Het visioen van Jesaja
In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag de profeet Jesaja de Heere zittend op een hoge en verheven troon. De zomen van Zijn klederen vulden de tempel.
Daarboven stonden de serafs, engelen met zes vleugels. Met twee bedekten zij hun aangezicht, met twee hun voeten, en met twee vlogen zij. De een riep tot de ander en verkondigde: "Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen; de ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol." De posten der dorpels beefden van hun stem, en het huis werd vervuld met rook.

Jesaja's bewustzijn van zonde en reiniging
Overweldigd door dit visioen, sprak Jesaja: "Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden van een volk dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen, gezien."
Een van de serafs vloog tot hem met een gloeiende kool in de hand, die hij met de tang van het altaar had genomen. De engel raakte Jesaja's mond ermee aan en zei: "Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; alzo is uw misdaad van u geweken en uw zonde is verzoend."
De roeping van Jesaja
Daarna hoorde Jesaja de stem van de Heere, die vroeg: "Wien zal Ik zenden en wie zal voor Ons heen gaan?" Jesaja antwoordde gewillig: "Zie, hier ben ik, zend mij heen."
God beval hem vervolgens: "Ga heen en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. Maak het hart dezes volks vet en maak hun oren zwaar en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze."
Jesaja vroeg: "Hoelang, Heere?" Het antwoord was: "Totdat de steden verwoest worden, zodat er geen inwoner zij, en de huizen, dat er geen mens zij, en dat het land met verwoesting verstoord worde."

Verdere profetieën en beloften
De Heere zou de mensen ver weg doen en de verlating zou groot zijn in het binnenste des lands. Toch zou een tiende deel overblijven, dat wederkeren zou. Zoals een eik en een haageik die na het vellen nog steunsel bieden, zo zou het heilige zaad het steunsel daarvan zijn.
In andere hoofdstukken van Jesaja wordt de toestand van het volk Israël beschreven. De profeet klaagt over hun ongehoorzaamheid en afval van God, ondanks de vele tekenen van Gods gunst en de waarschuwingen.
De klacht over Juda en Jeruzalem
God spreekt: "Hoort, gij hemelen, en neem ter ore, gij aarde, want de HEERE spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd, maar zij hebben tegen Mij overtreden."
Het volk Israël wordt vergeleken met onverstandige dieren: "Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet."
De profeet beschrijft de diepe zondigheid van het volk: "Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad der boosdoeners, de verdervende kinderen; zij hebben den HEERE verlaten, zij hebben den Heilige Israëls gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts."
Gods oordeel en de afwijzing van offeranden
God spreekt over de zinloosheid van verdere straffen, omdat het volk steeds meer afvalt. Het hoofd en het hart zijn ziek, en het gehele lichaam is bedekt met wonden, striemen en etterbuilen die niet verzorgd zijn.
Het land is een verwoesting, de steden zijn met vuur verbrand en vreemden verteren het land. De dochter van Sion is overgebleven als een hutje in de wijngaard, als een nachthutje in de komkommerhof, als een belegerde stad.
God verklaart dat Hij de veelheid van hun slachtoffers zat is. De brandoffers van rammen en het smeer van vette beesten, het bloed van varren, lammeren en bokken hebben geen doel meer. God weigert hun aanwezigheid in de tempel en hun gebeden, omdat hun handen vol bloed zijn.
Een samenvatting van het boek Jesaja | GotQuestions.org
Oproep tot bekering en belofte van vernieuwing
God roept het volk op: "Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen."
Hij belooft dat, hoewel hun zonden rood als karmozijn zijn, zij wit als wol zullen worden. Als zij gewillig zijn en luisteren, zullen zij het goede des lands eten. Maar als zij weigeren en wederspannig zijn, zullen zij van het zwaard gegeten worden.
De getrouwe stad Jeruzalem is veranderd in een hoer; eens vol recht en gerechtigheid, nu vol doodslagers. Het zilver is geworden tot schuim en de wijn vermengd met water. De vorsten zijn afvalligen en metgezellen der dieven.
Daarom spreekt de Heere, de Machtige Israëls: "O wee, Ik zal Mij troosten van Mijn wederpartijders, Ik zal Mij wreken van Mijn vijanden." God zal Zijn hand tegen hen keren en hun schuim op het allerreinste afzuiveren.
Na deze zuivering zal Hij hun rechters en raadslieden wedergeven als in het eerst, en de stad zal een stad der gerechtigheid, een getrouwe stad genoemd worden. Sion zal door recht verlost worden, en haar wederkerenden door gerechtigheid.