Het lied "Uren, dagen, maanden, jaren" is een oud en veelgebruikt Nederlandstalig lied, dat vaak gezongen wordt tijdens kerkdiensten op oudejaarsavond, 31 december. De tekst is geschreven door Rhijnvis Feith (1753-1824) en verscheen oorspronkelijk als gezang 160 in de Evangelische Gezangen van 1806. Het lied werd in 1805 al gepubliceerd in het tweede deel van zijn uitgave Proeve van eenige gezangen voor den openbaaren godsdienst.
De oorspronkelijke titel van het lied was "Nieuwjaars-lied". Het feit dat het lied, ondanks deze titel, toch sterk verbonden is geraakt met oudejaarsdag, heeft vermoedelijk een praktische reden. Toen Feiths gezangenbundel in 1805 werd voltooid, bestond het fenomeen van de kerkdienst op oudejaarsavond nog niet. Deze diensten werden pas in 1817 ingesteld door de synode, die fungeerde als nationaal bestuursorgaan na de oplegging van een kerkorde door de overheid in 1816. Men achtte oudejaarsavond een geschikt moment voor nadere bezinning. Diensten op nieuwjaarsdag werden al langer gehouden, ter viering van Jezus' besnijdenis en naamgeving, maar Feiths lied spreekt daar niet over. Kennelijk werd zijn lied echter wel geschikt bevonden voor de oudejaarsavond.
Het lied is opgenomen in diverse populaire liedbundels, waaronder Weerklank (355 b) en de Zangbundel Joh. de Heer (406). In de bundel Weerklank zijn de teksten van de strofen 1, 2 en 6 bewerkt door A. De bundel Kun je nog zingen, zing dan mee bevat ook een versie van het lied.

Thematiek en interpretatie van de tekst
Het opschrift "Nieuwjaarslied" suggereert een focus op de toekomst. Bij nadere beschouwing van de tekst, in het licht van dit opschrift, is inderdaad te zien dat het lied gaat over de toekomst. De uren, dagen, maanden en jaren die voor ons liggen, vliegen voorbij als een schaduw. Hoewel er kort wordt teruggeblikt op het verleden, zoals de zinsnede 'voorgeslachten kwijnden heenen', dient dit slechts om te benadrukken hoe wij nu 'bloeien op hun graf'. Het lied wijst erop dat het nakroost ons eveneens zal bewenen en dat rampen ons kunnen treffen. De toekomst zou duister zijn zonder Gods aanwezigheid: 'Aan geen tijdperk hangt mijn lot'.
Sommige interpretaties beschouwen het lied als problematisch, omdat het gelatenheid en moedeloosheid zou oproepen. De gedachte dat wat we nu doen er niet toe doet en niet blijvend is, kan worden gezien als een gevaarlijke boodschap. De Bijbel leert echter dat het leven draait om een erfenis die we achterlaten, dat God werken voor ons heeft voorbereid waarin we mogen wandelen, en dat we mogen lijken op Jezus, die een grote invloed had met zijn leven. Jezus daagt ons zelfs uit om in de kracht van de Heilige Geest grotere werken te doen dan Hij.
De zinsnede "Uren, dagen, maanden, jaren vliegen als een schaduw heen" wordt vaak geassocieerd met het idee dat tijd continu en 'dicht' is, wat betekent dat tussen twee willekeurige tijdstippen altijd weer een ander tijdstip ligt. Dit wordt onderscheiden van de 'niet-dichte' tijdseenheden, zoals dagen of weekeinden, waar tussenliggende perioden (zoals nachten) bestaan. De continuïteit van tijd wordt ook benadrukt door metaforen als 'een zee van tijd' of 'een tijdsstroom'.

Historische en culturele context
Het lied "Uren, dagen, maanden, jaren" heeft een blijvende plaats in de Nederlandse populaire cultuur. Cabaretier Wim Kan begon zijn Oudejaarsconferences steevast met de melodie van het lied, gespeeld door pianist Ru van Veen. Ook in het lied Oudejaarsavond-brief van den verloren zoon in Indië aan zijn moeder, geschreven voor Cor Ruys, werd naar het lied verwezen.
De oorspronkelijke regels van het lied werden vroeger soms verbasterd tot "Uren, dagen, maanden, jaren, vliegen als een schaap door 't veen", wat destijds als ondeugend werd beschouwd. De beroemde eerste regels hebben zelfs hun weg gevonden naar het woordenboek, onder het lemma 'schaduw'.
De tekst van het lied stamt uit 1805 en is dus al ruim twee eeuwen oud. Het lied is vaak gezongen in kerkelijke kringen bij de start van het nieuwe jaar of het afsluiten van het oude jaar.
De oorsprong van onze tijdsindeling
De manier waarop we tijd indelen en meten, heeft interessante historische wortels. De indeling van een minuut in zestig seconden, een uur in zestig minuten, een dag in 24 uur en een jaar in 12 maanden, is deels gebaseerd op het Babylonische zestallige stelsel. Deze beschaving, die zo'n 3500 jaar geleden in Mesopotamië (het huidige Irak) bestond, gebruikte dit stelsel in tegenstelling tot ons huidige tientallige stelsel.
De oude Egyptenaren kenden een dag van 24 uur, maar deze uren waren niet altijd even lang. De dag begon met 12 uur bij zonsopkomst en de nacht telde ook 12 uur, beginnend bij zonsondergang. Op kortere winterdagen waren de daguren korter dan in de zomer, en omgekeerd voor de nachturen.

Via de Griekse en Romeinse beschavingen kwamen deze invloeden Europa binnen. Vroeger werd tijd gemeten met zonnewijzers, die de schaduw van de zon gebruikten. Deze methode resulteerde in wisselende uurlengtes, afhankelijk van de stand van de zon. Met de komst van de mechanische klok, vanaf de 10e eeuw, werden alle uren even lang, ongeacht de zonnestand.
Tijdzones en de wereldtijd
De rotatie van de aarde om haar as zorgt ervoor dat steeds een deel van de aardbol wordt belicht, wat leidt tot dag en nacht. Vroeger bepaalde de stand van de zon de lokale tijd, wat betekende dat elke stad en elk dorp zijn eigen tijd had. Dit was niet erg problematisch omdat mensen destijds niet veel en ver reisden.
Tegenwoordig zijn er wereldwijd 24 tijdzones afgesproken, die de meridianen volgen (denkbeeldige lijnen van de noord- naar de zuidpool). De tijd in elke zone wordt berekend ten opzichte van een nulpunt: de nulmeridiaan die door Greenwich (Londen) loopt. De tijd die daar geldt, heet UTC (Coordinated Universal Time). Hoewel de naam een compromis is tussen het Franse "TUC" en het Engelse "CUT", is het de wereldwijde standaard.

Europa hanteert over het algemeen dezelfde tijdzone. Zo valt Nederland, hoewel geografisch aan de rand van de tijdzone van Greenwich, onder de Midden-Europese Tijd (MET), die eigenlijk voor landen als Duitsland en Polen geldt. Grote landen zoals Canada hebben meerdere tijdzones. Frankrijk heeft met 12 tijdzones de meeste, mede door zijn overzeese gebieden. Rusland volgt met 11 aangrenzende tijdzones. China is het grootste land met slechts één tijdzone, die van de hoofdstad Beijing.
De betekenis van tijdseenheden in taal
De manier waarop we spreken over tijdseenheden zoals uren, dagen, maanden en jaren, onthult interessante aspecten van onze perceptie van tijd. Woorden als "vliegen" suggereren een ononderbroken, continue voortgang. Wiskundigen beschouwen dit als 'dichte' tijd, waarbij tussen twee tijdspunten altijd een ander punt ligt.
Dit staat tegenover 'niet-dichte' tijdseenheden, waarbij er wel degelijk tussenliggende perioden zijn. Het onderscheid is zichtbaar in ons taalgebruik. Zo betekent "drie uur lang" een aaneengesloten periode, terwijl "drie avonden lang" eerder 'drie keer een avond' impliceert en geen aaneengesloten eenheid hoeft te zijn.
In het Nederlands kunnen belangrijke tel- of maateenheden vaak in het enkelvoud worden gebruikt: "drie kilo", "drie uur", "zestig man". Voor tijdseenheden geldt dit ook, maar er zijn nuances. Een uitspraak als "In een maand zijn we verhuisd" kan betekenen "binnen een maand (na een bepaald tijdstip)", maar het is duidelijker om te zeggen "In die maand zijn we verhuisd" om een specifieke periode aan te duiden.
Woorden als uren, dagen, maanden, jaren hebben vaak extra ondersteuning nodig, zoals bijvoeglijke bepalingen of aanwijzende voornaamwoorden, om los te komen van de aaneengesloten reeks en specifieke tijdseenheden te vormen. Dit creëert een beeld van "eilanden in de zee van de tijd", of "stenen die uitsteken in een rivierbedding".