De Gereformeerde Kerk Oude en Nieuwe Bildtdijk werd op 17 februari 1918 geïnstitueerd, met medewerking van de gereformeerde kerkenraad van Hallum. Deze gebeurtenis markeert een belangrijke stap in de religieuze geschiedenis van de regio, die geworteld is in een lange en complexe ontwikkeling van kerkelijke gemeenschappen in Friesland.
De Vorming van het Bildt en de Vroege Kerkelijke Organisatie
De ruim twaalf kilometer lange Oude Bildtdijk, aangelegd in 1505 tussen Westhoek en Oudebildtzijl, diende ter bescherming tegen overstromingen van de Middelzee. Ongeveer een eeuw later, rond 1600, werd de Nieuwe Bildtdijk ongeveer anderhalve kilometer noordelijker aangelegd, van Zwarte Haan tot Nieuwe Bildtzijl. Verder naar het noorden werd nog een zeedijk aangelegd, waardoor de Nieuwe Bildtdijk een slaperdijk werd. Tussen deze dijken ontstonden geleidelijk verbindingswegen, zoals de latere Schuringaweg ten noorden van Sint Annaparochie, destijds bekend als 't Wechy (het Wegje). Op het kruispunt van de Schuringaweg en de Oude Bildtdijk ontwikkelde zich het buurtschap Nij Altoenae, dat kerkelijk onder Sint Annaparochie viel.
Voor de bedijking in 1505 vielen de bewoners van het Bildt kerkelijk onder de pastoors van Stiens en Beetgum. Na de bedijking werd het Bildt ingedeeld bij Westergoa, als het 13e decanaat, onder toezicht van de Proost van St. Jan te Utrecht. Het Bildt werd verdeeld in drie parochies aan de oost-west lopende Middelweg. Deze parochies kregen al snel eigen, zij het eenvoudige, houten kerkgebouwen. In 1511 weigerde de wijbisschop van Utrecht de kerken te wijden vanwege het ontbreken van een geregeld onderhoud voor de geestelijkheid en de gebouwen. Uiteindelijk werden de kerken gewijd met Sint Jacobus, Sint Anna en Onze Lieve Vrouwe als patrones, beschermers in nood, die ook de namen van de latere dorpen bepaalden: Sint Jacobiparochie, Sint Annaparochie en Vrouwenparochie.
De houten kerkjes, waaronder dat van Vrouwenparochie, raakten in 1526 bouwvallig. De pachters, kerkmeesters, kerkvoogden en volmachten van het Bildt schreven keizer Karel V aan, die inmiddels eigenaar was geworden, omdat zij niet kapitaalkrachtig genoeg waren om de priesters te onderhouden. De keizer bepaalde dat zijn rentmeesters zes jaar lang jaarlijks 30 Carolus guldens per pastoor en 10 Carolus guldens per koster zouden betalen, evenals 50 Carolus guldens per kerk voor reparaties. Hij eiste echter ook dat de ingezetenen zelf zouden bijdragen aan de herbouw van de kerken in steen. Tussen 1526 en 1532 werden de drie kerken herbouwd in steen. Het onderhoud werd vanaf 1551 geregeld via de pachtvoorwaarden, waarbij de pachters verplicht waren een traktement voor de pastoor en koster te betalen.
De Reformatie en de Opkomst van Gereformeerde Gemeenten
De verandering van de Rooms-Katholieke leer naar de Gereformeerde leer verliep in het begin plaatselijk moeizaam door een gebrek aan gereformeerde predikanten. Pas na de opening van de Academie van Franeker in 1585 verbeterde de situatie. De eerste predikant van het hele Bildt was waarschijnlijk Ds. Albertus Westerman in 1584. Vanwege de kosten van een predikantentraktement, dat 300 Carolus guldens moest bedragen, schreven de Bildtpachters in ±1590 aan de Staten van Friesland. Op 19 april 1591 besloten de Staten de drie Bildtse predikanten te betalen, op voorwaarde dat de ingezetenen de schoolmeester zouden betalen. Spoedig daarna kreeg het Bildt zijn drie predikanten, waaronder Lollius Dominicus voor Vrouwenparochie (1592-1595).
De huidige kerk van Vrouwenparochie, gebouwd in 1670, is de oudste nog bestaande kerk van het Bildt. Deze verving de kerk die met financiële hulp van keizer Karel V was gebouwd tussen 1526 en 1532. De Staten van Friesland subsidieerden de bouw van de nieuwe kerk met 3500 Carolus guldens in 1669, onder de voorwaarde van adequaat onderhoud. De eerste steen werd gelegd op 19 april 1670. De kerk werd op 23 april 1671 in gebruik genomen.
In de 17e eeuw, na de Reformatie, werden de parochiekerken door protestanten overgenomen, terwijl kloosters vaak werden afgebroken. Andere religieuze stromingen dan de gereformeerde moesten hun geloof privé belijden, met schuilkerken als gedoogde optie. Vanaf de 19e eeuw, met de invoering van de officiële godsdienstvrijheid, werd het religieuze landschap diverser. De 19e eeuw zag ook verschillende afscheidingen binnen de Nederlands Hervormde Kerk, wat leidde tot de vorming van de Gereformeerde Kerk en de Christelijke Gereformeerde Kerk.
De Ontwikkeling van de Gereformeerde Gemeente Sint Annaparochie
De Gereformeerde Kerk Oude en Nieuwe Bildtdijk werd geïnstitueerd op 17 februari 1918, met medewerking van de gereformeerde kerkenraad van Hallum. Deze instituering was het resultaat van een complex proces van kerkelijke ontwikkelingen in Sint Annaparochie.
De hervormde gemeente van Sint Annaparochie raakte in 1864 vacant na het overlijden van ds. A. Wassenbergh. De vacature werd gevuld door predikanten die niet altijd aansloten bij de wensen van de gemeente. De regeling voor het traktement van de predikant en het onderhoud van de gebouwen, die sinds 1752 door de grondeigenaren moest worden opgebracht, leidde tot weerstand en weigering tot betaling, waardoor de financiële situatie precair werd.
De Afscheiding van 1834 had weinig aanloop uit hervormde kring, maar de Doleantie, die in 1886 onder leiding van dr. A. Kuyper begon, kreeg mede door de vacatureperikelen in de hervormde gemeente een behoorlijke aanhang. Een vereniging van 'Vrienden' had tot doel evangelisten te benoemen waar het zuivere Evangelie niet gehoord werd. In de vacaturetijd van de hervormde gemeente hielden zij leesdiensten in gebouw 'Rehoboth'. Toen de Doleantie leidde tot de vorming van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken, ging een groot deel van deze 'Vrienden' mee. In april 1887 erkenden R.B. Lont, A.G. Nauta en P.A. de Grijs de hervormde kerkenraad niet meer en vormden onder leiding van ds. J.C. Sikkel een eigen kerkenraad.
Aanvankelijk werden kerkdiensten in 'Rehoboth' gehouden, maar er moest een nieuwe kerk komen. Op 2 juni 1889 werd een nieuwe kerk gebouwd aan het Noordeinde (nu Stadhoudersweg) en deed de eerste predikant, kandidaat R.H. Pel, zijn intrede. Na diens vertrek volgde ds. J.J. Berends en daarna ds. G. Boekenoogen.
Landelijk traden de Dolerenden en de Christelijke Gereformeerden in overleg tot eenwording, wat op 17 juni 1892 resulteerde in de 'Acte van Vereeniging' en de vorming van 'De Gereformeerde Kerken in Nederland'. Plaatselijk verliepen de onderhandelingen niet altijd vlot. In Sint Annaparochie hield de 'A-kerk' (Christelijke Gereformeerde Gemeente) de boot af, terwijl de 'B-kerk' (Dolerende kerk) al eerder toenadering zocht. Geschilpunten waren onder andere de vraag of de Dolerenden zich bij de Afgescheidenen moesten voegen en welk kerkgebouw zou moeten worden afgestoten. De A-kerkenraad besloot in 1917 zelfs haar kerkgebouw te vergroten en te verbouwen, wat tot ongenoegen van de B-kerk leidde.
Pas na het overlijden van ds. J.S. Veenstra (predikant van kerk A) in 1924, werd de toenadering loyaler, maar de gebouwenkwestie bleef een struikelblok. Uiteindelijk werd besloten een geheel nieuwe kerk te bouwen, de 'Gideonkerk', die in 1926 werd voltooid.
De Ontwikkeling van de Gereformeerde Gemeente Oude- en Nieuwe Bildtdijk
Terwijl de onderhandelingen tussen de A- en B-kerken in Sint Annaparochie moeizaam verliepen, wilden de bewoners aan de Oude- en Nieuwe Bildtdijk minder afhankelijk worden van de voorzieningen in Sint Annaparochie. Op de dijken waren voldoende winkels, maar voor school en kerk moest men naar Sint Annaparochie reizen.
Al direct na de eeuwwisseling ontstonden plannen voor een christelijke school. In 1903 werd de christelijke school in gebruik genomen, met Johannes Schuringa als hoofdonderwijzer. De school groeide snel, en ongeveer tien jaar later werd een apart lokaal gebouwd voor vergaderingen van christelijke verenigingen. Hiervoor werd de 'Vereeniging voor Christelijke Belangen' opgericht.
Deze activiteiten zorgden voor fronsende wenkbrauwen in gereformeerd Sint Annaparochie. Ds. J.S. Veenstra en ds. G. Boekenoogen kregen de indruk dat de 'Oude- en Nieuwedijksters' bezig waren een eigen kerkelijk leven op te zetten. Hoewel ze beloofden een openingswoord te spreken bij de ingebruikneming van het lokaal, waarschuwden ze de 'dijksters' om geen 'kerkje te gaan spelen'.
De kerkenraden zagen het niet zitten dat zich op het onverharde Wechy zelfstandig kerkelijk leven zou ontwikkelen. Desondanks gingen de broeders en zusters aan de dijken door met hun plannen en wendden zich tot de classis Hallum. Twaalf broeders ondertekenden het verzoek om een Gereformeerde Kerk te mogen institueren. De classis, die de gang van zaken in Sint Annaparochie als 'zonde voor God' beschouwde, honoreerde het verzoek.
In overleg met Deputaten van de Classis werd geprobeerd ds. Boekenoogen van Sint Annaparochie B geregeld in de kerk aan de dijken te laten voorgaan, waarvoor een vergoeding aan kerk B betaald zou worden. Er werden stukken grond gekocht en het 'Gebouw voor Christelijke Belangen' werd voor fl. 2.800,- verkregen. Plannen werden gemaakt voor de bouw van een kerk met 210 zitplaatsen.
De instituering van de Gereformeerde Kerk Oude- en Nieuwe Bildtdijk vond plaats op 17 februari 1918, met medewerking van de kerkenraad van Hallum. Op deze dag waren vijfenzeventig manslidmaten aanwezig. Ds. B. van Halsema van Hallum opende de vergadering met gebed. De aanwezigen belijdenis deden van hun geloof in de Drie Formulieren van Enigheid. Vervolgens werd overgegaan tot de verkiezing van acht ambtsdragers: vier ouderlingen (Jakob Lont, Teake van der Woude, Meindert Brouwer, Jakob Kooi) en vier diakenen (Jan Balt, Willem Lautenbach, Bartele Bennema, Wijbren Stap). Na de bevestiging van de ambtsdragers werd de institueringsdienst gehouden.
Het 'Gebouw voor Christelijke Belangen' was te klein, en de bouw van de kerk aan 't Wechy duurde langer dan voorzien. De nieuwe gemeente mocht tijdelijk gebruik maken van de B-kerk in Sint Annaparochie, maar hier gingen veel gemeenteleden van kerk B niet mee akkoord.

tags: #gereformeerde #gemeente #sint #annaparochie