De hervormde predikant C. G. Geluk uit Huizen heeft zich jarenlang verdiept in de vraag hoe Calvijn tot zijn ruime cultuuropvatting kwam. In zijn proefschrift "Geest en cultuur" wordt uiteengezet dat Calvijn kunst beschouwt als een onderdeel van het werk van de Heilige Geest. De Schepper heeft de mens bij de schepping de gave van creativiteit meegegeven. De zondeval heeft deze gave weliswaar beschadigd, maar de Heilige Geest blijft de wereld in stand houden door Zijn (algemene) genade. Deze genade manifesteert zich onder meer in het schenken van intelligentie en de gave om kunstwerken te creëren. Calvijn erkende dat "De uitvinding der kunsten en andere dingen, die ten algemeenen nutte en gerieve strekken, is eene lang niet te versmaden gave Gods en een lofwaardige deugd."

De Kerk als Kunstvrije Zone
Ondanks zijn bredere waardering voor kunst, koos Calvijn resoluut voor een kerk zonder kunst. Deze keuze was ingegeven door zijn observaties van de praktijk. Na studie van de kerkgeschiedenis kwam hij tot de conclusie dat de godsdienst vervalt op het moment dat kunst met al haar toeters en bellen een plaats krijgt in de kerk. Hij ervoer dit zelf en stelde: "En wij hebben door de afgrijselijke onzinnigheid, die voorheen tot verderf van de bijna gansche godzaligheid, zich van de wereld heeft meester gemaakt, meer dan teveel ondervonden, dat zoodra de beelden in de kerken geplaatst worden, als het ware een veldteeken tot beeldendienst wordt opgericht."
Dit leidde tot een duidelijke visie op kerkelijke kunst: eenvoudige bouwkunst, geen beelden en schilderijen in de kerk, geen ingewikkelde meerstemmige muziek en geen muziekinstrumenten. Dit was een radicaal standpunt met verreikende consequenties.
Twee Standpunten: Theorie versus Praktijk
Calvijns benadering van kunst kan worden samengevat in twee kernpunten. Enerzijds legde hij kunst aanzienlijke beperkingen op door het kerkgebouw als werkterrein voor kunstenaars uit te sluiten. Anderzijds erkende hij kunst als een gave van God en kon hij genieten van muziek en de klassieken. Zolang God op de eerste plaats kwam, kreeg kunst volgens hem alle ruimte.
Dit onderscheid tussen theorie en praktijk is cruciaal. In theorie bood de wereld buiten de kerk volop ruimte voor kunst. Echter, wanneer de theoretische grondslag - kunst moet Gods eer dienen - in de praktijk niet bleek te werken, greep Calvijn in. Een treffend voorbeeld hiervan is zijn houding ten opzichte van dans. Hoewel dans in het Oude Testament voorkomt, wekte dans in Calvijns tijd ongewenste seksuele gevoelens op. Daarom keerde hij zich fel tegen de danspraktijken. De kern van Calvijns redenering was niet alleen wat Gods Woord zegt, maar ook wat het effect is in het dagelijkse leven. Als het Woord zijn kracht verliest doordat het moet wijken voor gedachten en gevoelens die God de eer niet geven, dan is er een probleem.
Dit principe geldt ook voor moderne media. Het kan moeilijk zijn om een bepaalde film of tentoonstelling op basis van Gods Woord direct af te wijzen. Maar als men na het consumeren van dergelijke kunstwerken geen zin meer heeft om de Bijbel te lezen of te bidden, is het noodzakelijk om een standpunt in te nemen: "Kunst moet zijn tot eer van God."

Calvijn en de Klassieken: Heidense Schil
Calvijn las met bewondering de boeken van klassieke filosofen en dichters. De godenwereld met hun liefdesaffaires en oorlogen kon hij naast zich neerleggen. Hij zag als het ware door de heidense schil heen en dankte God voor het goede dat hij aantrof. In de klassieke meesterwerken zag hij de triomf van wijsheid en schoonheid. Zijn visie op muziek, schilderkunst, beeldhouwkunst, theater en architectuur was ruim en open. De enige voorwaarde was dat de kunst de zonde in de mens niet mocht aanwakkeren. Het genieten en leren van schilderijen en muziek moest leiden tot verwondering over Gods genade en de schepping. Het uiteindelijke doel was, ondanks de aanwezige on-Bijbelse elementen, de eer van God.
Dit verklaart waarom Calvijn, ondanks zijn terughoudendheid tegenover theater, het toeliet dat zijn gemeente een toneelstuk over de Handelingen van de apostelen bezocht. Daarentegen had hij grote moeite met dans, omdat dit de erotische verlangens opwekte.
Luther versus Calvijn: Een Kunstzinnig Debat
De reformator Maarten Luther had een andere benadering van kunst in de kerk dan Calvijn. Sommige van Luthers strijdschriften waren vormgegeven als prentenboeken, vaak met medewerking van zijn vriend Lucas Cranach. In de "Passional Christi und Antichristi" zette Cranach het leven van Christus af tegen dat van de paus, de antichrist, met houtsneden die de boodschap snel overbrachten.
Luther maakte dankbaar gebruik van de mogelijkheden die kunst bood. Bij zijn Duitse Bijbelvertaling liet hij tekeningen vervaardigen, waarbij hij nauwkeurig aangaf hoe de figuren getekend moesten worden en toezag op Bijbelse correctheid en eenvoud. Hij wenste dat alle kerken en woningen beschilderd werden met Bijbelse geschiedenissen, zodat mensen als het ware omringd waren door het christelijk geloof.
Waar Calvijn geloofde dat kunst in de kerk afgoderij in de hand werkte, ondersteunden volgens Luther afbeeldingen juist het Woord. Deze houding relativeert de radicale visie van Calvijn een beetje en laat zien dat er verschillende visies mogelijk zijn. Uiteindelijk moeten individuen voor Gods aangezicht hun eigen weg zoeken.
| Reformator | Visie op Kunst in de Kerk | Redenering |
|---|---|---|
| Calvijn | Kunst in de kerk leidt tot afgoderij. | Beelden in de kerk worden een veldteken voor beeldendienst. |
| Luther | Kunst in de kerk is goed en ondersteunt het Woord. | Afbeeldingen kunnen Bijbelse geschiedenissen levend maken en geloof versterken. |
Ondanks hun verschillende benaderingen, deelden Luther en Calvijn een fundamenteel doel: de eer van God. Ze waren beiden geroepen om Zijn Woord uit te dragen en wilden voorkomen dat kunst een afgod werd. Beiden plaatsten kunst onder het gezag van Gods Woord.
Moderne Toepassingen: Glas-in-lood en Religieuze Kunst
De vraag rijst of Calvijn verontwaardigd zou reageren op de aanwezigheid van ramen met Bijbelse voorstellingen in moderne kerken, zoals de gereformeerde gemeente in Nederland in Barneveld. Deze ramen, met afbeeldingen uit het boek Jesaja, worden niet beschouwd als een overwaardering van kunst of een begin van "beeldendienst". Ze dragen juist bij aan een gewijde sfeer, waardoor gemeenteleden zich niet in een fabriekshal wanen, maar in een gebouw dat zorgvuldig is aangekleed voor de dienst van God.
Hoewel Calvijn koos voor een kerk zonder kunst, sloeg hij daarin niet door. Het gebouw waar hij in preekte, de Cathédrale Saint Pierre in Genève, had een kerkelijk uiterlijk en straalde een gewijde sfeer uit. De hoge vensters, die naar de hemel wezen, waren geworteld in de middeleeuwse gotiek en het binnenvallende licht symboliseerde het goddelijke Licht, een versluierde verwijzing naar Gods aanwezigheid.