De Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) zijn voortgekomen uit de Afscheiding van 1834, een periode waarin verschillende gereformeerden zich losmaakten van de Nederlandse Hervormde Kerk, de destijds gevestigde volkskerk. Op 13 oktober 1834 ondertekenden de eerste afgescheidenen in het Groningse dorp Ulrum de Acte van Afscheiding of Wederkeer. Met deze handeling wilden zij aangeven terug te keren naar de oorspronkelijke gereformeerde leer. Binnen een jaar telde deze beweging landelijk zo'n 20.000 leden.
Onder aanzienlijke druk van buitenaf en door interne meningsverschillen, viel de beweging uiteen in twee groepen: de Christelijke Afgescheiden Gemeenten en de Gereformeerde Kerken onder het Kruis. Na de troonsbestijging van Willem II in 1840 namen de vervolgingen van gereformeerden buiten het hervormde kerkgenootschap grotendeels af. In 1869 vond een belangrijke hereniging plaats tussen de christelijk afgescheidenen en de meeste kruisgemeenten, wat leidde tot de oprichting van de Christelijke Gereformeerde Kerk.
In 1886 ontstond een nieuwe afscheiding binnen de Hervormde Kerk, geleid door Abraham Kuyper, die resulteerde in de Nederduitse Gereformeerde Kerken. Op 17 juli 1892 fuseerde de Christelijke Gereformeerde Kerk met dit kerkverband om de Gereformeerde Kerken in Nederland te vormen. Drie gemeenten - in Teuge, Zierikzee en Noordeloos - kozen er echter in 1892 voor om niet deel te nemen aan deze fusie en de Christelijke Gereformeerde Kerk zelfstandig voort te zetten. De voornaamste tegenstanders van de fusie van 1892 waren de predikanten F. P. L. C. van Lingen en J. Wisse Czn.
Ontwikkeling en structuur van de CGK na 1892
Op 1 januari 1893 telde de heropgerichte Christelijke Gereformeerde Kerk negen gemeenten: Zierikzee, Noordeloos en Teuge, ’s-Gravenhage, Utrecht, Rotterdam, Dordrecht, Lutten en Arnhem. In 1894 besloot de synode tot een verdeling in vier classes. In datzelfde jaar werd officieel besloten tot de oprichting van een Theologische School, die op 11 september 1894 in Den Haag werd geopend door J. Wisse Czn. Tussen 1899 en 1919 was de opleiding gevestigd in Rijswijk, waarna deze definitief verhuisde naar Apeldoorn. De naam van het kerkverband, Christelijke Gereformeerde Kerken, werd in 1947 officieel veranderd om de nadruk te leggen op het verbond van plaatselijke kerken, in plaats van één enkele grote kerk.
Per 1 januari 2025 telt het kerkverband 66.572 leden, wat ongeveer 0,3% van de Nederlandse bevolking vertegenwoordigt. Hiermee is het het vierde protestantse kerkverband in Nederland qua ledenaantal. Het geografische zwaartepunt van het kerkverband bevindt zich in de zogenaamde Bijbelgordel.
De naam van het kerkverband verwijst naar de basis van de christelijke en gereformeerde belijdenissen, waaronder de Apostolische Geloofsbelijdenis, de Geloofsbelijdenis van Nicea, de Geloofsbelijdenis van Athanasius en de Drie Formulieren van Enigheid.

Kerkdienst en Theologische stromingen
De meeste Christelijke Gereformeerde Kerken houden op zondag twee kerkdiensten. De Bijbel staat centraal in deze diensten, waarbij een gedeelte uit de Bijbel wordt uitgelegd door een voorganger. De vormgeving van de kerkdienst en de interpretatie van de Bijbel kunnen variëren, aangezien een plaatselijke kerk kan behoren tot de modernere orthodox-gereformeerde stroming, de meer behoudende bevindelijk-gereformeerde stroming, of zich tussen deze twee posities in bevindt.
Net als in andere gereformeerde kerkverbanden worden er twee sacramenten bediend: de Heilige Doop en het Heilig Avondmaal.
Historische ontwikkeling en verenigingen
De Christelijke Gereformeerde Kerken zijn ontstaan uit de Afscheiding van 1834. Met de term 'wederkeer' werd de bedoeling uitgedrukt om terug te keren naar de gereformeerde leer. Na deze afscheiding ontstonden er verschillende groepen, waaronder de Christelijke Afgescheiden Gemeenten en de Gereformeerde Kerken onder het Kruis. In 1869 verenigden deze groeperingen zich tot de Christelijke Gereformeerde Kerk. Abraham Kuyper leidde in 1886 opnieuw een afscheiding van de Nederlandse Hervormde Kerk, wat resulteerde in de Nederduitse Gereformeerde Kerken. In 1892 fuseerden de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitse Gereformeerde Kerken tot de Gereformeerde Kerken in Nederland. Drie gemeenten weigerden echter deel te nemen aan deze fusie.
De Christelijke Gereformeerde Kerken werden na 1892 overwegend als bevindelijk-gereformeerd gekenmerkt. Ds. F. P. L. C. van Lingen legde de nadruk op wedergeboorte en bekering, terwijl hij wetenschap en kennis niet schuwde, zolang deze niet in strijd waren met de Schrift. Later verschoof het accent naar de rechtvaardiging door het geloof, mede door een 'Calvijn-revival'.
Verbindingen en spanningen met andere kerkverbanden
De christelijk-gereformeerden hadden een sterk roepingsbesef om alle gereformeerden te verenigen die trouw wilden leven naar de Bijbel en de gereformeerde belijdenissen. In 1909 was er aandacht voor het in 1907 ontstane kerkverband van de Gereformeerde Gemeenten, maar de conclusie was dat de tijd voor vereniging nog niet rijp was. De Gereformeerde Gemeenten toonden zich gereserveerd; ds. G. H. Kersten verweet de Christelijke Gereformeerde Kerk een 'gebrek aan beginsel' en wilde de Nederlandse Hervormde Kerk niet als 'vals' bestempelen. Politieke aspecten speelden hierbij ook een rol.
In 1919 concludeerde de CGK-synode dat de Gereformeerde Gemeenten op één lijn zaten wat betreft geloof en tekenen van de ware kerk vertoonden. De contacten groeiden, zij het moeizaam. Deze contacten werden verbroken toen Kersten in 1928 kritiek uitte op de 'drieverbondenleer', naar aanleiding van een catechisatieboekje van de christelijke gereformeerde predikant J. Jongeleen. Kersten vond dat het genadeverbond te 'conditioneel' werd voorgesteld en los stond van de verkiezing. De Bruin en anderen verdedigden de opvatting van het genadeverbond zoals die binnen de CGK werd geleerd. Ds. Wisse koos de zijde van De Bruin en de christelijk-gereformeerde verbondsopvatting.
Gedurende de jaren dertig en veertig sloten diverse voorgangers met een bevindelijk-gereformeerde achtergrond zich aan bij het kerkverband. Na de Tweede Wereldoorlog speelde de invloed van J. G. Woelderink een rol, die zich afzette tegen zowel de Gereformeerde Kerken in Nederland (Kuyper) als de Gereformeerde Gemeenten (Kersten). De opkomst van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt in 1944 noopte tot bezinning op de eigen positie.
Op het eerste gezicht leken de CGK en de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) veel overeenkomsten te vertonen, zowel theologisch als historisch. Ook de voorman van de vrijgemaakten, Klaas Schilder, had kritiek op Abraham Kuyper's visie op de veronderstelde wedergeboorte. De vrijgemaakten benadrukten Gods verbond en de beloften die in de doop zijn verzegeld, en stonden afkerig tegenover bevindelijke prediking.
In 1952 verlieten predikanten E. du Marchie van Voorthuysen en J. G. van Minnen het kerkverband, omdat zij wilden dat de CGK de gesprekken met de vrijgemaakten en synodaal gereformeerden zou stoppen. Na de Tweede Wereldoorlog groeide het verlangen om de dialoog met deze kerkverbanden aan te gaan. De synode van 1953 kreeg te maken met een rapport dat zorg uitte over de prediking en andere verschijnselen die wezen op toenemende vervlakking binnen het kerkverband.

Interne ontwikkelingen en theologische debatten
Onderhuids bleven de meningsverschillen bestaan en de afstand tussen de verschillende stromingen binnen de CGK nam toe. De synode wist de eenheid te bewaren door veel verantwoordelijkheid bij de plaatselijke gemeenten te leggen. Voorzitter van belangrijke synodevergaderingen, zoals die van 1941, 1947 en 1953, was ds. Kremer, die zich geroepen voelde om de verschillende flanken bij elkaar te houden en richting gaf aan de prediking.
Na Kremer werd B. J. Oosterhoff een kenmerkende vertegenwoordiger van een nieuwe generatie theologen. Zijn publicaties wekten bezwaren op in de rechterflank van het kerkverband en daarbuiten, met termen als "herinterpretatie" en "actualisering van teksten". Sommige delen van de gereformeerde gezindte vonden Oosterhoffs stellingen, met name over Genesis en de Brieven van Paulus, te ver gaan. Eén van zijn stellingen over Genesis luidde: "Hoofdstuk 2 en 3 [van dit Bijbelboek] verhalen ons feiten, maar deze worden ons meegedeeld in symbolische taal". Oosterhoff en J. P. Versteeg werden gezien als voorlopers van een meer progressieve stroming binnen de CGK.
Prof. J. van Genderen keerde zich in 1951 tegen de opvattingen van Woelderink over de verkiezing, uit vrees voor een abstracte predestinatieleer die het evangelie niet volledig kon laten doorklinken. Van Genderen benadrukte het luisteren naar de Schrift en de verantwoordelijkheid van beschouwingen tegenover het Woord van God.
Op de synode van 1962 werd gediscussieerd over het gebruik van de NBG-vertaling uit 1951. De synode oordeelde dat het gebruik van de Nieuwe Vertaling naast de Statenvertaling niet af te keuren was, maar achtte het raadzaam de Statenvertaling in de eredienst te blijven gebruiken. Dit besluit leidde tot de oprichting van het Landelijk Comité tot Behoud van de Statenvertaling door bezwaarden in Friesland.
In 1967 ontstond de vraag naar het gebruik van meer gezangen in de kerken. Voorstanders argumenteerden dat het niet in lijn was met Calvijns bedoeling om vrijwel uitsluitend psalmen te zingen en dat Nieuwtestamentische gezangen de naam van Jezus konden bevatten. Tegenstanders wezen op de strijd om de gezangen als een van de oorzaken van de Afscheiding in 1834. De synode verbood in 1973 het zingen uit het Liedboek voor de Kerken.
Huidige situatie en uitdagingen
Momenteel zijn de verschillen tussen de plaatselijke Christelijke Gereformeerde Kerken aanzienlijk. Het kerkverband is opgebouwd uit meerdere classes. Er is een voortdurende discussie over de interne verhoudingen en de koers van het kerkverband. Ideeën voor een meer gestructureerde scheiding, zoals een A- en B-gedeelte met een overkoepelende synode, zijn geopperd, maar bleken niet altijd haalbaar. De vraag is of een meer gematigde benadering en mildheid de eenheid kan bewaren.
De spanningen binnen het kerkverband worden mede veroorzaakt doordat gemeenten zich niet altijd houden aan synodale besluiten, zoals het bevestigen van vrouwen in het ambt. Dit wordt door de Synode beschouwd als zonde, wat de noodzaak van een herstructurering onderstreept. Er zijn voorstellen gedaan om twee afzonderlijke kerkverbanden te vormen: Christelijk Gereformeerd A (dat zich houdt aan synodeafspraken en klassiek gereformeerd blijft) en Christelijk Gereformeerd B (dat zaken gedoogt en elkaar vrijlaat). Deze zouden zelfstandig kunnen opereren, maar wel samen verantwoordelijk blijven voor zaken als de emerituskas, de universiteit en het kerkelijk bureau.
Voor gemeenten die zich in het midden bevinden, is de keuze helder: vasthouden aan het klassiek christelijk gereformeerde (presbyteriaal-synodale) model of nieuwe wegen inslaan met een meer congregationalistisch kerkmodel, waarbij synodeafspraken minder bindend zijn. Een tussenweg lijkt hierbij niet mogelijk.
De Christelijke Gereformeerde Kerken hebben veel overeenkomsten met de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, zowel uiterlijk (twee kerkdiensten per week, redelijk op zichzelf) als theologisch, hoewel er verschillen zijn in prediking en visie op het verbond. In de GKV bestaat de preek uit de uitleg van de tekst.
Lidmaten en Traktementen
Het traktement van predikanten binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken wordt landelijk door de synode geadviseerd en de kerken wijken hier zelden van af. Dit traktement is vergelijkbaar met salarissen in het onderwijs en wordt niet als hoog beschouwd, zeker niet voor beginnende predikanten met studieschulden. Predikanten leven vaak sober en worden geacht hun inkomen verantwoord te besteden. De werkweek van een voorganger overschrijdt doorgaans de 40 uur. De kerkleden hebben de verantwoordelijkheid om hun predikanten van voldoende middelen te voorzien. Ondanks universitaire opleiding verdienen predikanten doorgaans minder dan vergelijkbare functies in het bedrijfsleven.

tags: #samenstelling #traktement #christelijke #gereformeerde #kerken