Het 'Nochtans' van Geloof en Lijden

De Lijdenspreeken van Dr. H.F. Kohlbrugge

Het lijden en sterven van onze Heere Jezus Christus vormt het grootste betoon van goddelijke liefde. Net zoals J.S. Bach in zijn Matthäus-Passion op een onnavolgbaar diepzinnige wijze het lijden en sterven van onze Borg vertolkt, doet dr. H.F. Kohlbrugge dit als prediker in zijn 'Lijdenspreeken'. Deze achttien preken, gehouden in de jaren 1847, 1848 en 1849, bezitten een inhoud die tot op heden actueel en verrassend is. Jaarlijks opnieuw onderga ik de indrukwekkende wijze waarop Kohlbrugge de hoogten en diepten van het lijdens­evangelie weet te verwoorden.

Opvallend is de voorliefde van de prediker uit Elberfeld voor het lied 'O Lamm Gottes, unschuldig'. Gedurende de lijdensweken liet hij dit lied zingen tijdens de eredienst, hetzelfde lied dat in het openingskoor van de Matthäus-Passion als een belijdenis opklimt.

portret van Dr. H.F. Kohlbrugge, theoloog uit Elberfeld

De 'Schedelpreek' en de Wonderlijke Ruil

In de tiende preek uit deze bundel concentreert Kohlbrugge zich op de woorden uit Johannes 19:16b-17: 'En zij namen Jezus, en leidden Hem weg. En Hij, dragende Zijn kruis, ging uit naar de plaats genaamd Hoofdschedelplaats, welke in het Hebreeuws genaamd wordt Golgotha.' Boven deze preek staat de titel: 'De Heiland, dragende Zijn kruis.' Kohlbrugge mediteert indringend over de betekenis hiervan en stelt de vraag: 'Was het dan niet ons kruis?' Hij beantwoordt dit bevestigend, maar voegt eraan toe dat wij, indien wij het zelf hadden moeten dragen, op het zien van zo'n kruis zouden zijn gestorven.

Hierop volgt het grote wonder, de wonderlijke ruil: mijn kruis werd Zijn kruis. Kohlbrugge verwoordt dit als volgt: 'En nochtans, Zijn kruis, al is het ook mijn kruis; want ik heb verdiend, de vloek, de eeuwige schande, de eeuwige smaad te dragen, en daaronder voor eeuwig om te komen, - nochtans: Zijn kruis! Zó heeft het de eeuwige liefde behaagd! Wat het mijne is, werd het Zijne; wat het Zijne is, werd het mijne.'

Deze preek wordt ook wel de 'schedelpreek' genoemd vanwege het markante fragment waarmee deze eindigt, een meditatie over een schedel. Kohlbrugge zegt daarin: 'Daarom, wanneer ik sterf, - ik sterf echter niet meer, - en iemand vindt mijn schedel, zo verkondige hem deze schedel nog: ik heb geen ogen, nochtans zie ik Hem; ik heb geen hersenen, geen verstand, nochtans omvat ik Hem; ik heb geen lippen, nochtans kus ik Hem; ik heb geen tong, nochtans zing ik Hem lof met u allen, die Zijn Naam aanroept. Ik ben een harde schedel, nochtans ben ik zeer week gemaakt en gesmolten in Zijn liefde; ik lig hier buiten op het kerkhof, nochtans ben ik in het Paradijs! Al het lijden is vergeten! Dat heeft Zijn grote liefde teweeggebracht, toen Hij voor ons Zijn kruis droeg en uitging naar Golgotha.'

Deze passage is veelvuldig geciteerd, onder andere door Kohlbrugge's biograaf Hermann Klugkist Hesse aan het einde van zijn boek. Ds. W.A. Hoek (1885-1975) heeft dit fragment uit de 'schedelpreek' vertolkt in berijmd en metrisch Nederlands. Hoek, bekend uit de kring van 'vrienden van Kohlbrugge', was tevens de schrijver van het boekje H.F. Kohlbrugge, de onheilige heilige. In deze publicatie is Hoeks gedicht, getiteld 'Levenslied', tweemaal opgenomen:

Wanneer ik eens gestorven ben, - maar ik zal nimmer sterven -
en iemand vindt mijn schedel dan, die alle licht moet derven;
dan predike die schedel nog: ik zie Hem zonder ogen,
ik mis verstand, toch grijp ik Hem, zal eeuwig Hem verhogen.

Ik heb geen lippen en geen tong, maar kus Hem, mag Hem loven
met de belijders van Zijn Naam op aarde en hierboven.
Ik, hard en dood, ben wonderbaar versmolten in Zijn liefde,
want Hij ging uit naar Golgotha, waar ’t zwaarste leed Hem griefde.

Ik ben hier ver van ’t Paradijs, op sombere dodenakker,
toch leef ik ’t volle leven nu; Zijn liefde riep mij wakker.
Ik ben een dorre schedel slechts, maar alles trilt van ’t leven,
dat Zijne liefde wonderbaar, mij, arme, wilde geven.

En alle leed is nu voorbij, omdat Hij, wreed geslagen,
de vloek van zonde en van dood voor mij heeft weggedragen.

Dit diepzinnige gedicht brengt het paradoxale karakter van het geloof onder woorden. Boven alle schijnbare tegenstrijdigheid uit en tegen alle ervaring in, staat het nochtans van het geloof dat altijd de overwinning behaalt.

Christus als de Allergrootste Zondaar

In zijn indrukwekkende preken benadrukt Kohlbrugge vooral dat Christus waarachtig mens is. Hij treedt in de plaats van de zondaar, wordt zonde voor ons gemaakt en doet zo de wil van Zijn Vader. Op Golgotha wordt Gods heilig gericht over Jezus voltrokken tot in de dood; Hij neemt de zonde van de wereld op Zich. Hij stierf opdat wij zouden leven.

Kohlbrugge vat dit diepe mysterie samen met de woorden: 'De Heere stierf aan het kruis als de allergrootste zondaar, als de allergoddelooste en allersnoodste zondaar; Hij stierf aan het kruis als de zondaar, als de enige zondaar. Geen van allen, die God van eeuwigheid had verkoren, was op dat ogenblik zondaar, maar God legde hun zonde op Zijn heilig Kind Jezus. Hij stond alleen voor Zijn rechterstoel als Degene, Die Zijn verbond had overtreden. Hij stond daar alleen, om alle leed, pijn en smart, voortkomende uit de rechtvaardige toorn Gods tegen de zonde, aan lichaam en ziel te ondergaan met eeuwige pijn. En daarom moet Hij sterven de allersmadelijkste en meest vervloekte dood, de dood aan het kruis.'

In De leer des heils stelt Kohlbrugge de vraag: 'Hoe is door de dood van Christus de zonde uit het midden weggedaan?' Zijn antwoord luidt: 'Omdat Hij was, wat wij waren, een Mens in onze plaats, heeft Hij onze zonden, onze afval van God, onze vijandschap en ons tegenstreven tegen God en onze verdraaidheid in Zijn lichaam op het kruis gedragen, aan hetwelk Hij daarvoor leed en stierf.'

illustratie van de kruisiging van Jezus

Het 'Nochtans' van het Geloof in Tijden van Moeilijkheid

Soms zijn er dagen dat alles grijs blijft, een realiteit die moeilijk toe te geven is. In plaats daarvan neigen we ertoe te zeggen dat het altijd goed gaat, wat een leugen is. De waarheid is dat we soms in die grijze dagen hangen. Dan kijken we naar de straatstenen beneden ons en hebben we geen zin om te schateren om een grap of door een supermarkt vol bekenden te lopen.

Op zo'n grijze dag las ik het woord 'nochtans' in het Bijbelboek Habakuk. Een woord waarin ik op dat moment geen zin had. Maar 'nochtans' ademde me tegemoet. Habakuk schrijft dit lied in oorlogstijd, terwijl de legers van Nebukadnezar op zich afkomen. Donkere wolken hangen boven zijn hoofd. Elke dag kan de verwoesting komen. Misschien heb jij dat ook meegemaakt in je leven.

Het lied van Habakuk gaat over het worst case scenario, maar dan neemt het een vreemde wending. Habakuk zingt: 'Al zou ik alles kwijtraken, dan toch. Nochtans. Dan ga ik niet bij de pakken neerzitten. Van vreugde opspringen…' Misschien schud jij je hoofd en denk je: 'Stop met je nochtans. Stop met je blij zijn. Hoe moet ik van vreugde opspringen in mijn situatie? Als ik vastloop met mijn baan? Als ik vastloop met mezelf?'

Maar Habakuk zingt: 'Ik zal in den HEERE van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils.' Niet zomaar blij zijn, maar blij zijn in God, de God van mijn heil, de God die redt. Hij is bezig. Als ik mijn ogen sluit, zie ik Hem voor me: de Man die lijden kende, de Man die alle worst case scenario's kende en ze droeg. Hij wist hoe het is om veracht te worden. Hij was bekend met ziekte. Verwond werd Hij, verbrijzeld. Jezus keek vérder dan al het lijden wat wij kennen; Hij keek naar de bron van het lijden: de zonde. Door Jezus’ sterven is de macht van de zonde en de dood tenietgedaan.

'Ik vind het zo moeilijk dat ik het nog niet zie', verzucht ik. 'Want… mijn verdriet en pijn blijven… En het lijden dragen voelt zo zwaar…' Misschien zucht jij achter je beeldscherm wel mee. 'Je hoeft het niet alleen te doen', fluistert een Stem. 'Je hoeft het nooit alleen te doen. Ik heb alles gedragen. En onthoud: Wie in Mij gelooft zal ooit weer lachen en dansen. Omdat Ik de straf gedragen heb. Je hart zal geheeld zijn en je voeten zullen als de hinden springen over de bergtoppen. Het duurt nog even.'

Waterval Meditatie | Ontspanning in moeilijke tijden

Kohlbrugge's Theologie: Zonde, Genade en Christus in het Centrum

De nieuwe bundel Hermann Friedrich Kohlbrugge, biografie, theologie en teksten, die 150 jaar na Kohlbrugge's overlijden verschijnt, bevat bijdragen van diverse theologen. In elke bijdrage wordt iets belicht van de inhoud van Kohlbrugge's theologie, waarin drie sleutelbegrippen centraal staan: zonde en Gods grondeloze genade in Christus; het nochtans van het geloof; en Christus in het middelpunt.

Hendries Boele, een van de redacteuren, is al jaren geboeid door Kohlbrugge. Zijn fascinatie begon in zijn jeugd, mede door de theologische boeken die zijn vader las. Hij raakte geïnteresseerd in de werken van Luther en Calvijn, en later specifiek in Kohlbrugge. Wat Boele in Kohlbrugge vond, was een zeggingskracht in zijn preken die anderen misten, omdat deze 'op het hart' mikken. Het zijn geladen woorden die tot je komen: God redt reddeloze mensen door genade alleen, Hij redt ons door Zijn 'hardnekkigste liefde'.

Wat maakt Kohlbrugge, een puritein, anders? Boele wijst op Kohlbrugge's accent op het feit dat slechts goddelozen gerechtvaardigd worden. Hij benadrukte de leer van de rechtvaardiging door het geloof alleen sterker dan vrijwel iemand anders. Dit is de grondtoon van al zijn preken: hij schildert onze diepe verlorenheid, maar daartegenover Gods grondeloze genade in Christus.

Prof. dr. C. Graafland merkte eens op dat als je eenmaal door Kohlbrugge gegrepen bent, je daar niet meer van loskomt. Dit geldt ook voor Boele, hoewel hij ook kan genieten van Luther, Calvijn en anderen. Hij is zeker niet eenkennig.

De uitspraak van Kohlbrugge: 'Wie mij begrepen heeft, schrijft geen boek over mij', wordt in de nieuwe publicatie ter discussie gesteld. Boele merkt op dat deze zinsnede niet in Kohlbrugge's werken is terug te vinden. Bovendien heeft Kohlbrugge zelf het nodige over zijn leven verteld en anderen aangemoedigd om daar gebruik van te maken.

Het nieuwe boek biedt nieuwe inzichten, met name op het gebied van historische studies en Kohlbrugge's contacten. Er is uitvoerig geput uit de rijke bronnen van het Kohlbruggearchief in Utrecht en het Gelders Archief in Arnhem, waar de correspondentie van zijn schoonfamilie, de familie Van Verschuer, werd ontdekt.

'Doorleefde' Prediking

Boele omschrijft Kohlbrugge's prediking als 'doorleefd'. Dit is niet hetzelfde als puur rationeel, maar betrekt ervaring en bevinding nauw op het Woord en de dagelijkse ondervinding. Hij wordt daarbij herinnerd aan een vraag uit zijn Leer des Heils: 'Waaruit weet u dat God een ontfermer voor u is? Ik ervaar het alle dagen en weet het uit Zijn heilig Woord.' De ervaring blijft op het Woord gericht, want daarin vindt zij haar bron.

De kernvraag van Kohlbrugge's prediking was: 'Bent u tevreden met Mijn Lam? Ja! o ziel? Dan antwoordt God: Nu, dan ben Ik ook tevreden met u.' Kohlbrugge zegt: 'Laat ons tot God komen mét onze zonden. Dan zullen we van de genadetroon deze lieflijke woorden vernemen. Men kent God -schrijft de Elberfelder- slechts aan dit ene, dat Hij de zonde vergeeft en de overtreding bedekt. Alle andere kennis van God, ze moge nog zo groot zijn, is in de grond toch slechts ijdelheid.' De zondenvergeving vormt de kern van de geloofskennis.

Kerkelijk Nederland en Kohlbrugge

Hoewel kerkelijk Nederland Kohlbrugge terzijde heeft geschoven, was hij voor velen tot zegen, tot op de dag van vandaag. Hij is onheus behandeld door kerkelijke besturen; tweemaal, in 1832 en 1845, werd hem het lidmaatschap van de Hervormde Kerk willekeurig belet. Inmiddels heeft hij eerherstel gekregen en wordt hij algemeen erkend als een invloedrijk theoloog, zowel in de Hervormde Kerk als in afgescheiden kringen.

Het nieuwe boek stelt dat de kerk van vandaag gediend is met de heilzame prediking van Kohlbrugge. Zijn preken vertolken een theologische visie die van blijvende relevantie en actualiteit is. Ze raken het hart tot in haar diepste bestaan en hebben een zeggingskracht die tijdloos is. De grondtoon ervan is Gods grondeloze genade voor een verloren zondaar. De theologie van het kruis behoort tot de kernpunten van zijn prediking. Christus, de Gekruisigde, is Degene Die het verlorene zoekt, Die de goddeloze rechtvaardigt en heiligt.

Kohlbrugge verkondigt de paradox van zonde en genade. Hij spreekt mensen aan als zondaren, maar toont ook de rijkdom van Gods opzoekende liefde. In zijn Leer des Heils klinkt de verwondering: 'Dat God Zichzelf in Christus aan mij, die Zijn vijand was, tot Zijn eeuwige vriend gegeven heeft, waarbij ik erken dat ik niets ben, en dat alles alleen Zijn ontferming is.'

Het 'Nochtans' van het Geloof

Het woordje 'nochtans' komt vrijwel in elke preek van Kohlbrugge voor, soms wel 57 keer in één preek. Het hangt samen met de aandacht die hij in zijn prediking geeft aan de aanvechting van het geloof. Hij zegt: 'Wij mensen hebben duizendmaal een "maar", tegen het "nochtans" van het Woord.' Het nochtans van het geloof klampt zich vast aan Gods beloften en vindt daarin zijn vaste grond. Kohlbrugge spreekt over het lieflijke nochtans van Gods Woord, over het zalige nochtans van de Heilige Geest. Hij vergeleek dit woordje eens met een wapen: 'Ik draag in mijn gordel een kleine priem, geheten "nochtans". Als we dit kleine instrument in handen hebben, moeten alle vijanden ons ongedeerd laten.' Dit middel wordt ons aangereikt door Gods Woord en de Heilige Geest.

illustratie van een kompas met de tekst 'Nochtans'

Kohlbrugge's Mensbeeld en Karakter

Kohlbrugge's prediking wordt omschreven als een scherp wapen tegen allerlei activisme, dat meent iets te moeten presteren voor God. Ons activisme legt geen enkel gewicht in de schaal; het gaat om Gods genade alleen. Er is geen grotere bevrijding dan te weten dat je een goddeloze bent en dat je niet meer behoeft te zijn voor God dan dat. We moeten ons geheel op Christus verlaten tot onze rechtvaardiging en heiliging. Heiliging is geen prestatie van ons, maar een gave die we ontvangen uit Zijn genade.

Als mens had Kohlbrugge een hoekig karakter. Willem de Clercq typeerde hem als 'streng' en 'niet aangenaam'. Zijn vriend Isaäc da Costa was ontstemd over Kohlbrugge's bekende 'kommapreek' over Romeinen 7 vers 14, wat leidde tot een levenslange vervreemding. Deze preek vond geen weerklank in de kring van het Reveil en ook niet bij de Afscheiding. Toch was Kohlbrugge in de eerste plaats een herder, wat weerspiegeld wordt in zijn preken en omvangrijke correspondentie.

De term 'onheilige heilige' wordt verklaard door te stellen dat Kohlbrugge onheilig was in zichzelf, maar geheiligd in Christus. Net als Paulus de gemeente aanspreekt als heiligen, hoewel er zondaren in zaten, zag Kohlbrugge de zondaar zoals God hen in Christus ziet: als heiligen. Kernachtig klinkt het in zijn kommapreek: 'Hebt u waarlijk vergiffenis van uw zonden in het bloed van Christus, zeg dan vrijmoedig: ik ben heilig - wanneer u niets dan onreinheid in u ziet. Zalig zijn die niet gezien hebben en nochtans geloofd hebben.' De gelovige ziet zich 'onrein, nochtans is men rein, melaats, nochtans is men gezond, onheilig, nochtans is men heilig, goddeloos, nochtans is men rechtvaardig'. Deze paradoxen zijn zo karakteristiek voor zijn prediking.

De Relevantie van Kohlbrugge Vandaag

Hendries Boele hoopt dat kerkelijk Nederland de preken van Kohlbrugge weer gaat lezen. De lijdenstijd is weer aangebroken, een goed moment om zijn lijdenspreken ter hand te nemen. Het zijn stuk voor stuk juweeltjes waarin de hoogte en de diepte van zijn verkondiging op een aangrijpende manier vertolkt worden.

De kerk van vandaag is gediend met de heilzame prediking van Kohlbrugge. Zijn preken raken het hart tot in haar diepste bestaan en hebben een zeggingskracht die tijdloos is. De grondtoon ervan is Gods grondeloze genade voor een verloren zondaar. De theologie van het kruis behoort tot de kernpunten van zijn prediking. Christus, de Gekruisigde, is Degene Die het verlorene zoekt, Die de goddeloze rechtvaardigt en heiligt.

Kohlbrugge verkondigt de paradox van zonde en genade. Hij spreekt mensen aan als zondaren, zonder ook maar iets te verhullen, maar daartegen toont hij ook de rijkdom van Gods opzoekende liefde. In zijn Leer des Heils klinkt de verwondering: 'Dat God Zichzelf in Christus aan mij, die Zijn vijand was, tot Zijn eeuwige vriend gegeven heeft, waarbij ik erken dat ik niets ben, en dat alles alleen Zijn ontferming is.'

boekomslag van 'Hermann Friedrich Kohlbrugge, biografie, theologie en teksten'

tags: #preken #over #nochtans