Op 7 november jl. overleed prof. dr. J. Douma. Onze gebeden stijgen op voor zijn vrouw, kinderen, kleinkinderen en verdere familie. Zij verloren hun geliefde man, lieve papa en opa. Misschien dat je zelfs zou kunnen zeggen, dat ze hem twee keer kwijtraakten: eerst in toenemende mate aan dementie, en vervolgens definitief aan corona.
Jochem Douma heeft tijdens zijn leven een belangrijke plek in mogen nemen in het midden van de kerken, en het hoeft dan ook niet te verbazen dat er aandacht werd geschonken aan zijn sterven. Van verschillende kanten klonken er oprechte woorden van lof en dank. Voor velen heeft dit vooral te maken met het feit, dat ‘Douma voorop liep bij het doorbreken van het isolement waarin de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKv) tot in de jaren negentig verkeerden’ (Willem Bouwman in het Nederlands Dagblad van 9 november jl.).
Deels zal dat te maken hebben met het vakgebied dat hem was toebedeeld. Als je studenten ethiek hebt te onderwijzen, dwingt dat je om je blik te laten gaan over allerlei facetten van het leven met en voor de HERE. Ook heb je je te confronteren met wat daar door anderen, binnen en buiten je eigen kerkelijke kring, over is gezegd en ontmoet je daardoor bondgenoten.

Een leven vol academische en kerkelijke betrokkenheid
Jochem Douma (1931-2020) was een Nederlandse theoloog, voorheen van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, die vooral bekendheid verwierf als christelijk ethicus. Hij groeide op in Stadskanaal en volgde na zijn vooropleiding aan het Christelijk Lyceum theologie aan de Theologische Hogeschool Kampen en de Universiteit van Amsterdam. In 1966 promoveerde hij aan de Theologische Hogeschool Kampen op het proefschrift Algemene genade. Uiteenzetting, vergelijking en beoordeling van de opvattingen van A. Kuyper, K. Schilder en Joh. Calvijn over "algemene genade". Na een cursus in Tours in 1959, was hij van 1961 tot 1968 predikant in Rijnsburg en van 1968 tot 1970 in Brunssum. Vanaf 1970 tot aan zijn emeritaat op 1 januari 1997 was hij hoogleraar christelijke ethiek aan de Theologische Universiteit Kampen (Broederweg).
In de decennia die volgden publiceerde Douma over vrijwel alle ethische dilemma's. Van 1993 tot 1997 combineerde hij zijn taak in Kampen met die van hoogleraar op de bijzondere leerstoel medische ethiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. De gereformeerde ethicus kreeg brede bekendheid door zijn voorzitterschap bij de VBOK en zijn pogingen om na de polio-uitbraken van 1978 en 1992 de visie op vaccinatie binnen de gereformeerde gezindte te beïnvloeden.
Na zijn afscheid van de Theologische Universiteit Kampen in 1997, ontpopte Douma zich als Bijbeluitlegger. Hij schreef een serie boekjes over het Oude Testament voor een Bijbelcursus en publiceerde een vierdelige serie over de Psalmen. Zijn orthodox-oecumenische gezindheid kwam tot uitdrukking in de vele internationale kerkelijke contacten die hij na zijn emeritaat bleef onderhouden. In 2006 verleende de theologische academie in het Hongaarse Sárospatak hem een eredoctoraat.

Kerkelijke ontwikkelingen en de stap naar de GKN
Zoveel lof als er klinkt voor Douma’s optreden tijdens zijn werkzaam leven, zoveel verlegenheid lijkt er te zijn met de kerkelijke overstap die hij maakte na zijn emeritaat. Menigeen blijkt (en: blijft) het lastig (te) vinden, om de openheid van de vroegere Douma te verbinden met de overstap van de latere Douma. Tegelijk kan dat aan hemzelf niet liggen, want hij heeft herhaaldelijk en uitvoerig verantwoording afgelegd voor zijn overstap van GKv naar GKN. De laatste keer deed hij dat in zijn autobiografie Onderweg, die in 2019 het licht zag.
Uitvoerig beschrijft hij, hoe hij keer op keer bezwaar heeft aangetekend tegen wat hij het ‘verval’ in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt noemt. Maar zonder gehoord te worden. Als hij met anderen een laatste appel doet op de Generale Synode van Ede (2014), kondigt hij in de aanloop naar die synode in een brief aan tachtig adressen aan, dat als er geen wending komt hij uit de GKv zal vertrekken.
In 2014 nam de emeritus hoogleraar afscheid van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), vanwege de ontwikkelingen in dit kerkverband. Hij sloot zich aan bij de GKN-gemeente in zijn woonplaats Hardenberg. Door zijn autobiografie, die in 2019 werd gepresenteerd, geeft hij de lezer een beeld van zijn leven en legt hij rekenschap af van de door hem gemaakte keuzes.
Volgens hem zijn de vrijgemaakten hun gereformeerde identiteit aan het verliezen. Dit illustreerde hij aan de hand van veranderingen op het gebied van liturgie, leerdiensten en kerkelijke eenheid. Ook hekelde Douma de grote ruimte die plaatselijke kerken wordt geboden, en het niet aanspreken van gemeenteleden die in zonde leven. De kerkscheuring in de jaren '60, de Vrijmaking in de jaren '40 en de rol van de Open Brief uit 1966 komen uitgebreid aan bod in zijn analyses.
Het besluit van de vrijgemaakte synode in Ede (2014) om kerkelijke eenheid te zoeken met de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) gaf voor Douma de doorslag. Dit besluit vervulde hem met grote verontwaardiging, omdat de NGK reeds de vrouw in het ambt had en de hermeneutiek (uitlegkunde van de Schrift) van de NGK werd overgenomen. Dit opende de weg naar het openstellen van het ambt voor vrouwen.
De Theologische Hogeschool - George Harinck | 50 jaar scheuring in de vrijgemaakte kerken (5/10)
Reflecties op ethische en theologische verschuivingen
Douma was het die vanuit de geïsoleerde vrijgemaakte zuil contact met andere christenen en kerken zocht, om mee samen te werken in bijvoorbeeld de politiek. In zijn boekje Afscheid schrijft hij nog steeds trots te zijn vrijgemaakt kerkisme - de ideologie dat de vrijgemaakten de enige ware kerk vormden - te hebben bestreden.
In zijn autobiografie Onderweg kijkt hij terug op zijn ‘werkzame leven dat voor een groot deel samenvalt met de geschiedenis van de vrijgemaakte kerken.’ Douma heeft een prettige schrijfstijl en zijn teksten zijn toegankelijk. Hij beschrijft hoe hij in 1966 promoveerde op het onderwerp ‘algemene genade’ en de visies van Calvijn, Kuyper en Schilder vergeleek. Terugkijkend merkt hij op dat hij nu, vijftig jaar later, er op één punt anders tegenaan kijkt. In 1966 koos hij voor de opvatting van Calvijn als het gaat om de verhouding tussen ‘cultuur en vreemdelingschap’. Calvijn legde veel nadruk op het feit dat een christen altijd een zwerver is op aarde, vervuld van verlangen naar de hemel. Kuyper en Schilder stonden daar veel positiever tegenover, met het cultuurmandaat.
In 2017 vindt Douma dat die twee niet tegenover elkaar hoeven te staan. Hij stelt dat je je als christen positief mag inzetten tot Gods eer in deze wereld. Dat leidt tot veranderingen in ons leven hier op aarde die “hun uitwerking in het dagelijks leven krijgen, tot in ons cultureel-bezig-zijn toe”. Hij vindt deze correctie na meer dan vijftig jaar “een belangrijk punt”.
Douma schrijft net zo uitgebreid over de Vrijmaking in de jaren ’40 als over de kerkscheuring in de jaren ’60. Hij doet dat vanuit de overtuiging dat de Open Brief ten onrechte de Vrijmaking denigrerend afdeed als ‘ons vaak klein vaderlands gedoe’ en opriep tot een oecumenisch streven ‘naar het niveau van de wereldkerk’ dat niet bijbels te verantwoorden is. Hij noemt het daarbij opvallend, dat een aantal ondertekenaars van de Open Brief, waaronder de opsteller ds. Schoep, zich uit overtuiging meteen aansloten bij de synodaal-gereformeerde kerken.
Wat hem vooral verbaasde, was het zwijgen van docenten en predikanten die vroeger zeer strijdbaar waren in het veroordelen van ongereformeerde opvattingen. Hij noemt vier punten van ‘verval in de kerk’: het verstaan van de Schriften, de kerkdienst, het christelijk leven en de vrouw in het ambt. Met name de acceptatie van samenwonen en homoseksuele relaties, en het openstellen van het ambt voor vrouwen, baarde hem zorgen.
Douma's kritiek op de dissertaties van de docenten aan de TU te Kampen dr. S. Paas en dr. K. van Bekkum vanwege hun Schriftkritische inhoud, en zijn ongenoegen over de wijze waarop de GKv-synode zich achter dr. Paas heeft gesteld, komen ook aan bod. Hij wijst op de onverdraagzaamheid tussen enerzijds de afkeurende synode-uitspraak over de onderbouwing van het rapport M/V in de kerk en anderzijds het besluit te willen streven naar eenheid met de NGK.
Blijven of vertrekken: een persoonlijke afweging
Professor Douma is niet naar de DGK gegaan. Dat beeld bestaat, dat is waar. Maar dat beeld is, denk ik, ernstig vertekend. In de DGK heeft niemand de gewoonte om mensen in de kerkelijke omgeving te bijten. De DGK houden zich gewoon aan Schrift en belijdenis. Bij mijn weten belijden we in De Gereformeerde Kerken niet dat er buiten de DGK geen ware gelovigen zijn. Maar ik denk wel dat binnen de DGK de term ‘ware kerk’ wat vaker valt dan binnen de GKN het geval is.
Zeker, ik haast mij om te zeggen dat er ongetwijfeld zowel aan DGK-kant als aan GKN-kant indertijd fouten zijn gemaakt. Van harte spreek ik de hoop uit dat DGK en GKN elkaar snel zullen vinden. Als wij naar elkaar toe komen, mogen menselijke sympathieën en overwegingen geenszins doorslaggevend zijn. De vraag mag niet zijn: kunnen dominee A. en predikant B. samen door één deur? We mogen niet blijven hangen in ergernissen, frustraties en andere kerkelijke ellende uit het verleden.
Douma's beslissing om de GKv te verlaten viel hem niet licht. Ook nadat er een samenwerking tot stand was gekomen met professor Douma hebben we ons als redactie eindeloos afgevraagd wat ons concreet te doen stond. Blijven of vertrekken? Dat besluit kwam er niet zomaar. Maar toen het eenmaal genomen was, was hij ook heel beslist. Zo stond ik er zelf wat anders in: waar Douma vertrok toen de synode van 2014 de deur naar vrouwelijke ambtsdragers niet duidelijk sloot, vertrok ik pas toen de synode van 2017 de deur naar vrouwelijke ambtsdragers duidelijk openzette. Dat zinde Douma aanvankelijk niets, maar toen ik uiteindelijk in 2017 ook naar de GKN vertrok, stond hij vooraan om me te begroeten.
Hij heeft zich als ethicus en scribent veel betekend voor de kerken. Hij dacht over veel zaken diep door en zijn publicaties getuigden van veel studie, geleerdheid, nuchterheid en inzicht. Bij veel met name ethische ontwikkelingen wees hij in het verleden een verantwoorde Schriftuurlijke richting, ook al vielen er soms wel kanttekeningen te maken.
Douma eindigt zijn boek met het vierde vers van Gezang 440 uit het oude Liedboek (‘Ik heb de vaste grond gevonden’). Laat dat nou net een lied zijn dat in zijn nieuwe kerkverband tijdens de kerkdiensten niet gezongen mag worden. Want toen op de GKN-synode van maart 2016 uitsprak, dat de eenheid van het kerkverband niet in gevaar kwam omdat sommige gemeente ook een aantal liederen uit het oude Liedboek zongen, werd daar direkt bezwaar tegen gemaakt. De GKN-synode van oktober 2016 wees die bezwaren af, maar besloot meteen om deze vrije liederen vast te leggen in een lijst van 36 toegestane gezangen.

De foto op de omslag van Douma’s autobiografie heeft iets ook iets tragisch-komisch. Douma verlaat de Theologische Universiteit. Maar hij loopt niet rechts het beeld uit - symbool van de toekomst waarnaar we samen onderweg zijn. Toch overheerst bij mij ook na het lezen van dit boek de verbondenheid en de dankbaarheid. Verbonden in het geloof dat de naam van Jezus Christus de enige is op de aarde die de mens redding biedt (Hand. 4:12).
Uiteindelijk geeft Douma aan dat op de synode van 2020 zich opnieuw gebogen zal worden over de onderwerpen homoseksualiteit en de vrouw in het ambt, en dat veel verontruste GKV’ers hopen “dat deze synode de christelijke leer en het christelijke leven zullen respecteren in hun besluiten”. Zelf hoopt hij dat deze synode pal achter de oorspronkelijke formulering van de eerste doopvraag zal blijven staan.
Over onze zondigheid, over onze levensstijl en over hoe wij de Bijbel moeten lezen is het gesprek in de GKV nog volop gaande. Wat jammer dat Douma dit al een jaar of vijf niet meer mee kan en wil maken en zich bij een kerkverband heeft gevoegd dat volgens hem niet de pretentie heeft de enige ware kerk in Nederland te zijn, maar er een bescheidener visie op art. 27-29 op na houdt.
Volgens Douma is de ware kerk “de hele kerk van Jezus Christus in de wereld, al is daarvan het grootste deel voor ons onzichtbaar”. Daarom is hij overgestapt naar een kerkgenootschap waar volgens hem de drie kenmerken van de ware kerk beter gehandhaafd worden, zonder de band met alle broeders en zusters die achterblijven in de GKV door te snijden of de GKV een valse kerk te noemen. Dat laatste past echt bij de royale houding van Douma tegenover iedere oprechte christen. Maar het voelt voor mij wel een beetje dubbel om te lezen dat Douma zelf de GKV verlaten heeft met de woorden: “Uit de kerk stappen waarin we vroeger zo heel veel goeds ontvangen hebben, betekent een vorm van lijden. Ik kan u alleen maar moed inspreken om dat lijden niet uit de weg te gaan”.
tags: #jochem #douma #gereformeerde #kerk #blijven