Zingen en musiceren spelen een centrale rol in religie en godsdienst, en de joodse én christelijke religies vormen daarin geen uitzondering. Zingen is ten nauwste verbonden met onze adem, en daarmee met ons leven zelf. Wanneer mensen zingen, heeft dat een reden. Er is iets dat hen beroert en tot zingen aanzet. Dat maakt ons zingen tot een uiting, veelal een uiting van dankbaarheid, van blijdschap, en soms ook van koppige hoop, als iemand door zijn tranen heen, tegen het donker in wil zingen. Ons lied heeft ook altijd een adres, het richt zich hoorbaar tot iemand.
Het is merkwaardig dat er wordt opgeroepen om een nieuw lied te zingen, waar de brede instemming doorgaans gebruikmaakt van het oude, bekende lied. Zoals bijvoorbeeld het refrein "Want zijn goedertierenheid en trouw bestaan in eeuwigheid", dat als een vast refrein in meerdere psalmen terugkeert. Het is zelfs hét refrein in de Hallelpsalmen, en is daar dé fundering waarom JHWH prijzenswaardig is.
De oproep tot zingen en juichen
De psalm laat zich in tweeën delen, waarbij in beide delen een oproep klinkt: Zingt (vs. 1b) en Juicht (vs. 4a), een oproep die ook beide malen door een ‘want’ wordt gevolgd: want Hij heeft wonderen gedaan (vs. 1c) en want Hij zal komen (vs. ...).
Wie roept hier wie op tot zingen? Dat is diezelfde aarde die in het eerste deel van de psalm al even als publiek, als toeschouwer wordt genoemd: voor de ogen van de volken (vs. 2d). Het betreft dus mensen die iets zien, iets aanschouwen. Het zijn de volken buiten Israël. Wat in en met Israël gebeurt, is geen besloten voorstelling, maar is van universele betekenis en waarde. De psalm laat ruimte over om hierin zowel een verwijzing te horen naar het verhaal van de uittocht alsook naar dat van de terugkeer uit ballingschap.

De betekenis van "wonderen"
Hij heeft wonderen gedaan. Daarom zal er gezongen worden. Wat zijn die wonderen? Geen bijzondere ingreep op aanvraag, geen daad op verzoek, maar een onverwacht, ongedacht en ook ongehoord gebeuren mag een wonder heten (nifla’ot). Maar het bijzondere - en ook merkwaardige - is dat het allereerst zijn eigen bevrijding betreft. Hij heeft zichzelf (vs. 2) vrijheid verschaft. Hij deed dit met zijn eigen heilige arm, dat wil zeggen eigenhandig, op eigen kracht, zonder hulp van anderen. Dat betekent dus dat deze God in de verdrukking en gevangenschap van zijn volk deelt.
De parallel schuilt in vers 2c en 2d in het bekendmaken en het openbaren. Daarbij behoren de objecten bevrijding en gerechtigheid. De naties zijn al getuige geweest van de bevrijding van Israël. Maar dat was ook niet minder dan een demonstratie. Heel de aarde wordt nu in het tweede deel opgeroepen om ook te juichen, in te stemmen met deze ‘manier van doen’. Waar Israël al zingt, is het nu aan de volken om met snaar- en blaasinstrumenten mee te gaan doen. Heel deze muziek heeft hetzelfde adres als in deel I: opnieuw is het JHWH. Expliciet wordt hij hier ‘koning’ genoemd. Daarmee wordt ook zijn functioneren nader aangeduid. Naar Israëlitische wetgeving is de koning de eerst-aangewezene om gerechtigheid en recht te garanderen en te bewerkstelligen. Hij is naast bestuurder vooral ook rechter.
Het nieuwe lied: Kwaliteit en vernieuwing
De oproep om een nieuw lied te zingen komt vooral voor in de Psalmen: Psalm 33:3, 96:1, 98:1, 144:9 en 149:1. Ook in Jesaja 42:10 klinkt dezelfde oproep. In Psalm 40:4 en 144:9 wordt er geen oproep gedaan, maar kondigt de dichter aan dat hij een nieuw lied zal zingen. In al deze gevallen vormt deze oproep of aankondiging het begin van een lofzang op Gods werk.
Wat bedoelt de Bijbel eigenlijk met nieuwe liederen? Als mensen zeggen dat we nieuwe liederen moeten zingen, bedoelen ze met nieuw meestal zoiets als ‘modern’, ‘eigentijds’ of ‘niet ouderwets’. Maar is dat ook wat de Bijbel bedoelt met ‘nieuw’?
De bijbelse betekenis van "nieuw"
Het eerste wat opvalt, is dat het woord ‘nieuw’ niet zoveel in de Bijbel voorkomt in de alledaagse betekenis. Deze betekenis zie je bijvoorbeeld als Simson Delila wijsmaakt dat hij met zijn kracht niet opgewassen is tegen nieuwe touwen, die nog nooit gebruikt zijn (Richteren 16:11). Of als de profeet Ahia Jerobeam tot koning zalft en een nieuwe mantel aan stukken scheurt om zijn profetie kracht bij te zetten. Deze betekenis kom je ook tegen als Jezus begraven wordt.
Dat ‘nieuw’ in deze betekenis een speciale waarde had in relatie tot God, blijkt uit het feit dat zowel de Filistijnen als David de ark lieten vervoeren op een nieuwe wagen (1 Samuël 6:7 en 2 Samuël 6:3). Daarmee dachten ze God plezier te doen. Weliswaar maakten ze een grote fout, want de ark mocht niet op een wagen vervoerd worden. Maar dat ze een nieuwe, gave wagen gebruikten, was voor hen een uiting van eerbied voor Gods heiligheid. En dat was op zichzelf heel logisch. Want ook God zelf had in de wet voorgeschreven altijd gave offerdieren aan Hem te offeren. Je kon bij Hem niet aankomen met een blind, kreupel of ziek dier (Leviticus 22:19-21). God vraagt van ons volmaaktheid. Ook in het Nieuwe Testament zie je dat. Paulus roept aan de Korinthiërs op om nieuw deeg te zijn, zonder gist, dus zonder bederf (1 Korinthiërs 5:7). Een nieuw leven is een heilig leven (Romeinen 6).
Vernieuwing en herstel
Een andere betekenis van ‘nieuw’ lijkt op de eerste, maar gaat een stapje verder. Het geeft aan dat iets ‘vernieuwd’ is. Het is hersteld in een eerdere, gave toestand. Deze betekenis is altijd gelinkt aan Gods reddingswerk. Zo belooft de Heer bijvoorbeeld dat Hij met Israël een nieuw verbond zal sluiten, dat beter is dan het oude verbond (Jeremia 31:31). Gods reddingswerk is ook herscheppingswerk. Wie gered is, is een nieuwe schepping (2 Korinthiërs 5:17). En er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Jesaja 65:17). Uiteindelijk is dat misschien wel de kern van het woord ‘nieuw’ in de Bijbel: dat God alle dingen nieuw maakt (Openbaring 21:5).
Deze beide betekenissen van het woord ‘nieuw’ zeggen dus iets over kwaliteit. Nieuw is goed. Nieuw is beter dan oud. Nu zijn wij ook geneigd om iets wat nieuw is, beter te vinden dan iets wat oud is. Maar in de Bijbel ligt het net iets anders dan bij ons. Het is een subtiel verschil, dat je gemakkelijk ontgaat. Ik denk dat het kwartje valt als je bedenkt dat iets ook nieuw kan zijn, terwijl het toch niet gaaf is. In dat geval is het niet goed in de bijbelse betekenis van nieuw.
Het nieuwe lied in de Bijbel
In de Psalmen wordt Gods scheppingswerk en zijn voorzienigheid bezongen. In Psalm 40, 96 en 98 gaat het over zijn wonderen. Het valt dus op dat er altijd een min of meer concrete aanleiding is om een nieuw lied te zingen: God heeft iets nieuws gedaan. Hij heeft zijn macht laten zien of zijn volk gered van haar vijanden.
Nieuwe liederen in het Nieuwe Testament
Dit blijkt nog duidelijker als we naar het Nieuwe Testament gaan. Helemaal aan het eind wordt er twee keer een nieuw lied gezongen. De eerste keer is in Openbaring 5:9. Daar is het een reactie op de troonsbestijging van Christus, het Lam dat geslacht is, als koning over heel de aarde. De tweede keer is in Openbaring 14:3. Dit keer wordt er uitdrukkelijk bij gezegd dat niet iedereen dit lied mee kan zingen. Het kan alleen gezongen worden door de gelovigen. ‘En zij zongen als een nieuw lied vóór de troon, vóór de vier dieren en de ouderlingen.’ In Openbaring 15:3, als het laatste oordeel gaat beginnen, wordt er opnieuw gezongen. Dit lied wordt niet uitdrukkelijk nieuw genoemd. Het is zelfs oud, want het is het lied van Mozes. Toch is het ook nieuw, want het is het lied van het Lam. Kortom, oud en nieuw komen hier samen.
Uiteindelijk is dat denk ik de kern waar het om draait als de Bijbel ons oproept om een nieuw lied te zingen. Die oproep in de Psalmen is een vooruitwijzing naar het nieuwe lied dat we straks als nieuwe mensen zingen, eerst in de hemel en uiteindelijk op een nieuwe aarde. Daar zal alles volmaakt zijn. Ook dat nieuwe lied straks is een volmaakt lied dat qua inhoud en schoonheid alle andere liederen voor altijd overtreft. Ik denk dat ons zingen hier bedoeld is als een voorproefje voor ons zingen straks. Het is er alvast een begin van. Dat blijkt immers al uit de verbinding die in Openbaring gelegd wordt tussen het zingen straks en het zingen in de Psalmen en door Mozes.
Kikkerdril - een vrolijk liedje over de metamorfose van een kikker
Het lied als offer
Ons zingen is eigenlijk een soort offer. De oproep is immers niet: ‘Zing een nieuw lied!’ Nee, het is: ‘Zing de HEER een nieuw lied!’ Ons lied is een lofoffer dat we onze God aanbieden. En zoals een offerdier gaaf moest zijn, zo moet dus ook ons lied gaaf zijn. Een lied raakt niet beschadigd door gebruik. Een lied krijgt geen gebreken door ouderdom. In die zin blijft een nieuw lied altijd nieuw. Ook een oud lied kan dus nog steeds een nieuw lied zijn in bijbelse zin. De Psalmen bewijzen het immers? Oeroud zijn ze, maar nog niets verouderd. Vanuit ons vernieuwde hart kunnen ze nog steeds zingen als reactie op Gods vernieuwing van ons. Ze gaan immers ook over Christus en zijn werk.
Toch denk ik dat dat wel wat armoedig is. Wij kunnen nu veel duidelijker en explicieter over Christus en zijn werk zingen dan in de Psalmen gebeurt. Daar is het allemaal nog impliciet, verhuld. Bovendien is Gods werk nog steeds niet voltooid. Zijn reddingswerk en herscheppingswerk gaat nog altijd door. Elke dag komen er nog mensen tot bekering. En ook wie al opnieuw geboren is, wordt nog elke dag meer vernieuwd naar zijn beeld. Maar dat is iets anders dan de kerken overspoelen met een vloedgolf aan nieuwe liederen. Als dat gebeurt, gaat er aan twee kanten iets mis. Dan zijn we niet kritisch genoeg in onze selectie van nieuwe liederen. Dan komen er teveel liederen binnen die verre van gaaf zijn. Juist dat onvergankelijke van een goed nieuw lied dat nooit oud wordt, juist dat is immers ook een goede verwijzing naar dat nieuwe lied straks, dat eeuwig blijft klinken?
Laten we ons best doen om liederen te zingen die zo goed zijn dat ze nog steeds gezongen worden als Christus terugkomt!
Psalm 98: Een nieuw lied voor de Heer
Psalm 98 opent met de oproep: ‘Zing voor de Heer een nieuw lied, zing voor de Heer, heel de aarde. Zing voor de Heer, loof Zijn Naam, breng de boodschap van Zijn heil van dag tot dag.’ God spoort ons aan om onze lofprijs aan Hem op verschillende manieren te uiten. In het bijzonder zegt Hij dat we voor de Heer ‘een nieuw lied’ moeten zingen. God wil niet dat de lof aan Hem oud wordt of afgezaagd, voornamelijk een ‘routinezaak’.
In het Nieuwe Testament schrijft de apostel Paulus aan de christenen in Efeze over drie verschillende manieren waarop we God kunnen prijzen en aanbidden. In hoofdstuk 5:19 noemt hij als middelen hiervoor ‘psalmen, lofzangen en geestelijke liederen’. Psalmen zijn de liederen die voor ons zijn opgetekend in het geïnspireerde Woord van God. Lofzangen zijn de mooie, traditionele liederen van de Kerk, die gewijd zijn door hun ouderdom en doordat ze zoveel zijn gebruikt en nog steeds gebruikt worden; ze drukken ons geloof en onze aanbidding uit. Maar er worden ook zogenaamde ‘geestelijke liederen’ genoemd. Dit zijn liederen die spontaan door de Heilige Geest worden ingegeven, wanneer we de tegenwoordigheid van God naderen en Hem beginnen te aanbidden - en we weer een nieuw facet ontdekken van de verlossing die Hij ons bracht.
Het is dus de Heilige Geest Die ons een nieuw lied geeft, misschien in onze eigen woorden, of misschien in een taal die ons door Hem wordt gegeven. Het is altijd een spontane reactie op een nieuwe openbaring van het veelomvattende verlossingswerk van God.
Het lied "Cantate" van Willem Barnard en Frits Mehrtens
Het lied "Zingt voor de Heer een nieuw gezang" met tekst van Willem Barnard (1920-2010) en muziek van Frits Mehrtens (1922-1975) is een voorbeeld van een lied dat ontstond in samenwerking voor een kerkdienst. De tekst is gebaseerd op Psalm 98 en verweeft beelden uit het boek Exodus met Nieuwtestamentische heilsfeiten. Het lied beschrijft de uittocht van het volk Israël, de doortocht door de woestijn en de intocht in het beloofde land, en ziet hierin parallellen met de pelgrimsreis van de gemeente en de weg die Jezus voor ons gaat.
Het lied zinspeelt op het water uit de rots (strofe 1; Exodus 17,6 en Numeri 20,11), op de onderdoorgang van de grote Pascha-nacht (strofen 2 en 3; Exodus 13), maar meteen ook op onze paasviering en op de doop die zo bij uitstek met het paasgeloof verbonden is. Het zingt over ‘tekenen van gerechtigheid’ (strofe 4, regel 2; Psalm 98,2.9) en hoe de woestijntocht wordt geschetst als een tocht naar een wereld van recht, de wereld van onrecht achter ons latende.
De melodie van Frits Mehrtens is beweeglijk en golvend, en weerspiegelt het ‘stromen’ in de tekst, zoals ‘water uit de harde steen’ en ‘opnieuw geboren uit water’. Mehrtens baseerde zijn melodieën op karakteristieken van de tekst en wilde voorkomen dat het strakke accentenpatroon zou leiden tot ‘doorléven’ (als in doorleefd geloof) in plaats van ‘dóórleven’ (tot in eeuwigheid).

Het lied "Cantate" kan bij verschillende gelegenheden gezongen worden: bij de doop, op paas- en pinksterfeest, bij het Avondmaal, of waar het bevrijdingsverhaal van Exodus wordt beseft als de waarheid over ons menselijk bestaan.