Financiering van de opleiding en het predikantschap

De rol van de PRIO in de opleiding tot predikant

Als PRIO (predikant in opleiding) doen afgestudeerden met een predikantsopleiding praktijkervaring op. Afgestudeerden met een predikantsopleiding laten zich om diverse redenen niet altijd direct beroepbaar stellen. Om eerst wat werkervaring op te doen als gemeentepredikant werkt een PRIO voor een bepaalde periode, onder begeleiding, in een gemeente.

PRIO’s beschikken over een preekbevoegdheid: zij hebben die aangevraagd conform de Kerkorde, Artikel B8. Zij zijn dus bevoegd om te preken, maar niet bevoegd om de sacramenten te bedienen.

De PRIO werkt in de gemeente op basis van een contract vergelijkbaar aan dat van een kerkelijk werker. Aanvullend op het contract kan in overweging worden gegeven een aantal dagen betaald studieverlof te geven. Het opdoen van praktijkervaring is bedoeld voor een bepaalde periode. Deze periode is minimaal 2 en maximaal 3 jaar met een tijdsbeslag van minimaal 0,4 en maximaal 0,8 FTE.

De PRIO volgt het verplichte PE-traject voor beginnende predikanten aan de TUU, onderdeel hiervan is het tweejarige mentoraatstraject. De mentor is een ervaren predikant die opgeleid is tot mentor. Daarnaast kan een kerkenraads- of gemeentelid worden gevraagd een coachende rol te vervullen. De kerkenraad betrekt de gemeente bij de keuze voor een PRIO en communiceert de beweegredenen hiervoor.

Voorheen was het PRIO-schap een verplicht onderdeel van de opleiding voor NGK-predikanten. Dat is inmiddels niet meer zo. Een gemeente en een PRIO kunnen met elkaar in contact komen via informele contacten of op de speeddate die elk voorjaar georganiseerd wordt door SKW i.s.m. Ook is het mogelijk om te informeren bij de commissie Praktijk & Vorming van de TUU. Dat geldt zowel voor een kerkelijke gemeente die interesse heeft in een PRIO als voor een afgestudeerde die hiervoor beschikbaar is.

Schematische weergave van het PRIO-traject en de betrokken partijen.

Financiële verantwoordelijkheden en vergoedingen

De reiskosten die gemaakt worden door beginnende predikanten moeten betaald worden uit de vergoeding voor de ambtskosten, voor vakliteratuur en permanente educatie. Kerkelijk werkers kunnen de reiskosten bij de gemeente declareren als kosten die gemaakt moeten worden in de uitoefening van het ambt/de bediening.

Studieactiviteiten binnen het studieverlof onder eigen regie dienen door predikanten betaald te worden uit de vergoeding voor de ambtskosten, voor vakliteratuur en permanente educatie. Voor kerkelijk werkers geldt dat zij bij studieactiviteiten onder eigen regie bij de plaatselijke gemeente een beroep kunnen doen op de ‘Regeling Studiefaciliteiten’ binnen de ‘Arbeidsvoorwaardenregeling voor kerkelijk medewerkers’.

Aanvullende subsidies en budgetten

Mocht de bestaande vergoeding niet kostendekkend zijn voor de gevolgde scholing dan is het mogelijk om bij particuliere fondsen aanvullende subsidies aan te vragen.

De kosten voor cursussen van de PThU (i.s.m. Windesheim en CHE) worden vanaf 1 maart 2023 rechtstreeks aan de deelnemers gefactureerd. Deze werkwijze beperkt het aantal gegevens dat tussen PThU en de dienstenorganisatie gedeeld moet worden, wat leidt tot meer inzicht voor de deelnemer in het budget en meer grip op de inzet daarvan.

De kerk stelt per deelnemer een budget ter beschikking voor het volgen van cursussen binnen het aangestuurde deel ter grootte van €2.373 voor 6 ECTS (= 168 uur). Dat komt overeen met €384 per studiepunt. Voor het grootste deel komen de cursusprijzen overeen met deze budgetten. Een enkele keer is de prijs afwijkend door bijvoorbeeld meer dagen op locatie of juist geen overnachtingen.

Als de cursuskosten hoger zijn dan het budget, is het resterende bedrag de eigen bijdrage. Voor omvangrijke cursussen met een hoge cursusprijs kunnen vaak ook fondsen worden aangevraagd.

Betalingsregelingen en declaraties

De betalingstermijn van de factuur van de Protestantse Theologische Universiteit is verruimd, zodat het mogelijk is om het geld eerst te declareren en vervolgens te betalen. Mocht u later toch annuleren, dan geeft de Protestantse Theologische Universiteit dit door aan de dienstenorganisatie, zodat u geen onterechte vergoeding ontvangt. Eventuele annuleringskosten betaalt u zelf.

Voor de kosten van begeleiding kunnen predikanten en kerkelijk werkers één keer per vijf jaar een declaratie indienen bij de dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk tot een maximum van €1.000, maar niet meer dan de werkelijke kosten.

Predikanten en kerkelijk werkers die kiezen voor de mogelijkheid tot het volgen van een door de commissie Permanente Educatie erkende opleiding of specialisatie, hebben daarnaast op declaratiebasis recht op een vergoeding van de kosten die verband houden met de gevolgde studie. Dit tot het maximum van €2.373,00 per gevolgde specialisatie of promotie. Dit bedrag is van toepassing als u in deze periode geen andere cursussen hebt gevolgd.

Historische perspectieven op predikantensalarissen

In de zeventiende-eeuwse Republiek werden predikanten geplaatst in rangstelsels. De gereformeerde religie bezette de hoogste positie, wat de positie van de predikanten in deze hiërarchie aangaf.

Over het inkomen van de predikanten, met name de tractementen, is veel materiaal bijeengebracht. Gegevens over vermogens van predikanten zijn minder bekend, maar wel aanwezig, waardoor de vraag of de gemiddelde predikant over enig vermogen beschikte, in de beoordeling van zijn positie betrokken kan worden.

Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, generaliserend over inkomen en vermogen van de predikanten te spreken. Vast staat dat er grote verschillen in de salariëring van de kerkedienaren hebben bestaan, evenals in de wijze waarop het tractement werd uitbetaald. Sommige dominees trokken hun inkomen rechtstreeks uit de pastoriegoederen, anderen ontvingen hun tractement uit handen van een rentmeester van de kerkelijke goederen, waarbij het gebruikelijk was dat een deel uit plaatselijke en een deel uit gewestelijke middelen werd betaald.

De predikantstractementen waren van plaats tot plaats verschillend. Het kwam zelfs voor dat in dezelfde gemeente verschillende salarissen werden betaald. In de loop der tijd werden de tractementen, vaak op aandringen van de kerkelijke vergaderingen, enige malen verhoogd en aangepast aan het gestegen prijspeil.

Regionale verschillen in predikantensalarissen

Om een beeld te krijgen van de salarispositie der predikanten in het algemeen en tegelijkertijd recht te doen aan de grote verscheidenheid, volgt een overzicht van de salariëring in de verschillende gewesten, met aandacht voor verschillen tussen stads- en plattelandstractementen.

In Friesland was een inkomen rechtstreeks uit de pastoriegoederen op veel plaatsen gebruikelijk. Predikanten die hun salaris uit handen van een rentmeester der kerkelijke goederen ontvingen, werden per jaar, half jaar of kwartaal uitbetaald, vaak niet op de afgesproken tijd. In alle gewesten waren er klachten over achterstalligheid bij de uitbetaling van de predikantstractementen. Maar ook als de predikant zijn inkomen rechtstreeks uit de pastoriegoederen trok, kwam zijn tractement niet altijd op het juiste tijdstip binnen.

In Friesland hadden de predikanten in de eerste helft van de zeventiende eeuw, na moeilijke jaren in de late zestiende eeuw, een redelijk inkomen. Verbetering werd bereikt door verschillende dorpjes tot één gemeente samen te voegen en overheidsinkomsten zoals turfgeld, wagenvracht en boetes voor het vissen in verboden water te bestemmen voor de predikantstractementen. Een rijk bestaan hadden de meeste Friese predikanten echter niet. In de tweede helft van de zeventiende eeuw, toen omstreeks 1670 de pachten daalden terwijl de belastingen omhoog gingen, kregen de dorpspredikanten het zelfs uitgesproken moeilijk. Veel dominees op het Friese platteland verdienden toen minder dan ƒ 300,- en konden de eindjes niet meer aan elkaar knopen. De demonstratie van 156 Friese predikanten in 1672 te Leeuwarden moet mede in het licht van deze noodsituatie worden gezien.

In de Friese steden waren de salarissen aanzienlijk hoger. In Groningen was de situatie weinig anders; het salaris van de stadspredikant stak gunstig af tegen dat van de dorpsdominee.

In Drenthe varieerden de predikantstractementen blijkens een opgave uit 1632 van ƒ 135,- per jaar in Roden tot ƒ 693,50 per jaar in Diever, voor zover de inkomsten rechtstreeks uit de pastoriegoederen werden genoten. De verschillen werden verkleind doordat de minstbedeelde dominees een toelage ontvingen uit de kerkelijke goederen die onder beheer van de Staten van Drenthe stonden.

De eigengeërfde boeren leverden de predikant zijn wintervoorraad turf als tegenprestatie voor de lijkpredikaties die hij hield bij de begrafenis van hun doden en plachten hem op grond van ongeschreven gewoontes van tijd tot tijd extraatjes in natura toe te spelen. Zeker als de predikant in zijn gemeente geliefd was, kwam er nog heel wat langs de achterdeur de pastorie binnen.

In Overijssel, waar verscheidene dorpen hun predikant maar een zeer sober tractement konden aanbieden, vond men toch predikanten die in staat waren uit de opbrengst van de pastoriegoederen te leven. Het is niet onmogelijk dat de niet genoemde inkomsten de doorslag gaven. In Borne, waar de pastorie omstreeks 1620 niet meer dan ƒ 270,- per jaar opbracht, meldde zich niettemin een kandidaat die zich met ‘d'opcomste’ wel wilde vergenoegen. In dezelfde tijd kwamen in Overijssel niet minder dan tien dorpspredikanten schromelijk te kort.

Daar waar ‘feodale’ heren de scepter zwaaiden, hadden de predikanten het in de regel het slechtst. Jonker Johan van Steenwijk, zo klaagde een Overijssels predikant in 1594, die aanspraak maakte op het jus patronatus, vergaf de pastoriegoederen aan anderen dan aan de predikant. De synode stond in dergelijke gevallen vrijwel machteloos; het enige wat men kon doen, was de patroon ‘te induceren dieselvige vicarie wederomme te restitueren tott den rechten gebruyck ende onderholt des dienaers’.

Op het Gelderse platteland, waar veel predikanten eveneens hun inkomsten uit de pastoriegoederen moesten ontvangen, haalden vele kerkedienaren niet of nauwelijks de zogenaamde ‘congruente portie’, het salaris waarop zij minimaal recht hadden. Ook in Utrecht vroeg men regelmatig om ‘augmentatie van de gagie van de predicanten ten plattelande’. Hetzelfde was het geval in Zeeland, waar de gedeputeerden van de Zeeuwse Synode in 1638 aan de Staten vroegen om ‘een staende Gagie, zonder te moeten jaerlycx, tot kleynigheyt van haren dienst, augmentum te verzoecken’.

Kaart van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden met aanduiding van de verschillende gewesten.

Salarissen in steden versus platteland

In de steden van al deze gewesten waren de tractementen aanmerkelijk beter dan op het platteland. In Zutphen bedroeg de gage in 1592 al ƒ 800,-. Den Briel betaalde in 1676 ƒ 900,-. In het algemeen schommel-den de tractementen in de steden tussen de ƒ 600,- en ƒ 900,-.

De hoogste tractementen werden in Holland uitbetaald. In Friese klachten over de lage salarissen werd Holland dan ook aan Friesland ten voorbeeld gesteld. Ook in Gelderland verzochten sommige predikanten om in salaris met hun Hollandse collega's gelijkgesteld te mogen worden.

Op het Hollandse platteland liepen de jaarsalarissen van ƒ 200,- in 1574 via verhogingen tot ƒ 300,- in 1583 en ƒ 350,- in 1594 op tot ƒ 500,- in 1624, nog eens tot ƒ 550,- verhoogd in 1649. Daarboven gaf men in Holland kinderrijke predikanten aparte toelagen, zodat het maximum salaris sinds 1649 ƒ 720,- bedroeg. In de kleine steden was dat sinds 1624 nog ƒ 100,- hoger. De salarissen in de grote steden kwamen daar ver boven uit. Kregen bijvoorbeeld de Rotterdamse predikanten in 1635 al ƒ 1000,- plus ƒ 200,- huur, in 1676 werd dominee Gregorius Mees in Rotterdam beroepen op een tractement van ƒ 1458,-. In Amsterdam betaalde de rentmeester in 1614 aan elf ‘duytsche predicanten’ voor een kwart jaar 4557,10 gulden uit, hetgeen omgerekend op een jaarsalaris van ongeveer ƒ 1640,- uitkomt.

De Hollandse situatie met betrekking tot de predikantstractementen lijkt daarmee wel zeer gunstig. Maar wanneer de geschiedenis van de ontwikkeling van de gages in de zeventiende eeuw nader wordt bezien, blijkt die evenmin ideaal te zijn geweest. De dorpspredikanten hebben op iedere verhoging jaren moeten wachten, nadat er telkens maar weer was gesmeekt en gebeden. De geschiedenis van zorg en moeite, armoede en gebrek van veel dienaren ten plattelande begon onmiddellijk na de overwinning van de Reformatie.

Predikantsalarissen in de 19e en 20e eeuw

In Nederland ontvingen hervormde predikanten vele eeuwen hun salaris van de staat, zelfs na de scheiding tussen kerk en staat in de negentiende eeuw. Pas in 1983 kwamen de Nederlandse staat en de kerken tot een afkoopsomregeling en verbraken daarmee de "zilveren koorde".

Hoewel de "zilveren koorde" niet meer van deze tijd is, is de gedachte dat de staat zich verantwoordelijk voelt voor de kerk, zowel financieel als organisatorisch, niet verkeerd. De kerk kan echter beter zichzelf onderhouden, anders is de kerk geen kerk meer.

Ruim acht jaar heeft de 84-jarige hervormde emeritus predikant dr. W.H. Den Ouden gewerkt aan het boek "De ontknoping van de zilveren koorde. De geschiedenis van de rijkstraktementen in de Nederlandse Hervormde Kerk". Met zijn beide boeken is de financiële geschiedenis van de Hervormde Kerk compleet.

Dr. Den Ouden stelt dat het algemeen reglement van 1816 en de ministeriële adviseur in kerkelijke zaken J.D. Janssen, ondanks hun negatieve imago, belangrijk waren voor de eenwording van de kerken en de harmonisatie van overheidsdiensten.

In 1796 werd in de Bataafse tijd de scheiding van kerk en staat geproclameerd, maar na vijf jaar weer ongedaan gemaakt. De eenheid van kerk en staat was in de praktijk vanaf de Reformatie altijd sterk aanwezig en is slechts in theorie even weg geweest. De staat erkende in de negentiende eeuw officieel de verantwoordelijkheid voor de kerk, zowel financieel als organisatorisch.

De financiële steun van de overheid aan de kerk

De financiële steun van de overheid voor de kerk behelsde twee belangrijke zaken. De Hervormde Kerk had het recht om gesteund te worden, terwijl andere kerken na 1816 hun traktementen uitbetaald kregen als een gunst. Sinds begin negentiende eeuw ging het om volledige uitbetaling van de salarissen voor predikanten.

Deze "zilveren koorde" bleef anderhalve eeuw van kracht. De aanvallen van antirevolutionaire politici, die uitgingen van de scheiding van kerk en staat en vonden dat de overheid haar handen van de kerk af moest trekken, bleken in de praktijk gecompliceerd omdat de overheid de verplichting had om elke predikantsplaats individueel te garanderen.

Beheerskwesties en financiële uitdagingen

Het beheer van de kerkelijke goederen was slecht geregeld. Toen de scheiding van kerk en staat in 1870 doorgevoerd werd en de koning niet meer de zorg had over het kerkelijk beheer, werd een commissie ingesteld die het beheer verder moest regelen. Dit gebeurde echter slecht, waardoor driekwart van alle gemeenten onder het algemeen college kwam en een kwart voor vrij beheer koos.

Dit leidde tot problemen, waarbij de richtingen een rol gingen spelen. De beslissing van de synode om tot deze vorm van beheer over te gaan, was logisch omdat het koninklijk beheersgezag over de kerk was weggevallen. Het beheer van de synode over de kerkelijke goederen werd echter door veel kerkvoogden niet geaccepteerd, omdat beheer en bestuur volgens hen gescheiden moesten blijven.

De financiële situatie van predikanten werd nijpend doordat het jaarlijkse traktement een vast bedrag was dat niet aangepast werd aan de inflatie. De kerkvoogden die alleen het beheer hadden over het kerkgebouw dienden nu ook zorg te dragen voor de salarissen van de predikanten. Dit leidde tot extra collecten en hoofdelijke omlagen, met als gevolg een enorme bureaucratie.

De ontwikkeling van Kerkbalans en geldwerving

In 1970 werd de Commissie Geldwerving opgericht. Ds. Den Ouden, met ervaring in geldwerving, stelde als voorwaarde dat het een nationale zaak moest worden, waaraan zo veel mogelijk kerken deelnamen. Zo werd hij in 1974 de initiatiefnemer van de interkerkelijke landelijke actie Kerkbalans.

In 1983 werd de "zilveren koorde" verbroken door een afkoopsom van de staat van 250 miljoen gulden aan de kerken, afhankelijk van het aantal leden. Zo kreeg de Rooms-Katholieke Kerk 159 miljoen gulden, de Hervormde Kerk 75 miljoen en de Gereformeerde Kerken 39 miljoen. Ook kleinere kerken kregen een uitkering.

De predikantsopleiding in de hedendaagse context

De predikantsopleiding van onze kerk ligt buiten het vizier van kerkenraden en gemeenteleden. De opleiding leeft niet en dat is jammer. Dankzij het faculteitsblad PThUnie en de bijzonder hoogleraren, aangesteld door de Gereformeerde Bond of de Confessionele Vereniging, krijgt de opleiding toch nog een gezicht.

De benoeming van Arnold Huijgen tot hoogleraar in de dogmatiek (leer van de kerk) aan de PThU is opmerkelijk. Huijgen was hoogleraar bij de domineesopleiding van de Christelijke Gereformeerde Kerken, een orthodox kerkgenootschap. De samenstelling van de staf van de PThU werd als ‘eenzijdig’ beschouwd, met te weinig vertegenwoordiging van de orthodoxe vleugel van de PKN.

Jongere gelovigen zijn stelliger in hun geloof, blijkt uit onderzoek. Het zou treurig zijn als we betreuren dat veel studenten behoudend zijn, we hebben al zo weinig studenten. Het is belangrijk dat er in de vaste staf mensen zijn van wie zij kunnen zeggen: ‘Dit is iemand van ons, in deze man of vrouw heb ik vertrouwen, die snapt ons’.

Verhouding tussen kerk, staat en predikantschap

De kerk kan beter zichzelf onderhouden, anders is de kerk geen kerk meer. De financiële steun van de overheid voor de kerk behelsde twee belangrijke zaken: de Hervormde Kerk had het recht om gesteund te worden, terwijl andere kerken na 1816 hun traktementen uitbetaald kregen als een gunst. Sinds begin negentiende eeuw ging het om volledige uitbetaling van de salarissen voor predikanten.

De staat voelde zich verantwoordelijk voor de kerk, zowel financieel als organisatorisch. De financiële steun van de overheid voor de kerk behelsde twee belangrijke zaken. Wat de Hervormde Kerk betreft -de kerk die sinds 1816 zo heette en in het verleden als kerk van de Reformatie de positie van de vroegere RK-Kerk innam- deze kerk had het récht om gesteund te worden. De andere kerken kregen na 1816 ook hun traktementen uitbetaald, maar dat was een gúnst.

Kosten en salaris van een predikant

Een fulltime predikant kost de Protestantse Kerk Nederland ongeveer een ton per jaar, inclusief overheadkosten zoals pensioenen en arbeidsongeschiktheid. Het bruto maandsalaris varieert van € 3564,58 bij 0 dienstjaren tot € 5971,67 na twintig jaar. Predikanten volgen de ambtenaren CAO en zijn ingedeeld als docenten op een middelbare school.

Vergeleken met andere beroepsgroepen die ook een zesjarige academische studie vooronderstellen, is dit wellicht niet veel. Echter, kerkelijke gemeenten stralen vaak uit dat je inhalig bent als je als predikant wilt verdienen wat je volgens een traktementsregeling zou moeten ontvangen.

Er zijn predikanten die zich bijna schamen dat ze dit salaris krijgen en verwijzen naar de apostel Paulus die niets voor zijn werk kreeg, maar als tentenmaker zijn brood verdiende.

De noodzaak van deskundigheid en de financiële realiteit

De vraag of een vrijgestelde predikant nodig is, hangt samen met het principe van het priesterschap van alle gelovigen. Principieel kan iedereen het doen, en een goed functionerende gemeente zou ook kunnen draaien op vrijwilligers. Wellicht is het een soort (geestelijke) luiheid dat al deze taken zijn toebedeeld aan predikanten.

Moet je een universitaire studie gedaan hebben om predikant te kunnen zijn? De PKN is hierin aan het schuiven. De NGK houdt eraan vast. De Remonstrantse Broederschap heeft haar opleiding korter gemaakt. Vaak werden hiervoor verkeerde argumenten gebruikt, zoals het onderscheid tussen academisch geschoolde predikanten en HBO-opgeleide voorgangers in de bediening van de sacramenten.

Als je hoge eisen stelt aan je voorgangers, moet je er ook reëel voor betalen. Je moet niet willen dat er niemand meer theologie gaat studeren, omdat je er geen droog brood mee kunt verdienen. Predikanten zijn economische wezens die geld nodig hebben om te leven. De wijze les van human resources luidt: “You pay peanuts, you get monkeys”.

Preekbeurten en vergoedingen

Voor een preekbeurt ontvangen predikanten € 146 bruto, gebaseerd op 4 uur werk. Na aftrek van belastingen blijft er ongeveer € 75 over. Daarnaast worden reiskosten vergoed.

De 4 uur zijn gebaseerd op het hergebruik van een oude preek. De praktijk is dat er minstens een half uur bezig is met het toepassen van de plaatselijke liturgische eigenaardigheden en het communiceren van de liederen. Daarbovenop komt de tijd die men onderweg is en de aanwezigheid in de kerk. De totale tijdsbesteding kan oplopen tot 5 uur.

Collega Klaas Hendrikse, de atheïstische dominee, vroeg naar verluidt € 300 voor een preekbeurt. Hoeveel kerkgangers zouden zelf in hun werkzame leven voor dit bescheiden bedrag hun bed uitgekomen zijn?

Predikanten als zelfstandige ondernemers

Predikanten zijn geen gewone werknemers en de kerk is geen werkgever. Vanaf het begin van het protestantse predikantschap geldt de fictie: een dominee kan geen andere baas hebben dan de grote Baas in de hemel. Verbi Divini Minister (VDM).

Praktisch gesproken leidt dat tot een hoop gedoe. Predikanten zijn een soort zelfstandige ondernemers (in technische zin: pseudo-ondernemer), met al het gedoe dat erbij hoort. Geen collectieve voorzieningen als WW of WIA. Alleen als het kerkgenootschap dat regelt, komt dat goed. De traditionele kerkgenootschappen beijveren zich sinds jaar en dag om hele constructies te scheppen, zodat het dezelfde zekerheid geeft: een wachtgeldregeling, een collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekering en vroeger ook een eigen pensioenfonds.

In de praktijk blijft het een heel gedoe, daar de fiscale regels niet meer ingesteld zijn op dit soort merkwaardige uitzonderingen. Ook voor predikanten blijkt het soms lastig. Ze krijgen een bruto traktement uitgekeerd en moeten maar zorgen dat ze op het moment dat de fiscus aanklopt genoeg gespaard hebben.

Animatie kaart van Nederland (1927)

tags: #wie #betaalde #de #opleiding #van #dominees