Maarten Luther (1483-1546) en Johannes Calvijn (1509-1564) waren in hun tijd beide kerkhervormers met een grote afkeer tegen de Katholieke Kerk. Dit is dan ook een van de weinige overeenkomsten tussen de twee hervormers: hun concrete ideeën over hoe de toekomst van de kerk eruit moest zien verschilden erg. Wil je meer weten over Luther en Calvijn en hun rol in de Reformatie?
Maarten Luther en de start van de Reformatie
Maarten Luther werd in 1483 geboren in het Heilige Roomse Rijk. Hij volgde hier later ook meerdere opleidingen, waaronder een studie rechten. Deze brak hij echter na vier jaar af, om monnik te worden in het Augustijner klooster in Erfurt.
Luther’s interpretatie van de bijbel botste erg met de toenmalige praktijken van de Rooms-Katholieke Kerk. Hij was vooral heel erg tegen het ‘aflaatsysteem’ van de kerk. Dit hield in dat gelovigen hun zonden zogenaamd konden ‘afbetalen’. Ze moesten daartoe een bedrag aan de kerk betalen om een ‘aflaat’ te kopen, zodat ze vergeven konden worden. Luther vond dit aflaatsysteem een schande. Hij geloofde niet dat God zonden vergeeft na het betalen van geld aan de kerk.
Luther besluit om zijn kritiek op de kerk te uiten. Hij schrijft 95 ‘stellingen’ waarin hij de wantoestanden in de kerk, waaronder de aflaathandel, aan de kaak stelt. Hij laat in deze stellingen zien hoe de huidige praktijken in de kerk de Bijbel tegenspreken. Er is geen bewijs voor het feit dat Luther deze stellingen echt op de kerkdeur in Wittenberg spijkerde. Wel stuurde hij de stellingen door naar de aartsbisschop van Mainz en konden ze door de uitvinding van de boekdrukkunst gedrukt worden en zich snel verspreiden door heel Europa.
Luther’s kritiek werd door de kerk niet gewaarderd en hij werd uit de kerkelijke gemeenschap gestoten. Ook de keizer van het Duitse Rijk, Karel V, deed er alles aan om godsdiensteenheid te creëren en moest niks hebben van protestanten als Luther. In 1521 werd Luther daarom gevraagd om naar de Rijksdag in Worms te komen. Hij wordt op deze dag gevraagd om zijn stellingen terug te trekken, wat hij weigert. Als reactie hierop vaardigde Karel V het Edict van Worms uit, waarmee Luther in de Rijksban werd gedaan. Er waren echter een paar lokale vorsten in het Duitse rijk die het eens waren met Luther en hem wilden beschermen. Zo kon Luther bij de vorst van Saksen onderduiken. Terwijl hij hier ondergedoken zat, vertaalde hij het Nieuwe Testament in het Duits.

Johannes Calvijn en de Gereformeerde Kerk
Johannes Calvijn werd in 1509 geboren in Frankrijk. Later ging hij theologie studeren in Parijs, totdat zijn vader in 1528 een conflict kreeg met de Rooms-Katholieke Kerk. Toen vond hij het beter dat zijn zoon rechten ging studeren in Orléans. In deze stad kwam Calvijn in aanraking met het humanisme en richtte zich zelf op het bestuderen van Bijbelse talen en de Griekse literatuur. Hij ontwikkelde hierdoor een grotere interesse in de ‘ware godsverering’, door middel van het begrijpen van de Bijbel.
Zijn vader was inmiddels geëxcommuniceerd door de kerk, waarna Calvijn besloot de Reformatie te steunen. Omdat hij koos voor het protestantisme, moest hij uit Frankrijk vluchten. Hij vertrok daarom naar Zwitserland. Daar werd, op zijn initiatief, de Academie van Genève opgericht, waar predikanten konden worden opgeleid in de protestantse leer. Calvijn publiceerde, naast vele andere theologische teksten, ook de ‘Institutio Christianae Religionis’, het belangrijkste werk uit de geschiedenis van het gereformeerde protestantisme. Het werk was een handleiding bij het zelf lezen van de Bijbel, riep de lezer op tot vroomheid en was bedoeld om de protestantse leer te verspreiden.

Belangrijke verschillen tussen Lutheranisme en Calvinisme
Zowel het lutheranisme als het calvinisme zijn vormen van het protestants-christelijk geloof. Toch zijn er grote verschillen tussen de twee stromingen, omdat Luther en Calvijn andere ideeën hadden over het geloof en de kerk.
Predestinatie
Predestinatie: de goddelijke voorbeschikking. Dit houdt in dat God al voorafgaand aan ieders geboorte heeft bepaald of diegene na zijn of haar dood naar de hemel of de hel gaat. De manier waarop die persoon zijn leven leidt kan hier dus helemaal niks aan veranderen: het is voorbestemd. Terwijl Calvijn wel geloofde in deze predestinatie, deed Luther dit niet.
Organisatie van de kerk
De organisatie van de kerk. Luther en Calvijn vonden allebei dat de paus niet de juiste leider was van de kerk en dat dit dus moest veranderen. Maar terwijl Luther vond dat in plaats daarvan bisschoppen de kerk moesten leiden, dacht Calvijn dat de kerkenraad hier het meest geschikt voor was. Deze kerkenraad moest dan volgens Calvijn bestaan uit mensen van de gelovige elite, zoals doctoren, pastores en ouderlingen.
Verhouding tussen vorst en volk
De vorst en het volk. Luther beweerde dat de vorst gekozen was door God. Hij vond daarom dat niemand in opstand mocht komen tegen de vorst, want dan verzette je je dus eigenlijk ook tegen de keuze van God. Calvijn vond echter wel dat de bevolking in opstand mocht komen en de vorst mocht afzetten als die zich als een tiran gedroeg en de eer van God niet verdiende.
De Lutherse Traditie
Wat is nu typisch Luthers? De liturgie niet, maar het enthousiasme waarmee de liturgie meebeleefd wordt juist weer wel. Het ambt wel of niet, want de praktijk van alledag lijkt niet veel te verschillen van hervormden en gereformeerden. We zullen op zoek moeten naar een rode draad, een "beat" die de grondtoon is voor het lutherse erfgoed.
In de lutherse traditie wordt de rechtvaardiging gezien als 'eerste en hoofdartikel van de verlossing' waarvan men in niets mag afwijken of waarvan men niets mag afdoen, zoals Luther zegt in zijn Schmalkaldische Artikelen. Ook wordt geleerd, dat de mensen zich tegenover God niet kunnen rechtvaardigen door hun eigen krachten, verdiensten of werken, maar dat ze door genade gerechtvaardigd worden vanwege Christus, door het geloof, omdat ze geloven dat ze uit genade geaccepteerd worden en dat de zonden vanwege Christus vergeven worden, die door zijn dood genoegdoening verschafte voor onze zonden. Dit geloof ziet God aan als gerechtigheid tegenover Hem.
Op voorspraak van Luther en Melanchton wordt de rechtvaardiging niet opgevat als één van de vele thema's uit de wereld van geloof en theologie, maar als maatstaf waaraan alle christelijke leer moet worden gemeten. Het verbaast dan ook niet dat in de oecumenische gesprekken, die in de eerste helft van de 16e eeuw worden georganiseerd om een dreigende scheuring in de Roomskatholieke Kerk te voorkomen, de rechtvaardiging een belangrijke plaats inneemt. Tijdens het Concilie van Trente (1545-1563) vindt de breuk tussen rooms-katholiek en protestant plaats en de veroordelingen over en weer zijn niet van de lucht. Gevolg is dat beide confessies tegenover elkaar zijn komen te staan. De Lutherse Wereldfederatie en de 'Pauselijke Raad voor de Bevordering van de Eenheid der Christenen' heeft een zgn. "Gemeenschappelijke Verklaring over de Rechtvaardiging" het licht laten zien waarin de veroordelingen over en weer belicht worden. Er blijven echter controversiële punten over.
Er is overeenstemming over waar het in wezen om gaat in Evangelie en Kerk. Ook de lutherse kerkorde heeft veel zaken precies geregeld. Toch, de vrijheid als een kenmerk. Luther heeft benadrukt dat er geen belemmering mag zijn in de relatie tussen God en mens. Geen kerkleiding heeft gezag over jouw verstaan van de bijbel, dat is een vraag voor het persoonlijk geloof van een ieder, waarbij de norm de bijbel is. Logisch gevolg was de publicatie van de bijbel in de volkstaal. Een bekend geschrift van Luther is "Von der Freiheit eines Christenmenschen" met hierin de centrale stelling: Een christen is in vrijheid heer van alle dingen en niemands onderdaan. Een christen is in dienstbaarheid knecht van alle dingen en ieders onderdaan. Deze stelling geeft aan dat er geen sprake is van een ongebrijdelde vrijheid.
Luther heft het verschil tussen leken en priesters op, doordat allen tot in de kern van hun bestaan delen in Christus' eerstgeboorterecht, zijn koningschap en priesterschap. Het geloof gaat zich dan realiseren en manifesteren als liefde, die overvloeit naar buiten en de gestalte van dienstbaarheid aanneemt. De christen wordt bij Luther één met Christus. Christus was niemands onderdaan, maar gaf zichzelf uit de liefde aan de mensen.
Het "Openbare Ambt van Woord en Sacrament" en het algemeen priesterschap der gelovigen levert nogal eens verwarring op. In de Augsburgse Confessie wordt gezegd over de kerk: "De Kerk is de gemeenschap van heiligen waarin het evangelie zuiver geleerd wordt en waarin de sacramenten op de juiste wijze bediend worden. In deze Kerk zijn alle christenen gelijk, hoewel niet iedereen dezelfde taak heeft." Dit lijkt in tegenspraak met elkaar. Luther legt de nadruk op de functie van het Woord. Het Woord komt van buitenaf, van Godswege tot je. Daartoe roept God enkelingen tot de dienst van de verkondiging. Het ambt van het Woord vertegenwoordigt Christus als "tegenover" van de gemeente. Gemeenschap van gelovigen en ambt zijn beiden nodig in de Kerk. Om in het ambt van het Woord te kunnen dienen, is er een gemeente nodig die beroept en dat de persoon in kwestie geordineerd wordt. Deze ordinatie is een belofte zich in te zetten voor het Woord en de goede orde van Christus in het samenleven van de gemeente. Beide aspecten zijn dus nodig: het algemeen priesterschap van gelovigen en het ambt van het Woord.
Naast het openbare ambt van Woord en Sacrament kent de lutherse kerkorde mensen die geroepen zijn tot bijstand in het openbare ambt van Woord en Sacrament: ouderlingen, kerkrentmeester, diakenen, kerkmusici en anderen die tot een kerkelijke dienst gesteld zijn. De plaatselijke gemeente kan dit naar behoefte invullen. De kerkorde heeft het takenpakket van de kerkenraad vastgelegd: zorg voor de bediening van Woord en Sacrament en al wat samenhangt met het belijden van de Kerk; leiding geven aan het werk in de gemeente en het besturen van de gemeente. Op het eerste gezicht lijkt er geen verschil met de hervormde en gereformeerde kerken, qua benaming zijn dingen vrijwel identiek. In de calvinistische traditie is een dienst pas volledig als de drie ambten aanwezig zijn: predikant, ouderling en diaken.

Het Lutheranisme in Nederland
Het lutheranisme is een stroming binnen het protestantse christendom. In Denemarken, Finland en IJsland is het lutheranisme de staatsreligie. Tot 2004 bestond in Nederland de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden met destijds 14.000 leden. Na de Reformatie waren er in Nederland aanhangers van de lutherse kerk. De Nederduitse Gereformeerde Kerk werd echter door de calvinistische overheid bevoordeeld, en het lutheranisme werd het, net als andere christelijke denominaties, verboden om kerkdiensten te houden.
De Lutherse kerken kennen in het algemeen twee sacramenten: doop en Heilig Avondmaal, en daarnaast, de aan de Lutherse leer aangepaste, biecht. De biecht is anders dan in o.a. het katholicisme.
In de Nederlanden werd in 1566 in Antwerpen de eerste lutherse gemeente opgericht. Toen de Spanjaarden in 1585 deze stad innamen, stichtten uitgeweken lutheranen drie jaar later een gemeente in Amsterdam. Hamburgse kooplieden sloten zich in de volgende jaren bij haar aan. De groei van de gemeente kwam voornamelijk uit Duitsland en Scandinavië, omdat de werkgelegenheid in de jonge republiek mensen aantrok. Vanwege deze relatie tussen werk en kerk bleef het platteland voor lutheranen onontgonnen gebied. De Amsterdamse gemeente bleef ten opzichte van zustergemeenten de eerste onder haars gelijke en bemiddelde met name in de talrijke interne conflicten.
Als de gereformeerde religie in ons land toonaangevend wordt, aldus dr. Zwanepol, wordt het lutherse geloof 'een mild alternatief' voor de gereformeerde leer. Hoewel, de remonstranten ontdekken bij hun toenaderingspogingen tot hun spijt dat de lutheranen zich even streng aan hun (Augsburgse) confessie gebonden weten als de contraremonstranten aan het gereformeerd belijden.
Niet anders dan in de Nederlandse Hervormde Kerk kende de lutherse kerk strijd om de handhaving van haar belijdenis én daarmee gepaard gaande scheuring. Breukjaar was vooral 1791, toen de Amsterdamse gemeente gediend werd door verschillende predikanten die de oude orthodoxe lutherse leer aanhingen, zoals neergelegd in de belijdenisgeschriften. Daarnaast kwamen jongere collega's die tijdens hun opleiding in Duitsland in aanraking gekomen waren met vrijzinniger gedachten over Jezus. In Amsterdam vormde als gevolg hiervan een kwart van de lutheranen de hersteld-lutherse gemeente. Het was overigens in deze hersteld lutherse gemeente aan de Amsterdamse Kloveniersburgwal dat de proponent Hermann Friedrich Kohlbrugge op de tweede pinksterdag van 1827 zich in een preek keerde tegen de theologische opvattingen van een van de predikanten, wat leidde tot zijn afzetting.
Belijdenis en Vrijheid in het Lutheranisme
De eerste periode van de lutherse kerk in Nederland kenmerkte zich door binding aan de belijdenis. Dr. Estié schrijft in een opstel over de predikanten die de gemeente van Hoorn dienden, dat hun verkondiging 'in overeenstemming' met de lutherse belijdenisgeschriften, in het bijzonder met de Onveranderde Augsburgse Confessie van 1530 diende te zijn. De Hollandse richting binnen het lutheranisme ging zich echter al gauw 'confessioneel laag-geprofileerd ontwikkelen', waarbij een verzoenende houding naar andere kerkgenootschappen werd aangenomen. Hiertegen stond de scherpere Duitse richting, die onverkort aan de lutherse leer en het isolement wilde vasthouden. Omdat de Amsterdamse gemeente vele jaren orthodox was, stelde deze als regel dat de aanstaande predikanten enige jaren aan Duitse universiteiten studeerden.
In 1952 vindt de hereniging tussen de Evangelisch-Lutherse en Hersteld Evangelisch-Lutherse Kerk plaats, niet omdat men opnieuw wil leven in overeenstemming met de belijdenis als leefregel voor de kerk, maar omdat de kerk een modern-confessioneel gezicht gekregen heeft. Discussies of je als aanstaand predikant de belijdenissen onderschrijft omdat óf voorzover ze in overeenstemming met de Schrift zijn -discussies die hun evenknie hadden in de Hervormde Kerk- worden niet meer van betekenis geacht. Voor het zover kwam, was de Evangelisch-Lutherse Kerk in de negentiende eeuw gekenmerkt door conflicten als gevolg van de opkomst van het modernisme, waarbij het luthers eigene verwaterde en de vrijzinnigheid meer en meer voet aan de grond kreeg.
Waar bevinden de lutherse gemeenten zich momenteel? Over de inhoud van haar (Augsburgse) confessie is in hervormd-gereformeerde kring de afgelopen jaren enige discussie geweest, maar minder zicht is er op de praktijk van het kerk-zijn. Dr. Zwanepol noemt het liberale klimaat en de kleinschaligheid kenmerkend, evenals aandacht voor de liturgie. Vrijheid en vieren zijn sleutelwoorden waarmee de identiteit recht gedaan wordt.
Die vrijheid is vooral omschreven als 'een vrijheid van leerdwang en van een wettische hantering van geloofsartikelen'. Zelf hanteren de lutheranen dit als typerend verschil met gereformeerden, die wel staan voor een binding aan de confessie. Lutheranen maakten nimmer een confessioneel twistpunt van hun avondmaalsleer zoals gereformeerden hechten aan de belijdenis van de verkiezing.
Het is in de huidige kerkelijke malaise rondom Samen op Weg slechts tragisch te noemen dat waar de lutherse belijdenis en traditie door veel hervormd-gereformeerden als een tikkende tijdbom beleefd wordt, de lutheranen zelf maar beperkt hechten aan de inhoud van hun confessie. In die zin houdt Maarten Luther zelf hen én ons een spiegel voor. Zijn reformatorische ontdekking bevrijdde hem innerlijk van het gezag van de kerk, maar bond hem tegelijk aan het gezag van de Bijbel. Door dit gezag te aanvaarden werd Luther diep in zijn geweten een vrij mens. Dát was christelijke Vrijheid. In zijn commentaar op de Galaten, maakt de reformator duidelijk dat ware vrijheid geen zaak van autonomie is, maar de meest volstrekte binding aan wat van buitenaf tot ons komt in Christus.

Christelijke Moraal en de Toekomst van de Kerk
Deze open binding aan de confessie -en zelfs ook een open houding tegenover de Bijbel- heeft zeker gevolgen voor het huidige kerk-zijn. Desastreuze gevolgen, zo lijkt het. Waar de lutherse kerk in haar officieel belijden vasthoudt aan de ware schat van het Evangelie en belijdt dat het gaat om de genade van Gods die ons zet op het spoor van het Koninkrijk van Christus, doen voor lutheranen 'slechts' de bediening van Woord en sacrament er werkelijk toe. Dit laatste waaiert echter uit in een onbijbelse openheid inzake de leer, de ethiek, de tucht. Want als God onvoorwaardelijk voor mensen kiest, kunnen mensen elkaar, rond het avondmaal geen voorwaarden meer stellen. Want als het leven, van een christen in beslag genomen wordt door het Woord, wie zal mensen in liefde en trouw samenlevend, een kerkelijke zegening van hun homoseksuele relatie onthouden?
De vrees leeft dat de christelijke moraal uitmondt in een wetticisme, en daarom zegt Zwanepol zelfs inzake homoseksualiteit: 'Men is eenvoudig minder geïnteresseerd in wat de bijbel daarover voorgeschreven zou hebben en meer gericht op de aanvaarding van de homosexuele medemens.' Is dat Luther? Beter: Is dat Christus? De Heiland der wereld was zo gericht op Zijn medemens, op de schare zonder leidsman, dat Hij hen al de geboden van Zijn Vader leerde.
Kunnen lutheranen begrijpen in welke onmogelijke positie hun deelname aan Samen op Weg gereformeerde belijders brengt?
Hervormden overwegen dit alles niet zonder pijn over het eigen kerkelijk leven. Want al in 1956 aanvaardden synodes van beide kerken een consensus over het avondmaal. Toen, slechts vijf jaar na de aanvaarding van de hervormde kerkorde, werd de theologische basis gelegd voor de latere stappen inzake verdergaande geloofsgemeenschap, die nu tot spanning leidt. Meer dan doopsgezinden en remonstranten werden de lutheranen in vorige eeuwen als geloofsbroeders beschouwd. Ondanks dat zij inzake avondmaal en predestinatie niet de gereformeerde leer bezaten, werden er in de zeventiende en achttiende eeuw van hervormde zijde verschillende (vergeefse) pogingen gedaan om beide kerken te verenigen. Daarom zal het gesprek met lutheranen over het gereformeerd belijden niet veel anders zijn dan het geloofsgesprek binnen de Hervormde Kerk zelf. Ook onze kerk is immers ontzonken aan de vuurgloed van de Reformatie?
Wanneer we ons richten op de toekomst van onze kerk, zal de moeite niet het méést zitten in de lutherse belijdenisgeschriften, al kan de Augsburger de toets van Gods Woord naar onze mening niet in alles doorstaan. Met name denken we daarbij aan de sacramenten, als Melanchthon spreekt over de heilsnoodzakelijkheid van de doop en de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus bij het avondmaal.
Ir. J. van der Graaf schreef in 1971 evenwel in dit blad, toen elke genoteerde zin over de lutheranen geen kerkpolitieke duiding kreeg: 'Het eerste belangrijke, Lutherse belijdenisgeschrift, de Augsburgse Confessie, werd door Calvijn ondertekend. Hij was niet bij de opstelling betrokken geweest. Een belijdenis waaraan hijzelf meegewerkt zou hebben, zou misschien andere punten genoemd hebben en bepaalde punten niet genoemd hebben. Maar hij herkende in de Augsburgse Confessie de religie die erin verwoord werd. Daarom, je kunt je binden aan een belijdenis, omdat je je verbonden weet met de religie ervan.' En drs. K. Exalto beantwoordde in 1975 de vraag of Calvijn een belijdenis wilde ondertekenen aldus: 'Calvijn is ook helemaal niet afkerig geweest van het zetten van zijn handtekening onder zorgvuldig opgestelde formulieren. Toen hij met Bullinger tot een overeenkomst kwam, tekende hij gaarne en gewillig de Consensus Tigurinus. En zelfs de Augsburgse Confessie ondertekende hij en waarlijk niet slechts voor de vorm. Een belijdenis was voor hem een levende expressie van geloof, maar tegelijk ook een akkoord van kerkelijke gemeenschap.' Van der Graaf noch ds. Exalto maakt hier onderscheid tussen de eerste en latere versie van de Augsburgse Confessie.
Als de verenigde kerk er komt, zullen de lutheranen getalsmatig nog geen procent van de leden vormen. Moeten we daarom rekenen met een sterfhuisconstructie? Of werkt het juist psychologisch zo dat een kleine groep groeit in zelfbewustzijn? Dr. Zwanepol opteert sterk voor de inbreng van het luthers gedachtengoed. Bestaansrecht ziet hij slechts in de verkondiging van het Evangelie door middel van de bediening van Woord en Sacrament. Inderdaad, waar Gods Woord werkelijk ter sprake komt, zal de kerk genezen en bloeien. Dan zal er rond een open Bijbel gesproken moeten worden over thema's die voor Luther zelf onopgeefbaar waren: Hoe krijg ik, persoonlijk, een genadig God? Hoe blijven we als kind van God tegelijk zondaar en gerechtvaardigde? Op welke wijze brengen mijn aanvechtingen mij tot Christus? Hoe leven we onder het gezag van Hem?
Wie zo Luther leest en verstaat, kan helemaal niets met de opmerking van dr. Zwanepol dat na de vereniging der kerken de rol van de lutherse traditie niet uitgespeeld is. 'In de lijn van hun traditie zullen lutheranen het oecumenisch contact blijven zoeken met de andere christelijke kerken en denominaties, zoals met de rooms-katholieken, de oud-katholieken, de remonstranten en de doopsgezinden.' Laat hier de ambtelijke leiding van de kerken -al weet ik dat niet op elk boek gereageerd kan worden…- helderheid verschaffen! Immers, door dit type opmerkingen zullen allen die het gereformeerd belijden en ook de gereformeerde kernen van het lutherse belijden, werkelijk liefhebben, zich in hun argwaan versterkt weten.
Waar het loslaten van binding aan de belijdenis toe leidt, toont ons ook de lutherse geschiedenis. Het moge ons aansporen in de toekomst te blijven bij de gereformeerde confessie, als zuivere vertolking van de Schrift, van de geloofswaarheden die de Heilige Geest aan het hart van Gods kinderen heeft geopenbaard.