De Protestantsche Kerk van Gasselte: Een Historische Verkenning

Aan de rand van het Drentse dorp Gasselte, dat zijn oorsprong vindt in de vroege middeleeuwen, staat een opvallend kerkje. Rijdend door de Dorpsstraat valt het kerkje echter nauwelijks op. Wie dan het pad richting de kerk omhoog rijdt, ziet de kerk pas dan in zijn geheel tegen de rand van de es. Deze plaats werd vermoedelijk al in de dertiende eeuw gekozen als een goede plek voor kerk en kerkhof. De kerk ligt aan de rand van een inham in de Hondsrug die in het verre verleden gemakkelijk toegang gaf tot de hoger gelegen gronden vanuit het oosten. De Hondsrug steekt hier meer dan vijftien meter boven het dal uit en via de inham, ooit uitgesleten door het water, vond men een gemakkelijke doorgang naar het westen. Op de flank van deze inham met een hoog achterland waarop landbouw gepleegd kon worden, ontstonden twee buurtschappen. Deze buurtschappen, Grotenend en Lutkenend, vormden later samen Gasselte. De kerk, gewijd aan Maria, werd gesticht vanuit Borger en precies tussen de twee buurtschappen gebouwd.

Vroege middeleeuwse nederzetting in Gasselte op de Hondsrug

Architectuur en Bouwgeschiedenis

Het oudste deel van de huidige kerk dateert vermoedelijk uit de tweede helft van de dertiende eeuw. De eerste vermelding van de kerk is in 1328. Aan de binnenzijde van de kerk zijn nog bouwsporen te vinden van hoe deze er oorspronkelijk uit moet hebben gezien. Restanten van aanzetten voor bogen wijzen namelijk op de aanwezigheid van koepelgewelven. Deze zijn mogelijk nooit voltooid of men zag af van deze bouwwijze. Rond 1450 werd namelijk al een raam dwars door zo’n aanzet gebroken.

Interieur van de kerk met zichtbare bouwsporen van vroegere gewelven

De Reformatie en de Nieuwe Tijd

In de zestiende eeuw moesten ook in Gasselte de tekenen van verandering gevoeld worden. De Reformatie kreeg ook hier meer aanhangers, maar het zou nog lang duren voordat Gasselte daadwerkelijk overging naar het hervormde geloof. In 1598 vaardigde Stadhouder Willem Lodewijk een proclamatie uit die inhield dat de hervorming in Drenthe een feit was. Het kerkbestuur van Gasselte stuurden daarop een brief terug aan de Stadhouder. Dit was geen dankbrief, maar een bericht dat het bestuur zeer tevreden was over pastoor en vicaris en dat men geen behoefte had aan een predikant. In deze roerige jaren werd Gasselte bediend vanuit Gieten. Pas in 1611 kreeg Gasselte een eigen predikant.

Zoals op vele plaatsen werden ook in Gasselte op het kerkhof misstanden aangetroffen die zich niet verhielden met het nieuwe geloof. In 1651 moet de eerste grote verbouwing na de hervorming hebben plaatsgevonden. De kerk zou daarbij aanzienlijk vergroot zijn. Onbekend is echter wat er allemaal gedaan is. Wel zijn daarbij de bovendelen van de muren uitgevoerd in baksteen in plaats van het eerder toegepaste zandsteen.

In 1787 gaven de kerkvoogden opdracht tot een ingrijpende verbouwing. Daartoe werd de architect A. Meursing aangesteld. Hij liet een vrijstaande klokkenstoel uit 1696 vervangen door de huidige dakruiter. Van de verbouwing in 1787 lieten de kerkvoogden deze gevelsteen na.

Gevelsteen ter herinnering aan de verbouwing van 1787

Negentiende-Eeuwse Verbouwingen en Restauraties

In de negentiende eeuw volgden nog enkele verbouwingen. In 1851 werd een nieuw dak aangebracht, voorzien van blauwe pannen. De buitenmuren werden wit gepleisterd. In het interieur werden ook wijzigingen aangebracht. Zo werd de preekstoel verplaatst, het doophek en de herenbanken verwijderd en werd het nog aanwezige gotische raam met gemetseld tussenstuk en gebrandschilderde ramen verwijderd.

Na de Tweede Wereldoorlog was de kerk toe aan een grondige restauratie. Daarbij werd ondermeer de pleisterlaag vervangen door een witte verflaag.

Het Kerkhof en Grafcultuur

In de vloer, waar na 1829 niet meer is begraven, liggen net voor het koor nog twee sarcofaagdeksels uit de negende of tiende eeuw. Verder vinden we op het koor zelf nog twee achttiende-eeuwse zerken. Links ligt een hardstenen zerk voor schulte Jan Alingh en zijn vrouw Roelefie Husingh. Beiden overleden in 1784 en de steen is dan waarschijnlijk ook in één keer gemaakt. Voor beiden is een ovale cartouche op de steen opgenomen met in het midden het familiewapen van de Alingh’s. Onderaan zijn twee funeraire symbolen opgenomen, te weten een zandloper en een schedel met knoken.

De tweede steen is van zandsteen en een stuk kleiner dan de eerste. Deze steen is voor Johan Hilbing (1655-1709) die uit een vooraanstaand Drents geslacht kwam. Hij bekleedde in Drenthe hoge functies. Zo werd hij al op twintigjarige leeftijd beëdigd als landdagcomparant van Drenthe. Vanaf 1694 tot zijn overlijden maakte hij deel uit van het hoogste rechtscollege van Drenthe, de zogenaamde Etstoel. Hilbing was ook kerkvoogd van de kerk van Gasselte en werd hier dan ook begraven. Bovenin zijn zerk is een familiewapen opgenomen tussen palmtakken.

Op het koor hangt ook nog een aantal borden waarop een overzicht is opgenomen van de predikanten die gediend hebben in de kerk vanaf 1600.

Zerk van Johan Hilbing op het koor van de kerk

De sarcofaagdeksels in de kerkvloer wijzen erop dat er al heel erg lang begraven werd op deze plek. Bij opgravingen in 1885 zijn er zelfs overblijfselen gevonden van begravingen uit de zesde of zevende eeuw.

Van oorsprong was de ruimte rondom de kerk misschien wat minder duidelijk afgebakend dan het beeld dat we krijgen uit de negentiende eeuw. In de noordwest hoek stond tot 1787 de klokkenstoel. Er werd waarschijnlijk vooral ten zuiden van de kerk begraven. Hier lag een strook van een meter of twaalf diep die vrij was voor begraven. Aan de noordzijde werd niet of nauwelijks begraven, of alleen de allerarmsten, zwervers en anderen die van buiten kwamen en in Gasselte overleden. De aangrenzende gronden waren van de “Pastorij”, waarmee de kerkvoogdij bedoeld werd. Mogelijk dat alleen aan de westzijde een duidelijke afbakening te vinden was. Hier was namelijk in 1613 een lage muur gebouwd. De forse kloostermoppen die gebruikt werden, waren geschonken door Gedeputeerde Warmolt Bronniger die ze mogelijk had verkregen uit de verbouwing van de Asser abdij bij het klooster aldaar.

In de negentiende eeuw is aan de oostzijde van het kerkhof een forse uitbreiding tot stand gekomen. De uitbreiding vond plaats in 1829, het jaar dat het verboden werd om nog langer in kerken te begraven. Volgens bronnen was men in de Franse tijd al gestopt met begraven in de kerk en dat zal betekend hebben dat er ruimte nodig was. Verschillende families uit het dorp kochten meerdere graven tegelijk, zogenaamde slagen. Daarmee realiseerden ze voor hun familie voldoende grafruimte. Er zijn tekeningen bekend waarop te zien is aan welke families slagen werden uitgegeven. De ruimte ten zuiden van de kerk tot de erfscheiding was in dertien rijen van elk twee slagen verdeeld. De nieuwe ruimte daarachter liep vanaf een voetpad, dat aansloot op het koor van de kerk, tot de erfscheiding. Hier werden ook dertien rijen met telkens twee slagen uitgegeven. De pastorie claimde drie slagen, terwijl sommige kleinere families met een halve slag genoegen namen. Zo’n slag werd dan verdeeld in een noord en een zuid-deel. Het slagen-systeem is nog goed herkenbaar in de lange grafvakken, afgezet met hekwerken en telkens een tekst voor de overledene in het graf daaronder.

Vanuit het dorp werd begraven door de dorpelingen zelf. De ‘naobers’ oftewel de naburen, zorgden voor uitvaart en begraving. In 1884 werd echter een doodgraver aangesteld, want de naobers namen het niet altijd even nauw met de juiste diepte en afmetingen van het graf. In 1923 werd ten zuiden van het dorp een nieuwe begraafplaats geopend door de toenmalige gemeente Gasselte. Hierna werden op het kerkhof na 1924 geen nieuwe graven meer uitgegeven. In 1977 vond de laatste bijzetting plaats. Mogelijk is het kleine baarhuisje dat links van de kerk stond toen ook afgebroken.

Op de nieuwe begraafplaats is nog iets terug te vinden van de grafcultuur zoals die ook op het kerkhof werd toegepast. In de loop der eeuwen is de ruimte tussen de es en het dorp aardig opgehoogd door alle begravingen. Daardoor ligt het zuidelijke deel van het kerkhof wat hoger dan de tuinen waaraan het grenst. Het kerkhof bestaat voornamelijk uit een grasveld met op regel een klein honderdtal grafmonumenten. Het gras wordt over het algemeen vrij kort gehouden, waardoor een verschraling is ontstaan en er weinig bijzondere planten te vinden zijn.

Rondom de kerk loopt een grindpad; andere paden zijn waarschijnlijk onder het gras verdwenen of ze zijn er nooit geweest. Aan de noordzijde van het kerkhof zijn geen grafmonumenten meer te vinden. Hier zijn veel grafmonumenten verwijderd om onverklaarbare reden. Het merendeel van de grafmonumenten is geconcentreerd ten oosten en zuiden van de kerk. Aan de westzijde, waar zich ook de toegang tot het kerkhof bevindt, wordt het kerkhof afgeschermd van de omgeving door de eerder genoemde lage muur. Deze muur loopt nog een klein stukje door ten noorden van de kerk. De omheining van het kerkhof bestaat voor de rest uit een beukenhaag. Deze is in 1870 geplant en sindsdien altijd goed bijgehouden. Op het kerkhof zelf komen geen struiken of bomen voor.

Vermoedelijk zijn veel grafmonumenten van hout geweest, maar slechts één stele is overgebleven. Deze is al eens gerestaureerd. Het beeld wordt verder bepaald door stèles van hardsteen of cementsteen. Aan de zuidkant van het kerkhof zijn meer liggende zerken te vinden, voornamelijk van hardsteen. Opvallend is het feit dat een aantal cementstenen grafmonumenten in hun geheel geschilderd is (geweest). Dit deed men om een houten of hardstenen monument te imiteren. Een aantal liggende zerken is voorzien van een eenvoudig smeedijzeren hek. Aan veel hekken zijn marmeren tekstborden gehangen. Marmer is ook toegepast als materiaal voor een aantal decoratieve elementen op verschillende steles.

De enige bewaard gebleven houten stele op het kerkhof

Over het algemeen is de staat van de grafmonumenten redelijk te noemen, dankzij de zorg die vrijwilligers hieraan besteden. Dat de gecementeerde stenen niet het eeuwige leven hebben, is ook te zien. Sommige verkeren in een verregaande staat van verval doordat het betonijzer is gaan roesten. Dat er op het kerkhof ook grafkelders aanwezig waren, ontdekte men enkele jaren geleden. Er ontstond midden op het kerkhof plotseling een gat. De top van het tongewelf ondervond onvoldoende druk van bovenaf en was daardoor ingezakt. Uit nader onderzoek bleek het om een gemetselde kelder te gaan van enige omvang.

Bijzonder zijn de stèles die voorzien zijn van een aparte tekstplaat in de vorm van de stèle. Het materiaal dat gebruikt is, is waarschijnlijk asbest dat met klemmen vastgezet is. Mogelijk zijn er in de loop der jaren een aantal van deze platen gesneuveld. Binnenkort zullen deze vervangen worden door asbest-vrije eternit platen. De oudste grafmonumenten dateren uit het tweede kwart van de negentiende eeuw, terwijl de jongste grafmonumenten bestaan uit (soms) vrij recente vervangingen van oudere grafmonumenten. De toegepaste symboliek is uiteenlopend en gevarieerd en doet op een enkele zerk denken aan toepassingen uit de provincie Groningen. Net als op zoveel andere kerkhoven is er veel verdwenen van het kerkhof. Het kerkhof is een belangrijk cultuurhistorisch onderdeel van het plaatsje Gasselte. Een deel van de geschiedenis van Gasselte en omgeving reflecteert zich in het kerkhof. Hoewel een deel van de funerair-historische waarden verdwenen is, heeft het kerkhof een grote genealogische en historische waarde.

Omdat de kerk al sinds 1965 een rijksmonument was, vond de stichting tot behoud van het Historisch kerkhof te Gasselte dat het kerkhof hier ook bij hoorde. Volgens de stichting ging de grootste aandacht tot dan toe uit naar de kerk, terwijl de ligging en de samenhang met het kerkhof van enorm grote betekenis zijn voor de beleving van dit monument. Uiteindelijk werd rond de eeuwwisseling een formeel verzoek gedaan tot aanwijzing van het kerkhof als separaat rijksmonument. Hoewel het kerkhof gesloten is, wordt het sinds enkele jaren weer gebruikt voor asverstrooiingen. Dat betekent dat er nog steeds draagvlak is voor het kerkhof. Dat bleek ook al eerder toen de toenmalige gemeente Gasselte het kerkhof wilde overnemen. De kerkvoogden verzetten zich daartegen omdat dan de eeuwenoude graven misschien zouden verdwijnen. De Gasselters zijn eeuwenlang bij en door de kerk begraven en dat moet zo blijven. Mensen uit "het oude dorp" voelen dat nog steeds zo. Daarom heeft de stichting tot behoud van het kerkhof nooit moeite om hulp te krijgen voor klussen bij de kerk en op het kerkhof. Al meer dan tien jaar lang komen vrijwilligers een ochtend bij elkaar voor een zogenaamde opknapochtend. Onder hen ook nazaten van de alhier begraven families. Tussendoor steken allerlei vrijwilligers ook de handen uit de mouwen om het kerkhof in goede staat te houden. De wijze waarop het onderhoud gedaan wordt, is terughoudend en met biologische middelen.

Het Orgel door de Eeuwen Heen

Het eerste orgel was afkomstig uit de Gereformeerde Zuiderkerk te Assen, aldus de Heer Meek uit Loon. In zijn boek “De Geschiedenis van de kerk van Gasselte” vermeld Jan Kroezenga dat in 1929 een orgel werd geplaatst door de Firma Spiering uit Dordrecht voor een bedrag van f 1000,-. In 1963 is de kerk gerestaureerd. Over het orgel schrijft Jan Kroezenga in zijn boek: “enkele dode stemmen werden door pijpen weer tot spreken gebracht”. De Heer Meyer, jarenlang organist van de kerk, heeft veel energie in het orgel gestoken. Toen de heteluchtverwarming zijn verwoestend werk deed, bleek in de jaren 70 dat het orgel onherstelbaar beschadigd was, maar dat pikte de Heer Meyer niet en heeft toen “zijn” orgel eigenhandig gerestaureerd, zodat het nog 20 jaar mee kon.

Er gingen steeds meer stemmen op om over te gaan tot de aanschaf van een nieuw orgel en de aanzet gaf ds. T. v.d. In 1980 werd door ds. F.Don een orgelcommissie in het leven geroepen om gelden te verwerven: veel acties, vergaderingen en bedelbrieven volgden en er werden ook diverse concerten georganiseerd. In 1995 kon men eindelijk overgaan tot aanschaf van een nieuw orgel. De Stichting Orgelfonds Gasselte nam de verantwoordelijkheden over. De orgelcommissie, geadviseerd door Stef Tuinstra, sprak de voorkeur uit voor het plaatsen van een historisch orgel. De keus viel op een Scheuer-orgel, gebouwd in 1839 door de Drents-Duitse orgelbouwer Christoff Scheuer (1776-1854). Oorspronkelijk was dit orgel gebouwd voor een kerk in het Friese Woudsend. Het had 18 stemmen verdeeld over twee klavieren en pedaal. Tot 1938 vond normaal onderhoud plaats, maar het instrument was wel aan restauratie toe, wat niet gebeurde. Het hoofdwerk werd verkocht naar Kollumerpomp en het bovenwerk naar Himrik. In 1978 kocht men in Kollumerpomp een nieuw orgel, zodat het Scheuer-orgel zijn functie verloor. Dit opgeslagen pijpwerk bleek uitermate geschikt te zijn voor de kerk in Gasselte. Men besloot het orgel in twee fases te realiseren. In de eerste fase zou met achter het oude Spieringfront een gedeelte van het Scheuer-orgel plaatsen. Deze fase vond plaats in 1995. In de tweede fase werd het oude orgelfront vervangen door een geheel nieuwe kas in de Scheuer-stijl. Deze is door de Gasselter schilder Woering in licht eiken geverfd. De originele Bourdon 16’ werd, in overleg met het Kerkbestuur van Kollumerpomp aldaar, vervangen door een replica, zodat het origineel in Gasselte kon worden geplaatst. De Trompet 8’ en de Mixtuur lV werden toegevoegd.

Scheuer-orgel uit 1839, oorspronkelijk gebouwd voor Woudsend

Johann Christoff Scheuer (1776 - 1854) was een vooraanstaand orgelbouwer uit de regio.

Oorspronkelijk was de kerk van Gasselte een dochterkerk van de kerk van Borger, die zelf weer een dochterkerk was van de Magnuskerk van Anloo. De kerk van Gasselte werd gebouwd in de tweede helft van de dertiende eeuw. De kerk werd voor het eerst vermeld in 1328. De kerk is gebouwd tussen de twee buurtschappen van Gasselte: het Lutkenend en het Grotenend. Tot 1787 stond er een vrijstaande klokkenstoel bij de kerk, die in dat jaar werd vervangen door een torentje op de westzijde van de kerk. De oorspronkelijk rooms-katholieke kerk werd in 1598, na de proclamatie van de stadhouder Willem Lodewijk van Nassau om de reformatie ook in Drenthe in te voeren, veranderd in een protestantse kerk.

Het kerkbezoek in het begin van de 17e eeuw was gering. De inwoners van Gasselte beschouwden de zondag als een werkdag en hadden geen enkele belangstelling voor de catechismuspreek. Slechts het gezin van de plaatselijke predikant ging ter kerke. Aanvankelijk deelden Gieten en Gasselte een predikant. In 1611 werd de eerste eigen dominee, Johannes Cuperus (alias Fabritius), in Gasselte benoemd. Tot 1746 zouden leden van de familie Fabritius onafgebroken het predikantschap in Gasselte vervullen. In diverse publicaties is er sprake van dat ene Bernhardus Fabritius zich in 1713 als predikant zou hebben teruggetrokken om zich bezig te houden met de veenontginning, in het bijzonder van Gasselternijveen. In een publicatie in Ons Waardeel heeft de Gasselter historicus Jan Kroezenga aangetoond dat geen van de Gasselter predikanten met de naam Bernardus Fabritius zijn kerkelijk ambt heeft verruild voor dat van turfgraver.

De preekstoel dateert uit de eerste helft van de 17e eeuw en de avondmaaltafel en het doopbekken dateren uit de tweede helft van de 17e eeuw. De zilveren avondmaalsbeker dateert uit 1644 en is een geschenk van de plaatselijke predikant Bernard Fabritius. Het offerblok (ook wel de armpaal) is in 1681 vervaardigd door de plaatselijk timmerman en smid. Het doopbekken werd in 1696 aangeschaft.

Het orgel is afkomstig uit de kerk van het Friese Woudsend en gebouwd in de eerste helft van de 19e eeuw door de Drents/Duitse orgelbouwer Johann Christoff Scheuer uit Coevorden. Ter herinnering aan de ingrijpende verbouwing van 1787 werd een steen ingemetseld. Ten tijde van de verbouwing waren schulte A. Alingh en R. Hilbingh kerkvoogden. De verbouwing vond plaats onder leiding van de architect A. Meursing.

De Voormalige Gemeente Gasselte en Omgeving

De voormalige gemeente Gasselte bestond uit een zand- en veengedeelte die ieder een eigen specifiek verleden hebben. De grens tussen de beide gedeelten wordt gevormd door de Hunze of Oostermoersche Vaart. Ten westen hiervan ligt op de hoge zandgronden van de Hondsrug, Gasselte met haar buurtschap Kostvlies. Het esdorp Gasselte is de oudste kern. Uit opgravingen kan men concluderen dat er reeds in de 9e eeuw een nederzetting was met grote boerderijen ten westen van het huidige dorp. Ook is uit verschillende vondsten gebleken dat al duizenden jaren voor onze jaartelling er zich mensen hebben opgehouden in deze streek. Karakteristiek is de NH-kerk (het witte kerkje). De buurtschap Kostvlies is omstreeks 1850 ontstaan door vestiging van eekschillers uit Gelderland.

Het veengedeelte is vanaf 1660 tot ontwikkeling gekomen. Boeren van de marke Gasselte, aan wie dit woeste en lege gebied behoorde, verkochten een groot deel van dit gebied aan de secretaris van het Landschap Drenthe met twee compagnons. Dit drietal heeft de ontginning met voortvarendheid aangepakt. De Hunze werd beter bevaarbaar gemaakt en er werd een kanaal gegraven voor afvoer van de turf. Zo ontstonden Gasselternijveen en Gasselterboerveen als veenkoloniën, waarbij zich in de loop der tijden vele schippers vestigden, in eerste instantie voor de afvoer van de turf naar alle windstreken. Tot 1830 voeren zij met hun vrachten over de Hunze, maar door het wegspoelen van een sluis bij Spijkerboor konden zij Gasselternijveen niet meer bereiken. Dit duurde tot 1839. Toen was de Gasselternijveenschemond gereed gekomen en konden de schippers hun thuishaven weer bereiken.

Zo was de scheepvaart een zeer belangrijke bron van inkomen. Toen de turfwinning voorbij was, gingen de schippers over tot het vervoeren van andere vracht. Gaandeweg gingen zij ook meer buitengaats. Naarmate hun schepen steeds groter werden, ging men over op de kustvaart op landen aan de Oost- en Noordzee. Zo konden ze uiteindelijk niet meer in het dorp komen en bleven dan ook in de grotere havens dichter bij de zee. In 1912 stond het dorp Gasselternijveen nog als vierde zeehaven van Nederland te boek, wat betreft het aantal geregistreerde schepen.

In 1845 kon Ds. Johannes Elias Feisser zich niet meer verenigen met de kinderdoop en stichtte toen met enkele volgelingen de eerste Baptistengemeente door zich te laten onderdompelen. Er is echter geen Baptistenkerk gesticht, aangezien het een te kleine gemeenschap betrof.

Gasselterboerveen

Gasselterboerveen is een buurtschap in de gemeente Aa en Hunze in de provincie Drenthe. De buurtschap ligt ten noordwesten van Gasselternijveen aan de weg naar Gieterveen.

Gasselte

Gasselte is een dorp in de gemeente Aa en Hunze in de Nederlandse Drenthe, halverwege de dorpen Gieten en Borger, gelegen op de Hondsrug. Het dorp heeft 1621 inwoners, t.w. 814 mannen en 807 vrouwen (1 januari 2008). Tot de gemeentelijke herindeling op 1 januari 1998 was het dorp de hoofdplaats van de gelijknamige gemeente. Hoewel er sporen van bewoning rondom Gasselte zijn aangetroffen uit de prehistorie, de bronstijd en de ijzertijd, dateert de eerst gevonden nederzetting in deze streek uit de periode van de 9e tot de 12e eeuw. Vondsten van kralensnoeren, fragmenten van een ringfibula en een armband, gevonden in 1877 bij het omspitten van land van ds Sanders te Gasselte (= land van de kerk van Gasselte) wijzen in de richting van een nederzetting in de 6e en 7e eeuw. De eerste schriftelijke vermelding van Gasselte dateert uit een oorkonde van >1302, waarin ene Jacob ‘de Gesholte’ werd genoemd. Waarschijnlijk een samentrekking van de Germaanse woorden ges en hulta (“droog, dor” en ‘houtleverend bos’).

Het dorp zelf heeft altijd uit twee delen bestaan: het Grotenend (ten noordoosten van de kerk) en het Lutkenend (ten westen van de kerk). In het Grotenend waren de grotere boerderijen van de invloedrijke families gesitueerd en in het Lutkenend woonde de keuterboeren en de ambachtslieden.

Kostvlies

Kostvlies is een buurtschap in de gemeente Aa en Hunze, in de Nederlandse provincie Drenthe; met 130 inwoners (2005). De buurtschap ligt tussen de plaatsen Gasselte en Gieten en behoorde tot de voormalige gemeente Gasselte. Het middelpunt wordt gevormd door de gelijknamige weg ‘Kostvlies’. Kostvlies bevindt zich in het Drentse Oostermoergebied. Deze naam komt van de oude moerige gronden, gronden met een hoog percentage veen of organisch materiaal in de bovenlaag. Kostvlies zelf ligt net op de scheiding van het zand van de Hondsrug en het veengedeelte van Oostermoer. Bij de aanleg van de spoorlijn in 1905 van Assen naar Stadskanaal moest ter hoogte van Kostvlies de Hondsrug doorsneden worden. Het nog bestaande viaduct bij ‘Ravijnzicht’ in de omgeving van Kostvlies is hiervan nog een overblijfsel. Deze spoorlijn vormde ook de grens met Gasselte aan de zuidzijde van Kostvlies.

De naam (Kost Vleesch → Kostvlies) verwijst mogelijk als veldnaam naar de moeizame ontginningsgeschiedenis van het gebied. De buurtschap is in het midden van de negentiende eeuw ontstaan door de komst van eikenschillers (‘eekschillers’), die afkomstig waren uit Doornspijk op de Veluwe. Zij verzamelden eikenschors, dat gebruikt werd in de leerlooierij. Deze eerste bewoners begonnen ook kleinschalige ontginningen in het veengebied. Zodra ze een woning (plaggenhut) hadden opgetrokken, waarvan de schoorsteen kon roken, verkregen ze het eigendomsrecht van de ontginning. Zo ontstond Kostvlies als één van de vele huttendorpen, die Drenthe rijk was.

Kerkelijk gezien waren de inwoners van Kostvlies rechtzinniger dan het overwegend vrijzinnige Gasselte. Voor de Tweede Wereldoorlog werd mede door de inwoners van Kostvlies een eigen kapel in Gasselte gebouwd en was er een eigen prediker/evangelist.

Dorp Gasselte met de kenmerkende witte kerk

tags: #protestantse #kerk #gasselte