Aan het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw verrezen aan de rand van het zanddorp Emmen twee splinternieuwe moderne kerkgebouwen. Beide gemeenten hadden al een langere geschiedenis. De Zuiderkerk heeft wortels die teruggaan tot de eerste jaren na de afscheiding van 1834. Het ontstaan van de moderne tijd in de 19e eeuw, de opkomst van wetenschap en democratie, leidde binnen de vaderlandse kerk tot diepgaande verschillen van inzicht over de toekomst en de inrichting van de kerk, een heftige richtingenstrijd - en schoolstrijd - ontstond. De Zuiderkerk trad buiten de Hervormde Kerk, teruggrijpend op de oude naam van de vaderlandse kerk: ‘Gereformeerde Kerk’. Het is allemaal te lang geleden dat er levende herinnering is aan wat dat betekent heeft, dat uiteengaan van die kerkelijke gemeenschap in die toen nog zo kleine en overzichtelijke dorpsgemeenschap van Emmen, maar het is niet moeilijk om je er iets bij voor te stellen wat dat betekent moet hebben. Een gemeenschap breekt uiteen, dwars door straten, langs buren, dwars door families, misschien zelfs door gezinnen heen.
Toen Emmen na de oorlog steeds verder uitbreidde, hebben beide gemeenten bijgedragen aan de stichting van de wijkgemeenten in Emmen. De Zuiderkerk als moederkerk van alle andere Gereformeerde Kerken die in Emmen bestaan hebben. De Kapel - samen met de Ned. Herv. Na de jaren 1970 veranderde het kerkelijk landschap. De verzuiling verdween en meer dan de verschillen begonnen de overeenkomsten tellen. Ruim dertig jaar lang zijn er verschillende vormen van samenwerking tussen beide gemeenten geweest. In 2014 is gezocht naar vereniging van Zuiderkerk en Kapel.
De Hervormde Kerk
De hervormde kerk is in 1923 gebouwd in opdracht van het bestuur der Hervormde Evangelisatie te Emmen, naar ontwerp van Jan en Theo Stuivinga uit Zeist, in traditionalistische stijl. Met name de vensters en deuren hebben Hollandse renaissance invloeden. In 1951 is de kerk vergroot door de architectencombinatie Stuivinga & v.d. Horst uit Zeist/Emmen. Hierbij zijn een narthex en een extra schiptravée aangebouwd. Het interieur verkeert nog geheel in originele staat.

Architectuur en bouwgeschiedenis
De Grote of Sint-Pancratiuskerk aan de Schoolstraat 5 in de Drentse plaats Emmen is een toonbeeld van religieuze, architectonische en culturele continuïteit en verandering, en is door de eeuwen heen een herkenningspunt geweest voor generaties inwoners van Emmen en omstreken. De plaats waar de huidige kerk staat, kende al in de vroege middeleeuwen een religieuze functie. Reeds in het jaar 780 wordt melding gemaakt van een christelijk bedehuis in Emmen, strategisch opgericht op de overgang van bos naar moeras.
Het oudste kerkje werd volgens de overlevering in 1228 door de Twentenaren verwoest, tijdens een wraakactie na de slag bij Ane. Het is aannemelijk dat op deze plek een houten kerk stond, waaraan een stenen toren werd toegevoegd. De robuuste toren van de kerk, die vandaag de dag nog altijd fier boven het centrum uitsteekt, kent een complexe opbouw. Tot op de dag van vandaag bestaat de toren uit drie delen: de romaanse granieten voet, het vijftiende-eeuwse middenstuk en de spits.
Het onderste deel dat gebouwd werd van behakte granietblokken, vermoedelijk hergebruikt van hunebedstenen, dateert uit de twaalfde eeuw. Het middengedeelte van de toren, bestaande uit kloostermoppen en bakstenen, werd in 1456 toegevoegd. In datzelfde jaar werd een stenen kerk gebouwd tegen de reeds bestaande toren, nadat Emmen was losgemaakt van de moederkerk in Sleen. De bovenbouw van de toren inclusief de achtkantige spits komt uit 1856.
De huidige kerk werd gebouwd in 1856 in een stijl die neigt naar de waterstaatsstijl. Dit stijl die kenmerkend is voor protestantse kerken uit de negentiende eeuw. De kerken werden vaak onder invloed of toezicht van ingenieurs van Rijkswaterstaat gebouwd. De waterstaatstijl is te herkennen aan strakke vormen, weinig versiering en klassieke elementen zoals zuilen of pilaren. Bij de kerk in Emmen zie je dat bijvoorbeeld aan de rechte muren met pilaren (pilasters) erop aan de buitenzijde en de simpele versiering boven de ramen en deuren. Ook de gladde onderkant van de muren (de plint) hoort bij deze stijl.

Interieur en historische objecten
De kerk herbergt nog altijd sporen van haar middeleeuwse verleden: fundamenten, grafzerken en historische bouwlagen, die bij verschillende restauraties aan het licht kwamen. In de toren liggen bijvoorbeeld nog drie grafzerken.
Binnenin de kerk vallen de houten tongewelven met trekstangen op, evenals de rondom lopende sierlijke lijst. Dit wordt ook wel een kooflijst genoemd. Tegen de torengevel bevindt zich het balkon met het orgel, dat in 1872 is gebouwd door orgel- en pianofabrikant Roelf Meijer uit Veendam.
Naast het orgel prijkt nog een bijzonder object in het interieur: een doopvont uit de twaalfde eeuw, gemaakt van zandsteen en rustend op vier leeuwen. Dit vont heeft een bijzondere geschiedenis; het raakte op enig moment zoek, werd gebruikt als bloembak in een tuin in Nieuw-Amsterdam van de voormalige Villa Echtenstein. De eigenaar van de villa schonk de doopvont aan het Drents Museum in Assen waar het jarenlang onderdeel van de collectie was.

De kerklok
De toren werd in 1456 voorzien van een klok, gewijd aan Maria met de inscriptie ‘Anno domini 1456. Maria ben ik geheten, het kerspel Emmen heeft mij doen gieten ter ere van Onze Lieve Vrouwe.’ Deze inscriptie werd gevolgd door de namen van de drie Wijzen en de Twaalf Apostelen.
In 1877 werd de klok hergoten door de gebroeders Van Bergen uit Midwolda, nadat bleek dat de oude klok gebarsten was. De klok kreeg de inscriptie ‘In 1456 tot Maria’s eer gegoten. 1600 aan de Herv. eeredienst gewijd. 1877 hergoten om de gemeente van Emmen tot God en Vader te roepen.’ Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de klok door de bezetter weggehaald om te worden omgesmolten tot oorlogstuig, maar dit ging uiteindelijk niet door en de klok bleef bewaard.
Culturele en stedenbouwkundige waarde
De Grote Kerk van Emmen is van grote cultuur-, architectuur- en stedenbouwkundige waarde. Het gebouw is sinds 1998 een officieel Rijksmonument (nummer RM510954) en vormt een wezenlijk onderdeel van de identiteit van Emmen. De ligging aan de Schoolstraat - vlak bij de hoofdstraat - maakt haar beeldbepalend binnen het stadscentrum.
De voormalige begraafplaats
Rondom de Grote Kerk lag vroeger een begraafplaats. Hier werden eeuwenlang Emmenaren begraven, tot dat in 1827 verboden werd om mensen nog in het centrum te begraven. Tijdens werkzaamheden aan het plein in 2014 vonden archeologen skeletten en botresten op de plek waar ooit graven lagen. De resten zijn inmiddels herbegraven in een verzamelgraf bij het gemeentehuis, maar de steentjes herinneren aan de plek waar de mensen ooit begraven lagen.

De Kapel
De "Kapel" is een zaalkerk met zeven traveeën met aangebouwde consistoriekamer en toren in de oksel, opgetrokken in baksteen onder een met pannen gedekt zadeldak. De oost- en westgevel worden geleed door steunberen op de traveescheidingen. Tussen de steunberen, behalve in de hoektraveeën, hoge vensters, die de daklijst doorbreken. De toren heeft een tentdak. Het interieur is in originele staat. De kerk heeft een vlakke open houten dakstoel met schenkelspanten. Het huidige orgel werd in 1961 gebouwd door de Fa. In 2004 werden de sleepmotoren en conducten vervangen door de Fa.
Architecten waren de gebr. Jan en Theo Stuivinga uit Zeist. De stijl is traditionalistisch. Met name de vensters en deuren zijn in neo-Hollandse-renaissance stijl uitgevoerd. In 1951 is de kerk vergroot door de architectencombinatie Stuivinga & Van der Horst uit Zeist/Emmen. Hierbij zijn een portaal en een extra schiptravée aangebouwd. Later is het voorportaal vergroot ten koste van enkele banken.

Kerkelijke en maatschappelijke ontwikkelingen in Emmen
De hervormde kerk in Emmen heeft een lange geschiedenis die teruggaat tot de Middeleeuwen. De nederzetting had in de Middeleeuwen reeds een blokstructuur, enkele brinken en een kerk buiten de oude kern. Van houten voorgangsters van de huidige kerk zijn paalgaten gevonden. De toren van deze hervormde kerk dateert uit de 12e eeuw, de kerk zelf uit 1856. Zij is de vervangster van een drieschepig gotisch gebouw uit de 15e eeuw. De kerktoren is verbouwd in 1855; de hoge spits werd toen vervangen door een achtkantige top met korte spits.
In 1228 is de plaats platgebrand door het leger van de bisschop van Utrecht, Willebrandt van Oldenburg (1227-1233) uit wraak voor de nederlaag van zijn voorganger Otto II van Lippe in de Slag bij Ane het jaar ervoor. Aan het eind van de 15e eeuw vormde Emmen met Roswinkel en Odoorn een schoutambt.
In 1598 was de lokale schoolmeester bereid zich onder de nieuwe leer, de protestantse, en het nieuwe kerkelijk gezag te stellen; de voormalige pastoor werd predikant. (1600). Toch gaf ook in Emmen een 'olde pape' nog onderwijs in 1604. Bij de Beiler Synode van 1609 werd Emmen een hervormde classis. Op die van 1614 bleek deze zich slecht te houden aan het ondertekenen van de belijdenis. Het collatierecht aldaar was in handen van een plaatselijke familie.
In de periode 1809-1829 groeide, ook te Emmen, het aantal rooms-katholieken snel: 122 te Emmen en Roswinkel samen. In 1841 kreeg het dorp een Afgescheiden Gemeente, in 1843 erkend. Een aantal Afgescheidenen uit Emmen ging met ds. A.C. van Raalte overzee naar Amerika (Michigan). In 1856 kwam er een nieuwe hervormde kerk bij, in 1866 keerden kerkelingen zich tegen het oude collatierecht door eigenerfden. Eind 19e eeuw ontstond door troebelen in de afgescheiden gelederen o.a. te Emmen een gemeente van de Christelijke Gereformeerde Kerk. In 1930 telde Emmen 151 joden; velen keerden na de WO II niet terug.
In het kerkdorp Emmen woonden tot in de jaren 1930 nauwelijks katholieken. Die er waren, kerkten in Barger-Oosterveld. In 1940 was hun aantal echter al tot ruim boven de honderd gegroeid. Reden om te proberen in Emmen een eigen parochie en kerk te krijgen. Tijdens de oorlog kreeg Barger Oosterveld een kapelaan, speciaal belast met de katholieken van Emmen. Aanvankelijk kerkte men in een gehuurde zaal en later in een noodkerk. Door de groei van Emmen, vooral na WO II steeg ook het aantal katholieken. De godsdienstoefeningen werden gehouden in een textielwinkel, die 's zaterdags werd ontruimd. Tegelijk met Emmerschans werd Emmen afgesplitst van de parochie Barger-Oosterveld. Pastoor B. Veltman, een broer van P.J. Veltman, van Barger-Oosterveld merkte bij die gelegenheid op dat hij bevallen was van een tweeling. In 1947 werd de eerste steen gelegd voor de Pauluskerk. De groei van de katholieke gemeenschap van Emmen hield tot in de jaren '80 gelijke tred met de bevolkingstoename. Nadien ging de kerkgang achteruit en daalde het aantal priesters. Nu opgegaan in de Titus Brandsma parochie.
Economische en sociale geschiedenis van Emmen
In de 19e eeuw veranderde de omgeving van Emmen van een agrarisch gebied in een oord van turfwinning door het openleggen van de Zuidoost-Drentse venen en het doortrekken van de Hoogeveensche Vaart als Verlengde Hoogeveensche Vaart naar de Emmer venen. De grote vraag naar turf had hoge lonen en een ware immigratiegolf tot gevolg. De bevolking van de gemeente Emmen steeg van 2700 in 1850 tot 10.380 in 1880, die van het dorp zelf van 903 in 1889 naar 2369 in 1920, 4311 in 1934, 6500 in 1946 en ca. 50.000 rond de eeuwwisseling.
In 1877 kwam er in Emmen een kantongerecht, omstreeks 1910 twee turfstrooiselfabrieken en in 1916 een landbouwwinterschool o.l.v. Willem Emmens. Toen het vanaf 1890 minder goed ging in de veenderij, kozen velen voor werk in Duitsland als grondwerker, boerenknecht of fabrieksarbeider. In WO I trok de economie weer aan en was er in het veen weer te verdienen.
Burgemeester Kootstra bewerkstelligde echter in 1919, dat Emmen een jaar later ruim 700.000 gulden buitengewone rijkssubsidie verwierf, omdat hij inzag, dat het met Emmen met zijn bevolking, voor 65 % bestaande uit kleine verveners en arbeiders, de verkeerde kant op zou gaan. E.e.a. had tot gevolg, dat kinderen weinig meer naar school gingen; zij moesten mee het veen in. In de sector nijverheid werkte in 1920 meer dan de helft van de beroepsbevolking in de turf, in 1930 was dit ook nog 30%. In 1922 werkten in Drenthe 2500 personen aan van rijkssteun afhankelijke projecten; de meeste kwamen uit Emmen en Odoorn. Het gevolg was, dat vele Emmenaren en Drenten emigreerden naar industriegebieden elders in Nederland: Twente (textiel), Ede (Enka), Eindhoven (Philips) en Limburg (kolenmijnen). In de periode 1924-1934 emigreerden alleen al uit de gemeente Emmen 1700 gezinnen, bijna 10.000 inwoners. Zo vertrokken ruim 500 gezinnen naar Twente, ruim 200 naar Limburg, ca. 70 naar Eindhoven en bijna 900 naar andere industriegebieden. Ruim 40 gingen naar het nieuwe ontginningsdorp Witteveen (gemeente Westerbork); kleinere Emmer kolonies werden Zwinderscheveld en Kibbelveen (gemeente Oosterhesselen). Nog in 1937 vertrokken 20 gezinnen naar Twente. In 1938 was de werkloosheid in Emmen bijna 12,5%, het dubbele van het landelijk gemiddelde (6,4%).
Na de vervening oefenden de voedingsmiddelenindustrie en de bouw grote aantrekkingskracht op de beroepsbevolking uit. Tot 1940 kwamen weinig nieuwe industrieën naar voren; pas na WO II kwam hierin verandering. Toen werd het gebied rondom Emmen aangewezen als ontwikkelingsregio en volgde een periode van grote economische groei, waardoor Emmen ging gelden als een voorbeeld van geslaagd naoorlogs industrialisatiebeleid. In 1959 werd zij mede aangewezen als ontwikkelings- en industriekern. Vanaf 1970 werd m.n. de dienstensector uitgebreid; zo werd de Topografische Dienst van Delft naar Emmen overgebracht. Na de terugval van de textiel- en confectie-industrie vestigden zich nieuwe industrieën in de gemeente. Het aantal arbeidsplaatsen steeg daardoor van 6000 in 1945 tot 20.000 in 1960; daarmee groeide de industrie de landbouw voorbij. Vooral de komst van de Algemene Kunstzijde Unie (AKU, Enkalon, Enka) betekende een groeistimulans. Tot de jongere industrieën behoren Honeywell en het Zweedse telecom-bedrijf Ericsson.