De Oude Kerkstraat en de oorsprong van de Gereformeerde Kerk
De Gereformeerde Kerk, oorspronkelijk bekend als de Christelijke Afgescheiden Gemeente, heeft een rijke geschiedenis in Heerenveen, nauw verweven met de ontwikkeling van de stad en haar straten. Een belangrijk deel van dit verhaal speelt zich af rond de Oude Kerkstraat en de gebouwen die daar stonden en nog steeds staan.

Een foto uit circa 1980, genomen vanaf het torentje van Crackstate, toont een gebied in het oost-zuid-oosten van Heerenveen dat op het punt stond van complete afbraak. Dit was een van de dichtstbebouwde gedeelten van het voormalige Heerenveen-Aengwirden. Langs de bestuurderszijde en achter langs de kofferbak van een geparkeerde auto, tegenover het pakhuis van ijzerhandel Gerrit Overdiep, bevond zich vroeger de grens tussen Schoterland en Aengwirden. Deze grens volgde een haakse bocht en liep vervolgens door het midden van de Oude Kerkstraat.
In het latere deel van de foto is de verbreedde 'Koningsteeg' zichtbaar, de oorspronkelijke verbinding tussen het Achterom (later Krugerkade) en de Oude Kerkstraat. Een pand dat nog overeind stond, was een bedrijfsgebouw met het kadastrale nummer Tjalleberd A-5024. De gemeente Heerenveen verwierf dit pand omstreeks 1968.
De naam 'Koningsteeg' en de mogelijke oorsprong
De schrijfwijze van straatnamen leidt vaak tot discussie. Het kadaster prefereerde begin 20e eeuw 'Koningsteeg'. Eerder, in het 'Huisregister 1890-1900. Aengwirden-deel Heerenveen', werd ook de term 'Koningsteeg' gebruikt voor 22 wooneenheden (AEN 1333). Het 'Straatnamenboek' opteerde voor de dubbele 's': 'Koningssteeg', met de suggestie dat de naam afkomstig was van een aldaar woonachtige persoon genaamd 'Koning'. Een kadastrale kaart uit circa 1890 bevestigt de toponiem 'Koningssteeg'.
De verwarring wordt groter omdat er in dit gebied nooit iemand met de naam 'Konings' heeft gewoond. Wel woonde er kort voor 1890 iets oostelijker, aan het Achterom op perceel Tjalleberd A-5088 (vlak achter de Chr. Afgescheiden Kerk), een persoon genaamd 'Koning' (AEN 1265. Staat van de Loop der Bevolking).
Het betreft hier de schoenmaker Jan Willems Koning, die eind oktober 1889 op huisnummer 141 (later vernummerd naar 149 en vervolgens 145) woonde. Hij overleed op 31 oktober 1907 op 80-jarige leeftijd, als weduwnaar van Pietertje Pijlman (AEN 2287, aktenummer A36). Een mogelijkheid is dat Jan Willems Koning de 'Koningsteeg' gebruikte als bedrijfsruimte voor zijn ambacht.
Het ontstaan en de ontwikkeling van de kerk
Het andere gebouw in het Aengwirder domein, links op de foto, is het kerkje met de boogramen. Dit 'kerkje' werd gesticht door Otto de Boer, een kapitaalkrachtig lid van de afgescheiden gemeente. Na de aankoop van de grond in 1853, investeerde hij ruim 3000 gulden in de bouw. Het gebouw werd ook wel schertsend het 'pakhuis van Otto de Boer' genoemd.

In 1867 werd het 'godshuis' geregistreerd als de 'Gereformeerde Kerk van Heerenveen ('Chr. Afgescheiden Gemeente'). De heer De Boer kreeg de toezegging de geldlening af te lossen. Een opgemaakte overeenkomst vermeldde echter een opzegtermijn van 12 maanden, waarop de geldgever een beroep deed vanwege ontstane kerkelijke kwesties of onenigheid. Dit bracht de gemeente in grote verlegenheid, maar op het nippertje kon elders een nieuwe lening worden afgesloten.
In hetzelfde jaar, 1867, werd het kerkje vergroot en in 1900 werd het verbreed. Het gebouw aan de Oude Kerkstraat deed later ook dienst als carrosseriefabriek van Herre Roest, een wagenmaker. Op 9 januari 1922 verkreeg hij een hinderwetvergunning voor het gebruik van een 6 pk-motor voor houtbewerkingsmachines, en tevens een bouwvergunning voor de verbouw tot woning.
De vergunning vermeldde een oppervlakte van 69 m² op een terreingrootte van 237 m², met een nokhoogte van 8,20 meter. Ondanks zijn inspanningen kon Roest het in de competitieve markt van carrosseriebedrijven niet redden. Op 8 april 1924 werd het pand, in opdracht van de curator, verkocht.
Van particuliere aankoop naar kerkelijke bestemming
De verkoop van het pand in 1925 aan grossier Leendert Kooistra verschafte hem, zijn weduwe Andriesje de Jong en zijn dochter Trijntje de nodige financiële armslag voor de komende 25 jaar. In 1948 werd het gebouw aangekocht door de nieuw opgerichte Gereformeerde kerk (art. 31), waarmee het weer zijn oorspronkelijke kerkelijke bestemming kreeg.
Het vervallen gebouw werd met eigen middelen verbouwd en gerestaureerd onder architectuur van Bugel uit Groningen en aannemer Telgenhof uit Heerenveen. Met een kerkzaal voor 250 personen, vergaderfaciliteiten, keuken, garderobe en toiletten voldeed het jarenlang aan de behoeften voor bijeenkomsten.

Andere historische gebouwen en ontwikkelingen in de omgeving
De foto uit de collectie van het Museum Willem van Haren (foto 01748) toont ook het vier verdiepingen hoge pakhuis dat destijds deel uitmaakte van 'ijzerhandel' Overdiep. Enkele jaren later verkocht de laatste Overdiep-telg het pand, na een bijna 200-jarige familiegeschiedenis, aan een videoverhuurbedrijf genaamd 'Video Thuis'. Na een renovatie kreeg het pand als 'Toko Sharma' lange tijd de markt voor 'Oriental food en nonfood articles' op Kerkstraat 10.
Ten oosten daarvan, omstreeks 1980, breidde Van der Kam zijn mode-imperium uit tot de Rodenburgsteeg. Op de foto zijn twee daken achter elkaar te zien, waarbij opvalt dat op het dak aan de Lindegrachtzijde de westelijke schoorsteen ontbreekt.
Het 'Heerenhuis' en het bestuurlijk centrum
Een ander historisch pand, ooit een schitterend 'heerenhuis' met een classicistische uitstraling, speelde vanaf 1811 een cruciale rol in de bestuurlijke faciliteiten voor het Franse bewind en het daaropvolgende grietenijbestuur. Eigenaar notaris Pieter Bootsman stelde het pand ter beschikking voor vergaderingen, waardoor het fungeerde als gemeente- of grietenijhuis. Vanaf 1 oktober 1816 werd het zelfs het bestuurscentrum met een vaste beheerder, de 'gegageerd sergeant' Coenraad Wilhelm Huppert (1768-1827). Hij combineerde deze functie met die van brievenbesteller, terwijl zijn vrouw Mijntje of Mientje Lentz als tapperse probeerde het gezinsinkomen aan te vullen.

De opvolger van Lindegracht 30, Oenemastate (ook wel Grovestinsslot genoemd), staat eveneens op de foto. De overgang naar dit pand verliep niet soepel; het bestuur kreeg aanvankelijk geen toestemming van de Gedeputeerde Staten voor de aanschaf in 1828. Secretaris van Schoterland Daniël Engelen kocht het slot op eigen rekening in de hoop op goedkeuring, die pas op 11 juli 1832 volgde.
De straatweg en de ontwikkeling van Heerenveen
De 'traverse', een deel van een doorgaande weg binnen de bebouwde kom, is de straatweg van Zwolle naar Leeuwarden. Rond 1830 waren de bestuurlijke colleges van Schoterland en Aengwirden bezig om de bewoners van de 'traverse' - Dracht, Vleeschmarkt, Achter de Kerk en de Fok - te bewegen hun aandeel in de aanleg te leveren. Dit was complex, aangezien een aanzienlijk deel van de straat particulier bezit was.
Harmanus Hiddinga was in die tijd eigenaar van het eerste pand links, het complex van de houtzaagmolen, en diverse huizen aan de Dracht. Aan de oostkant van de Dracht bezat hij ook een uitgebreid familiebezit, waaronder huizen en percelen in de kadastrale gemeente Knijpe.
Iconische gebouwen en hun geschiedenis
Een olieverfschilderij op paneel (27,5 x 32 cm), in het bezit van Museum Willem van Haren (inv. nr. 172), toont diverse markante gebouwen. Het boerderij-achtige pand links, genaamd 'Het Loo' (huisnummer 166a), werd destijds aangeslagen in belasting voor 'gebouwde waarde' met slechts fl. 9,-, wat vergelijkbaar werd geacht met een schuur of werkplaats.
Het toponiem 'Het Loo' is niet terug te vinden op een kaart uit 1788 van landmeter Gosen van Terwisga, waar deze locatie bekend stond als 'Pasveer'. In speciekohieren vanaf 1769 wordt het omschreven als een 'huis door armen bewoond'. De betekenis van 'Het Loo' in deze omgeving is onduidelijk, maar elders in Friesland komt de term voor, mogelijk gerelateerd aan 'voetveer' en de nabijheid van de 'Molenwijk'.
Jacob Hepkema (onder pseudoniem Donia) beschreef in 1886 vanuit de houtzaagmolen zuidwaarts aan de rechterkant een 'dubbele woning' die hij 'Het Loo' noemde, een plek waar reizigers konden verblijven. Hij merkte op hoe de naam, die verwees naar een 'lusthof', in contrast stond met de nabijgelegen herberg 'De Laatste Stuiver'. 'De Laatste Stuiver' bezweek voor de watervloed van 1825, terwijl 'Het Loo' langer standhield, ondanks pogingen tot verwijdering door de Hiddinga's.

Na het overlijden van Harmanus Hiddinga in 1852, verkochten zijn broers Johannes en Klaas de 'Houtzaagmolen met al deszelfs annexen, benevens den Handel in Hout, Steenen, enz.' aan notaris A.R. van Voorst en houtkoper J. Gijse Weenink. Kort na de overname dienden zij een aanvraag in voor het amoveren van het woonhuis (kad. A-431).
Rond 1858 vond er een herschikking plaats van de percelen die tot het houtzaagmolencomplex behoorden. Er ontstond een nieuw perceel (A-960) waarop A.R. van Voorst in 1857 een groot herenhuis liet bouwen. Het tweede perceel (A-959) werd ingericht als weiland.
De eerste bewoner van het herenhuis was Jan Gijse Weenink, schoonzoon van A.R. van Voorst. Het huis stond bekend als het 'notarishuis' en huisvestte vijf opeenvolgende notarissen gedurende een eeuw: Rinze Barends (1876-1910), Lijkle Oppedijk (1910-1924), Jacob Jouke de Heij (1924-1957), Wibo H. de Boer (1957-1977) en Nomdo Foppe Mulder (1977-1978). Sindsdien is het een kantoor voor een adviesbureau.
Molens en de Kruiskerk
Aan de linkerrand van het schilderij bevindt zich de zaag- en pelmolen 'De Hoop' van Sijbe Hendriks Tuijmelaar. De molen van Siebenga bestond in 1850 nog niet en werd pas in 1858 gebouwd. De molengeschiedenis van Heerenveen is uitgebreid beschreven in 'De sfeer van weleer. Over molens in Heerenveen'.
De derde molen op het schilderij is de korenmolen 'De Windhond', die aan het westeinde van de Molensteeg heeft gestaan. Kort voor het schilderij werd gemaakt, kondigde de Leeuwarder Courant op 9 januari 1849 de verkoop aan van deze molen door notaris Gauke Peeting. De voorlopige toewijzing vond plaats op 28 januari in de Wijnberg van kastelein J.R. Boosman.
De uiteindelijke koper was molenaar Siebe Jeips Hoekstra. Na zijn plotselinge dood in 1858 werd Jan Hendriks Langhout eigenaar, maar hij slaagde er niet in de molen te verkopen en legde de zaak stil. In 1860 probeerde hij de molen te verkopen, maar vond geen koper. Pas twee jaar later nam IJme Kuiper uit Oldemarkt de exploitatie weer op. In 1880 leidde dit tot een desastreuze brand.
Boven de daken van de huizen aan de westkant van de Dracht is het dak met het torentje van de Kruiskerk (de Nederlands Hervormde Kerk Schoterland) zichtbaar, in het centrum van Heerenveen. Rond 1850 maakte de kerkvoogdij plannen voor de verbetering van de toren, wat in 1859 resulteerde in een nieuwe toren aan de Herenwalzijde van het schip van de kerk.
Gereformeerde kerken en hun ontwikkeling door de tijd
De geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in Nederland is complex en kent vele stromingen en ontwikkelingen. De periode na 1834, gekenmerkt door de Afscheiding, en de latere Doleantie onder leiding van Abraham Kuyper, hebben geleid tot de vorming van verschillende kerkgenootschappen.
De Afscheiding en de Doleantie
De Nederlandse bevolking was eind 19e eeuw nog overwegend religieus. De Nederlandse Hervormde Kerk, eens het religieuze centrum van de samenleving, kende echter toenemende tegenstellingen. De orthodoxe beweging, die het confessioneel calvinistische karakter wilde herstellen, liep niet in de pas met de geest van de tijd. Dit leidde in 1834 tot de Afscheiding, waarbij duizenden gelovigen en enkele predikanten de hervormde kerk verlieten om vrije gereformeerde kerken te stichten.
Ondanks discriminatie en vervolging groeide de beweging. Na 1869, toen de meeste afgescheidenen zich verenigden in de Christelijke Gereformeerde Kerk, bleek deze kerk zeer aantrekkelijk. De kerk groeide aanzienlijk in de daaropvolgende decennia.
In de schaduw van de Afscheiding ontstond ook een meer evangelisch gezinde richting, beïnvloed door de Réveilbeweging. Dr. A. Kuyper werd in 1867 de nieuwe voorman van deze stroming. Kuyper streefde naar een reformatie van de hervormde kerk door confrontatie met de kerkelijke organisatie aan te gaan. In 1886 leidde dit tot een tweede afscheiding, de Doleantie, waarbij ongeveer 181.000 zielen zich aansloten bij de Doleantiekerken.
Binnen enkele jaren wist Kuyper zijn kerken te verenigen met de hoofdstroom uit de Afscheiding, de Christelijke Gereformeerde Kerk. De Afscheiding en de Doleantie hebben geleid tot de vorming van gereformeerde kerken die zich onderscheiden in spiritualiteit, mentaliteit en kerkvisie.
Gereformeerd Amsterdam en andere lokale geschiedenissen
De geschiedenis van gereformeerd Amsterdam sinds 1835 is gedocumenteerd in het boek 'Gereformeerd Amsterdam sedert 1835'. Dit werk, voortgekomen uit een doctoraalcollege kerkgeschiedenis, biedt 'grepen' uit de geschiedenis van Afscheiding en Doleantie in de hoofdstad. Diverse facetten van het gereformeerd kerkelijk leven komen aan bod, waaronder kerkgebouwen, evangelisatie, kerkeraad, diakonie, jeugdverenigingen en het werkliedenverbond Patrimonium.
Een ander boek, 'Honderd jaar Keizersgrachtkerk', belicht het kerkelijk leven rond deze karakteristieke Doleantiekerk, die in 1888 in gebruik werd genomen. Het contrast tussen het vroegere 'dolerende' kerkelijke leven en de huidige basisgemeente is groot, hoewel typerende trekken bewaard zijn gebleven.

De geschiedenis van de Gereformeerde Kerk in Heerenveen, met name die van de Christelijke Afgescheiden Gemeente, is dus een belangrijk onderdeel van de bredere gereformeerde beweging in Nederland. De ontwikkelingen in de stad, de straatnamen en de gebouwen weerspiegelen de sociale, culturele en religieuze veranderingen door de eeuwen heen.
tags: #gereformeerde #kerk #js #telgenhof