Het verhaal van Simon de Tovenaar, zoals opgetekend in Handelingen 8, roept vele vragen op. Hoe kan iemand die aanvankelijk tot geloof komt, later zo in de fout gaan? Simon dacht Gods gave voor geld te kunnen kopen, wat leidde tot een krachtige reactie van Petrus. Deze episode nodigt uit tot reflectie: proberen wij niet soms met geld iets te 'ritselen' in kerk of geloof?
Petrus spreekt fel, maar het is niet hij die de deur voor Simon sluit. Petrus spreekt de 'wens' uit dat God hem zal oordelen. Dit benadrukt dat Simons positie niet recht voor God was. De afstand die we hier ervaren, is vergelijkbaar met de vraag of wij proberen met geld invloed te kopen binnen het geloof.
De tekst stelt de vraag hoe het met Simon is afgelopen en of we kunnen spreken van "Simon de bekeerde". Lukas beschrijft niet dat Simons geloof vals was; integendeel, zowel de bevolking van Samaria als Simon komen tot geloof. De zorgvuldigheid waarmee Lukas zijn woorden kiest, is in veel vertalingen niet direct zichtbaar. Er is echter een verschil tussen het initiële geloof en latere acties.
Simon schrikt van Petrus' woorden en vraagt om gebed. Is dit schijnheilig afschuiven of het resultaat van diepe radeloosheid? Dit blijft een open vraag. De reactie van Petrus en Johannes, die Gods Woord getuigen en erover praten, ook met Simon, is veelzeggend.
Het Boetekleed van Simon
Het spreekwoord "het boetekleed ontsiert den man niet" gaat in veel gevallen op. Als een boetekleed wordt gedragen zoals de Heilige Schrift leert, is het een sieraad. Echter, net zoals er valse boeten zijn, bestaan er ook namaak-boetekleren. Deze sieren alleen hen wier smaak vervalst is. Wie de waarheid kent, laat zich niet bedriegen.
Simon de tovenaar doet boete en vraagt om voorbede. Dit klinkt mooi: "broeder Simon vraagt de voorbede der gemeente in nood". Dit is een boetekleed, maar het ontsiert. Als men dit niet inziet, kent men zijn belijdenis niet. Artikel 35 van de geloofsbelijdenis stelt dat de goddeloze het sacrament tot zijn verdoemenis ontvangt, maar niet de waarheid van het sacrament, zoals Judas en Simon de tovenaar. Zij ontvingen het sacrament, maar niet Christus, die alleen door gelovigen wordt ontvangen.
Dit is de plaats die de belijdenis toekent aan Simon de tovenaar. Het verschil tussen iemand die zich ophangt en iemand die om voorbede vraagt, is groot. Zelfmoord is verschrikkelijk, en voorbede vragen is mooi. Toch staan deze twee daden, met hun laatste bericht, naast elkaar.

Simon de Magiër: Een Goddelijk Wezen?
We kennen hem als Simon de Tovenaar, maar de term 'magiër' wordt ook gebruikt voor de wijzen uit het Oosten. Het betekent een ingewijde die contact heeft met de hemel. Een magiër functioneert door de kracht die God of goden verlenen. Simon werd in zijn woonplaats, in het Samaritaanse land, jarenlang als een soort verlosser en goddelijk wezen beschouwd, dat energie van de hemel kon geven.
In zijn regio bestond een religie die aangeduid werd als gnostiek. De gnostiek staat tegenover de leer van Jezus Christus op enkele belangrijke punten:
- Schepping: De bijbel zegt dat God de hemel en de aarde schiep door zijn wil. De wereld is een schepping van God en staat oneindig boven Hem verheven. De gnostiek stelt dat God en de wereld van elkaar afkomstig zijn en beide van eeuwigheid bestaan.
- Zonde: De bijbel leert dat de wereld nooit God kan zijn en dat zonde schuld voor God betekent, een haat tegen God waarvoor Gods recht betaald moet worden. De gnostiek ziet zonde als groeistuipen, een wanklank die wel weer in orde komt.
Volgens de gnostiek ligt de kracht van God in ieder mens. Eén kracht wil naar boven, de andere naar beneden. Men moet zichzelf helpen en zich optrekken uit de dood, de edele kracht ontwikkelen. De mens is baas over zijn eigen zonden en krijgt het slechte wel onder controle. Simon predikte deze boodschap, waarbij hij zichzelf presenteerde als degene die de boodschap klaar maakt en de baas is over de drang naar het kwade.
Mensen die niet naar God toe wilden lopen, gingen naar Simon voor geestelijke "opkalfatering". Zij kwamen nooit toe aan de grote kracht van God die voor schuld betaalt. Kracht was voor hem het begin en einde.
De Kerk en de Kracht van het Geloof
Op een dag kwam Simon in aanraking met de kerk, die heel anders predikte. In de kerk is kracht nummer twee, en recht nummer één. Rechtvaardigmaking is nummer één, heiligmaking (kracht) is nummer twee.
De wereld zegt dat je het zelf moet doen, de kerk zegt dat God het moet doen. God laat de gelovige niet buiten; als hij levend gemaakt is, werkt hij zelf, maar de kracht is gegeven. Er moest iemand sterven voor deze kracht. De kracht die ontvangen wordt, is toegerekend en aangebracht. Dat is het grote recht Gods op Golgotha. Daarna komt de kracht Gods die de dode ziel levend maakt en uitstralende kracht geeft, maar dit is omwille van het recht.
Petrus en Johannes, apostelen bij de gratie van Jezus Christus, werden naar Samaria gezonden. Daar gebeurden nog meer wonderen, een soort tweede Pinksterfeest. Door het opleggen van handen werd macht uit de hemel uitgestraald. Sommigen konden zieken genezen, anderen in vreemde talen spreken.

De Verleiding van Simon
Simon, die dit zag, dacht: "Wat een krachten! Wat een kracht-stations zijn ook die Petrus en Johannes." De duivel sloop in zijn hart, net als eens in dat van Judas Iskarioth. Hij dacht: "Als ik nu eens apostel nummer dertien was, dan kon ik ook weer met krachten bijladen. Dan kwamen de mensen weer bij mij aanbellen en dan was ik weer het centrale punt in de kerk van Samaria. Petrus en Johannes gaan toch weer weg en dan kan ik blijven, extra benoemd voor de kerk van Samaria. Ik zal weer staan tussen God en de ziel. Ik was dan toch weer een soort messias."
Toen kwam Petrus en zei: "Uw geld zij met u ten verderve." De vraag is of Jezus' bloed, dat onstraffelijk is, kan worden omgezet in een flinke som geld. De kerk is een koningsvolk, waar alle gelovigen koningen, profeten en priesters zijn. Het ambt in de kerk is dienen. Als Jezus Christus zijn volk leidt, is er nooit een tussenschakel; er is een rechtstreekse toegang tot de Vader.
Petrus spreekt de harde woorden: "Gij hebt geen deel of lot in dit woord, want uw hart is niet recht voor God." Dit klinkt krasser dan gewone gesprekken; het is de kerkstijl die teruggrijpt op het Oude Testament en de tucht. Petrus zegt: "gij zijt in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid," wat neerkomt op excommunicatie. De kerk snijdt het rotte lid af.
Wanneer zo iemand dan zegt: "bidt voor mij," is hij verslagen. Simon, die graag nummer één wilde zijn, vraagt: "bidt gij voor mij." Dit is een teken van nederlaag. Wie vraagt, geeft zijn eigen positie prijs. Hij, die zelf de centrale voorbidder wilde zijn, zegt nu: "ik kan het zelf niet, doet gij het voor mij."
De Vergelijking met Paulus en de Kamerling
De Heilige Geest plaatst Simon naast andere figuren om de verschillende wegen van Christus te illustreren.
Simon versus Paulus
Bij Simon kwam het aan op kracht. Dit zoeken bij zichzelf vinden we ook bij Paulus, die als farizeeër niet aan kracht, maar aan recht dacht. Beiden geloofden dat men het zelf moest doen. God zegt van Paulus: "zie, hij bidt," en van Simon: "hij vraagt de voorbede."
Simon versus de Kamerling
Zowel Simon als de kamerling bevinden zich in een wirwar van religies. Simon in het gnostiek, de kamerling die religies door elkaar klutst. Simon vraagt om voorbede en focust op kracht. De kamerling leest in het boek van Jesaja 53, waar gesproken wordt over een Priester die met bloed betaalt, genezing brengt en de schuld draagt. Wanneer Simon de tovenaar vraagt om de kracht van de hemel te passeren zonder het recht te passeren, sluit Petrus het gordijn. Als de kamerling vraagt wat Jesaja 53 betekent, legt Filippus uit dat het over zijn Borg gaat. De kamerling gelooft, vraagt om gedoopt te worden en wordt gedoopt.
De kerk, die bij Simon de deuren sluit, opent zich voor de kamerling. De belofte "zal gegeven worden" is hier van kracht: wie persoonlijk bidt, krijgt een broeder en zuster in de kerk. Wie niet bidt, zoals Simon, van hem zal genomen worden ook wat hij heeft.

De Geloofsweg van Simon
Calvijn stelt dat er een middenweg is tussen oprecht geloof en louter huichelarij. Het geloof van Simon zou een tijdgeloof kunnen zijn, dat door wereldse zorgen en zondige begeerte wordt verstikt. Hij voelt dat de leer van het Evangelie waarachtig is en zijn geweten dringt hem dit aan te nemen, maar het fundament van zelfverloochening ontbreekt. Zijn hart is vol huichelarij, wat spoedig openbaar zal komen. Toch is hij beter dan de openbare of bedekte ongelovige, omdat hij voorshands meent het oprecht.
Wanneer Johannes en Petrus in Samaria aankomen, hebben zij gehoord dat Samaria het Woord Gods heeft aangenomen. Zij worden door de apostelen gezonden. Petrus, die geleerd heeft van zijn les bij de Jacobsbron, neemt de Samaritanen aan. Johannes wil niet langer vuur van de hemel bidden, maar om de komst van de Heilige Geest.
De Heilige Geest was nog op niemand van hen gevallen, alleen de doop in de naam van de Heer Jezus. Dit vermogen om de Heilige Geest mede te delen, was niet aan Filippus, maar aan de apostelen gegeven. Zij konden dit niet anders doen dan na gebed.
Simon vraagt juist dit: het mededelen van de Heilige Geest. Hij vraagt niet om de gave zelf, maar om de gave deze gave te kunnen mededelen. Zijn vroegere bedrijf leverde hem geld op, maar wat zou dit hem wel niet opleveren? Hij is bereid veel geld te betalen.
Petrus spreekt het geduchte woord: "Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt. Gij hebt geen deel noch lot in dit woord, want uw hart is niet recht voor God." Hij voegt eraan toe: "Want ik zie, dat gij zijt in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid."
De apostelen durven, kijken dwars door mensen heen en zeggen ronduit: "Uw hart is niet recht voor God." Petrus ziet dat Simons geloof niet echt is, dat hij het ook met zijn doop niet meent. Hij ziet dat Simon niet gebroken heeft met zijn oude leven en heilige dingen tot koopwaar maakt. Hij zocht niet het wel van het volk, maar wilde zich verrijken ten koste van anderen. Dit is die bittere gal voor het volk, ongerechtigheden die aan elkaar geknoopt worden.
Reflectie en Bekering
De tekst stelt de vraag of er tegenwoordig geen tovenaars zijn, mensen die geestelijke waarheden voor geld begeren, aflaten aanbieden en de genade en gave Gods te koop aanbieden. Filippus maakt Christus groot en zichzelf klein. Simon maakt Christus klein en zichzelf groot, door op kosten van Gods genade en gaven groot te willen worden.
Petrus voegt eraan toe: "Bekeer u dan van deze uwe boosheid en bid God of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd." Dit betekent niet dat vergeving een vanzelfsprekendheid is, maar spoort aan tot ijverig bidden, gezien de grootte van zijn zonde.
Simons antwoord: "Bidt gijlieden voor mij tot de Heere, opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt." Hij vraagt om voorbede ter wegneming van de straf, niet van de zonde zelf. Hij rept niet over bekering.
Calvijn neemt aan dat Simon zich bekeerd heeft. Het goede van Simons vraag is dat hij zich niet boos en geërgerd terugtrekt, maar zich niet onheus bejegend voelt. De hoogmoed van tegenwoordig, zelfs bij gelovigen, is enorm.
Het kwade is dat Simon om voorbede vraagt om de straf te ontgaan, maar niet om bekering. Velen bidden niet eens meer om de wegneming van de straf. Anderen willen de straf wel ontgaan, maar niet tot genade komen. Bekering en vergeving gaan hand in hand.
De tekst benadrukt dat de Heilige Geest ons waarschuwt tegen geestelijke misleiding en bedrog. Het verhaal van Simon de tovenaar is een ernstige waarschuwing. Het is belangrijk om opvattingen over de Heilige Geest te baseren op een gezonde uitleg van Gods Woord, om niet het gevaar te lopen van demonische invloed.