ds. F.W.J. Wolf van Axel beroepen, die bekend stond om zijn principiële strijd voor de afschaffing van de synodale hiërarchie. Hij bleef lange jaren in Vrouwenpolder tot zijn emeritaat in 1922.
Verandering van naam en de bouw van een nieuwe kerk
Tijdens de ambtsperiode van ds. F.W.J. Wolf voltrokken zich enkele opvallende zaken. In 1892 veranderde de naam van de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk’ in ‘Gereformeerde Kerk’. Landelijk waren de ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’ (uit de Afscheiding van 1834) en de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerken’ uit de Doleantie op 17 juni 1892 overeengekomen tot ineensmelting onder de naam ‘De Gereformeerde Kerken in Nederland’. In Vrouwenpolder ging dit zonder problemen, aangezien er geen ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’ in het dorp was.
Van meer belang was de nieuwe kerk die in 1903 in gebruik werd genomen op vrijwel dezelfde plaats als de houten hulpkerk aan de Schoolstraat. Architect Guillaume uit Vlissingen maakte de plannen. Het werd een opvallende kerk, waarin twintig jaar later een nieuw orgel werd geplaatst, afkomstig uit Ermelo en in 1896 gebouwd door J. Proper.
De Eerste Wereldoorlog en latere ontwikkelingen
De Eerste Wereldoorlog gaf de predikant veel werk, met name voor de soldaten die onder de wapenen kwamen. Ook zette hij zich in voor het christelijk onderwijs in het dorp. Een grensgeschil werd pas in 1959, na 47 jaar, volledig opgelost.
Opvolging en de Vrijmaking
In Vrouwenpolder werd ds. C. von Meyenfeldt (1899-1975) beroepen als opvolger van ds. Wolf, in combinatie met de kerk van Gapinge. Ds. P.J.O. de Bruijne (1903-1981) diende de Gereformeerde Kerk te Vrouwenpolder van 1928 tot 1933, eveneens in combinatie met de kerk van Gapinge. Zijn opvolger was ds. J.W. Tunderman (1903-1942), die van 1933 tot 1938 als predikant aan de kerk van Vrouwenpolder verbonden was.
Na het vertrek van ds. De Vries werd het beroepingswerk ter hand genomen. In juli 1944 werd gesproken met kandidaat J.J. Arnold (1916-2008) uit Zuidhorn, die daar hulpdiensten verrichtte, over de "ernstige moeilijkheden in ons kerkelijk leven". Kandidaten moesten een verklaring ondertekenen dat ze het eens waren met de besluiten van de Generale Synode van 1942 over de leergeschillen. Hulpprediker Arnold maakte duidelijk dat hij zo'n verklaring niet zou tekenen.
Vanwege een Duits bombardement van de dijken van Walcheren liep bijna het hele eiland onder water. Uit het ondergelopen Gapinge kwamen veel gemeenteleden naar Vrouwenpolder, vergezeld van hun predikant ds. J.M. Bloemkolk (1914-1997), die tijdens de vacature consulent in Vrouwenpolder was. Kandidaat Arnold maakte zich vrij.
De Vrijmaking in Vrouwenpolder
In Zuidhorn vond in januari 1945 de Vrijmaking plaats, onder leiding van ds. W.J. van Otterlo (1906-2003). Kandidaat Arnold deed dit ook, erop rekenend dat "de kerkenraad van Vrouwenpolder op de basis waarop hij was beroepen, Gods Woord en de Drie Formulieren [de drie belijdenisgeschriften van de Gereformeerde Kerken] en op die basis alléén, zou blijven staan". De kerkenraad stond voor de beslissing zich vrij te maken of het beroep in te trekken. Van 19 tot en met 21 juni 1945 werd hierover vergaderd. Aan het eind van de vergadering op 21 juni besloot de kerkenraad, na de gemeente gehoord te hebben, zich te blijven stellen op de oude grondslag: Gods Woord, de Drie Formulieren van Enigheid en de Dordtse Kerkenordening, en de kerkelijke gemeenschap op te zeggen met de Generale Synode en alle meerdere vergaderingen en Kerken die zich in haar verte... [tekst eindigt hier abrupt].