Geschiedenis van de Vrijgemaakte Kerk in Harderwijk

De Grote Kerk op het Kerkplein is het belangrijkste monument van Harderwijk. Oorspronkelijk was dit gebouw een kleine kapel, de Mariakapel, die aan het einde van de veertiende eeuw werd gebouwd. In 1415 werd de Mariakapel vergroot en groeide later uit tot een monumentale kerk met een zeventig meter hoge toren. Op een plaquette op een van de zijmuren van de kerk is te zien dat de kerk vroeger veel groter was dan tegenwoordig; het was de grootste kerk van de provincie Gelderland.

Schematische weergave van de Grote Kerk in Harderwijk

Op het vlak van twaalf bij twaalf meter bovenop de toren werden 's avonds takkenbossen in brand gestoken, zodat de vissers Harderwijk altijd konden terugvinden, zeker als het vroeg donker werd. In de achttiende eeuw werd echter geregeld gewaarschuwd dat de toren moest worden opgeknapt omdat hij aan het verzakken was. In het stadsarchief zijn tekeningen te zien waarop de scheuren in de muren van de toren nauwkeurig zijn aangegeven. Het gevaar werd dus wel degelijk serieus genomen.

Op zaterdag 28 januari 1797, 's morgens om een uur of tien, stortte de toren met donderend geraas in. Door het geweld van het vallend puin kwam twee uur later ook de zogenaamde 'lange poot van het kruis' naar beneden. De graven op het kerkhof sprongen open. In Harderwijk dacht men dat de dag van het Laatste Oordeel was aangebroken en de doden werden opgewekt.

Een van de muren van de kerktoren was blijven staan. Men besloot die omver te laten schieten. Er werd een scheepskanon georganiseerd van het model dat nu op de Plantage staat. Uiteindelijk moest er een kanon uit Zutphen, een zogenaamde vierentwintigponder, aan te pas komen om met maar liefst 48 schoten de westgevel van de toren omver te halen. Die beschieting zouden de Harderwijkers zich nog lang heugen. De kanonniers schoten erg onnauwkeurig, waardoor lang niet alle kogels het gewenste doel troffen. Veel kogels ketsten af en stuiterden met hoge snelheid rond.

Het puin van de toren en de kerk lag nog geruime tijd vóór de kerk; geld voor een nieuwe toren was er niet. Op 1 maart accepteerde het stadsbestuur het aanbod van Heribert van Westervelt om de kerk op zijn kosten te laten herstellen. Dit besluit is als volgt opgetekend: 'De voorzitter gaf kennis deezes buitengewoonen vergadering te hebben laten beleggen uit hoofde dat hij voorzitter van den secretaris vernomen had, dat de Burger H. van Westerveld had te kennen gegeven in staat te kunnen zijn een plan te suppediteeren (aan te bieden), waardoor de kerk buiten 's stads onkosten, gerepareerd en bruikbaar ter oeffening van den gereformeerden Godsdienst konde gemaakt worden.' De genoemde burger was Heribert van Westervelt tot Salentijn, kleinzoon van de bekende Heribert van Westervelt, vele malen burgemeester van Harderwijk. Met het geld van Van Westervelt werd een nieuwe westgevel gebouwd. De contouren van het verwoeste gedeelte van de kerk zijn te zien in het plaveisel van het Kerkplein.

De Grote Kerk: Oorsprong en Ontwikkeling

De Grote Kerk te Harderwijk is een kruisbasiliek in gotische stijl die gedeeltelijk uit de 14e en de 15e eeuw dateert. De oorspronkelijk veel grotere kerk heette aanvankelijk de Onze-Lieve-Vrouwekerk en was gewijd aan Maria. Nadat in 1415 de parochiekerk van Sint-Nicolaas was afgebrand, werd besloten om een Mariakapel te vergroten en als kerk te gebruiken. Het 14e-eeuwse gebouw kreeg een nieuw koor met kooromgang, een transept en een toren die in hoogte die van de St. Een groot deel van de kerk ging verloren toen in 1797 de toren instortte en een deel van het schip verwoestte.

Kerkscheuringen en Ontwikkelingen in Harderwijk

De periode van de Tweede Wereldoorlog bracht niet alleen de bezetting van Nederland, maar ook interne strijd binnen de gereformeerde gemeenschap. Mensen worstelden met de leidraad die Abraham Kuyper de Gereformeerde Kerken in Nederland had meegegeven en hoe de synode hiermee omging. Een belangrijk punt van discussie was de precieze betekenis van de doop en het verbond.

De Doopkwestie en de Acte van Vrijmaking

Klaas Schilder, hoogleraar Theologie in Kampen, uitte scherpe kritiek op de synode. Volgens de lijn van Kuyper, die de Gereformeerde Kerken in Nederland volgden, was de doop alleen geldig als de dopeling de rest van zijn leven gelovig bleef. Schilder en zijn aanhangers geloofden echter dat de doop een teken was van Gods belofte dat men Zijn kind mocht zijn, met daarbij de roeping om als kind van God te leven. De synode besloot in 1936 onderzoek te doen naar deze leerverschillen. In daaropvolgende synodes werden uitspraken gedaan over de 'juiste' leer. In de jaren veertig werden leeruitspraken gedaan waar predikanten die examen deden, mee moesten instemmen. Ook alle predikanten van de Gereformeerde Kerken in Nederland werden gedwongen zich te houden aan de leeruitspraken over doop en verbond van de synode, die voornamelijk de lijn van Kuyper volgden. De bezwaarschriften van verschillende kerkenraden, hoogleraren Schilder en Greijdanus, en diverse anderen werden genegeerd. De groep volgelingen van Schilder groeide gestaag.

In maart 1944 werd Schilder geschorst als hoogleraar aan de Theologische Universiteit in Kampen. Op 11 augustus 1944 vond een synodevergadering plaats met enorme gevolgen. Klaas Schilder, die ondergedoken zat wegens illegale activiteiten, verliet zijn onderduikadres om op de synode in Den Haag de 'Acte van Vrijmaking of Wederkeer' uit te spreken. Schilder liet weten zich vrij te maken van de volgens hem verkeerde besluiten van de synode, die strijdig waren met de Bijbel. De Acte was uitgesproken, waarmee een scheuring definitief was. Ongeveer tachtigduizend 'artikel-31'ers', volgers van Schilder, waren niet meer welkom in hun oude kerk. Soms scheurde een complete kerkenraad met een groot deel van de gemeente af, soms slechts een klein deel van de plaatselijke kerkgemeenschap.

De afgesplitste groep gelovigen gaf hun kerk geen nieuwe naam; zij zagen zichzelf als de kerk die het gedachtegoed van de Reformatie op de juiste wijze voortzette. Om verwarring te voorkomen, voegden ze tussen haakjes aan de naam Gereformeerde Kerken in Nederland toe: 'onderhoudende artikel 31 Kerkorde'. De vrijgemaakten vormden na hun afsplitsing een zichtbare, op zichzelf staande groep binnen de samenleving. Aan het einde van de twintigste eeuw verdween die 'zuil' grotendeels. In 1967 scheidde een groep zich af van de vrijgemaakte kerk. In de jaren negentig zochten de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en de Nederlands-Gereformeerde Kerken toenadering om te onderzoeken of ze weer samen verder konden. Vanaf 2017 werkten de kerken actief aan eenwording, en op 1 mei 2023 vormden ze samen officieel de Nederlandse Gereformeerde Kerken. Niet iedereen kon zich echter vinden in de fusie; een aantal kerken deed niet mee.

Kluizenaar André Louf: de onrust beheersen | Kloosterserie

Protestantse Ontwikkelingen in Harderwijk vóór de Vrijmaking

De Afscheiding van 1834 ging aan Harderwijk voorbij. Wel werd in 1871 in Harderwijk vanuit de kerk te Putten de Christelijke Gereformeerde Gemeente opgericht en in 1887 de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende).

De Afscheiding en de Christelijke Gereformeerde Gemeente

Hoewel de Afscheiding aan Harderwijk voorbijging, onttrokken zich in die tijd wel hervormden aan die kerk. In het hervormde kerkarchief zijn schriftelijke mededelingen aanwezig waarin briefschrijvers verklaren niet meer bij de synodale kerk te willen horen. Ook later traden verscheidene leden uit de hervormde gemeente ter plaatse om zich aan te sluiten bij de Christelijke Afgescheidenen. De eerste Christelijke Afgescheidene Gemeente op de Veluwe was die van Hattem, waar ds. A. Brummelkamp op 21 november 1835 een Gemeente institueerde. Andere volgden, zoals Elburg, Nijkerk en Putten. De weinige Afgescheidenen in Harderwijk kerkten tot 1871 voornamelijk in Putten, waar achtereenvolgens ds. K. Kleinendorst, ds. J. Diephuis en ds. R. Brinkman stonden.

In 1869 vond in Afgescheiden kringen een landelijke kerkfusie plaats tussen de Christelijke Afgescheidene Kerk en de Gereformeerde Kerk onder het Kruis. Toch groeide het aantal Christelijke Gereformeerden in Harderwijk. Daarom was ds. S. van Velzen op 8 maart 1871 naar Harderwijk gekomen - er waren ook kerkenraadsleden uit Putten aanwezig - om de ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’ te institueren. De gemeente had intussen de ‘Kapel’ in de Schoolsteeg aangekocht, een kerkgebouw dat dateerde uit omstreeks het jaar 1336. Ds. Van Velzen hield daar de preek naar aanleiding van Lukas 12 vers 32: ‘Vreest niet, gij klein kuddeken, want het is uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven’.

De hervormde kerkenraad lag van de instituering van de Christelijke Gereformeerde Gemeente niet wakker. Het aantal uitgetredenen was gering en dezen behoorden bovendien tot het armste deel van de kerkbevolking. De leden van de gemeente mochten dan weinig draagkrachtig zijn, men had wél de beschikking over een eigen kerkgebouw, ‘de Kapel’ in de Schoolsteeg. Daar werden tot 22 augustus 1875 diensten gehouden. Kennelijk beviel dat onderkomen niet, want enige maanden eerder, op 29 december 1874, had de Christelijke Afgescheidene Gemeente van de familie Dasselaar een huis gekocht in de Luttekepoortstraat. Dit wilde men verbouwen tot kerk. Het besluit tot de daadwerkelijke verbouw duurde nog even, want pas op 28 april 1875 gaf de kerkenraad groen licht. Er moest eerst voldoende geld aanwezig zijn om de verbouw te kunnen betalen, daarom werd daarvoor wekelijks in de kerk een collecte gehouden.

De verbouw van woonhuis tot kerkgebouw werd in handen gegeven van aannemer H. van de Weijer. De kosten bedroegen bijna fl. 1.500, waar nog fl. 90 overheen kwam voor het bepleisteren van de binnenmuren. Op 22 augustus 1875 werd de nieuwe kerk in gebruik genomen in een kerkdienst onder leiding van prof. A. De eerste jaren had de gemeente geen eigen predikant. Ze telde ‘niet vele rijken en edelen’; de meeste manslidmaten van de kleine gemeente waren arme vissers. In juli 1878 besloot de kerkenraad met het beroepingswerk te beginnen. De manslidmaten konden hun stembriefjes bij de kerkenraad inleveren voordat ze naar zee gingen om te vissen. De gemeente telde in die tijd al ongeveer 125 christelijke gereformeerden; een behoorlijke aanwas in enkele jaren tijd.

Een predikant was dus zo langzamerhand geen luxe. Een beroep werd uitgebracht op de blinde dominee J. Juch van Middelharnis. Op 3 november 1878 deed hij intrede na in het ambt bevestigd te zijn door ds. H.M. van der Vegt van Heerde. De predikant mocht dan blind zijn (een mislukte oogoperatie - door de koning betaald! - was de oorzaak daarvan), de gemeente had daar geen nadeel van. Het kerkelijk leven ontplooide zich op een gezonde manier, waarbij ook de aandacht voor de evangelisatiearbeid opviel. Een zondagsschool bestond al, maar deze werd omgevormd tot een hulpvereniging van de landelijke gereformeerde Zondagsschoolvereniging ‘Jachin’. Bovendien werd door ouderling Jobse de Harderwijkse afdeling van het bekende Gereformeerd Tractaatgenootschap ‘Filippus’ opgericht.

Maar niet alles was rozengeur en maneschijn. Ouderling Jobse kwam in opspraak. Hij werd kort na zijn verkiezing beschuldigd van ‘hoererij’, zoals overspel toen onverbloemd genoemd werd. Jobse ontkende de beschuldiging met heel zijn wezen, maar de overige kerkenraadsleden hadden daarover kennelijk hun eigen gedachten. En toen een tweede geval van overspel bekend werd, was de boot aan. Ontkennen had geen zin meer en hem werd de toegang tot het avondmaal ontzegd. Overigens had de classis bepaald dat Jobses naam bij het afkondigen van de ‘afhouding’ niet bekend gemaakt mocht worden (de zgn. ‘stille censuur’). Ds. J.J. de Visser leidde de begrafenisdienst van ds. Juch overleed in Harderwijk op 3 februari 1883 na een ziekte van enkele uren. Ds. J.J. de Visser van Amersfoort hield in de kerk de lijkrede naar aanleiding van Genesis 5 vers 24b (“… en hij was niet meer; want God nam hem weg“).

De kerkenraad besloot meteen met het beroepingswerk te beginnen en zo kon begin april al een beroep uitgebracht worden op ds. J. van Mantgum van Katendrecht. Hij was oorspronkelijk in de handel werkzaam en had in Amsterdam een goed lopende kopergieterij. Hij zette zijn bedrijf echter aan de kant en ging voor predikant studeren. Op 8 juli 1883 deed hij intrede in Harderwijk. Tijdens zijn predikantschap ging de kerkenraad over tot de bouw van een pastorie. Op 4 april 1884 kochten de mannenbroeders namelijk voor fl. 2.

De Doleantie en de Nederduitsche Gereformeerde Kerk

Bleef het in de Afscheidingstijd rustig in Harderwijk, de Doleantie verliep er heel anders. Nadat in de jaren ’80 in de hervormde kerkenraad allerlei spanningen hadden gespeeld ten aanzien van de keuze van predikanten en andere zaken, richtte dr. W. van den Bergh, dolerend predikant te Voorthuizen, in januari 1887 een verzoek aan de hervormde kerkenraad van Harderwijk, om in de hervormde kerk te mogen spreken over de noodzaak van de reformatie der hervormde kerk. Kort tevoren was hij aanwezig geweest op het Gereformeerd Kerkelijk Congres in Amsterdam, waar 1.500 verontruste hervormden bijeen waren geweest om te spreken over de reformatie van de hervormde kerk. Dr. Van den Bergh was zelf met zijn gemeente in Voorthuizen al een jaar eerder, op 2 februari 1886, in Doleantie gegaan. De kerkenraad van Harderwijk wist dus met wie men van doen had. Trouwens, de kerkenraad had zélf in 1886 schriftelijk steun betuigd aan ‘de benauwde broederen te Amsterdam’, die onder leiding van dr. A.

Wel of geen toespraak van dr. De kerkenraad besloot die toestemming aan dr. Van den Bergh echter níet te verlenen, maar het was niet met overweldigende meerderheid: 7 stemmen tegen het verzoek, 5 voor en 1 onthouding. Vijf kerkenraadsleden zagen er dus geen kwaad in dat dr. Al snel kwam een verzoek van 82 hervormde gemeenteleden binnen, waarin de kerkenraad werd opgeroepen de toestemming tóch te geven. De kerkenraad besloot toen dr. Van den Bergh mee te delen dat hij toestemming kreeg een godsdienstoefening te houden. Daartegen kwam echter weer fel protest van honderddrie gemeenteleden, die bang waren voor revolutie in de kerk. Was Kuyper immers niet bezig met het losmaken van zoveel mogelijk kerkenraden uit het synodale verband?

Intussen was een tweede schrijven van dr. Van den Bergh binnengekomen, waarin deze meedeelde dat hij óók tijdens de godsdienstoefening, waarvoor toestemming verleend was, de Doleantie ter sprake wilde brengen. De kerkenraad wist toen niet anders te doen dan de verleende toestemming weer in te trekken. Het gevolg dáarvan was weer, dat P. de Vroom in een schrijven namens honderdzestig gemeenteleden de kerkenraad vroeg ‘de gehoorzaamheid aan de synode op te zeggen’. Toen de kerkenraad bij meerderheid van stemmen in maart 1887 besloot die brief terzijde te leggen, kreeg men te maken met een twist bínnen de kerkenraad zélf. Een vijftal kerkenraadsleden kon zich namelijk niet verenigen met het voor kennisgeving aannemen van ‘de brief van de 160’ en verliet de vergadering. Het waren de ouderlingen Ferwerda en H. van der Beek en de diakenen L. van der Beek, Van Aken en Bonhoff. Om rechtsgeldige kerkenraadsbesluiten te kunnen nemen was het vereiste quorum nu niet meer aanwezig. ‘De Doleantie sloeg de hervormde kerkenraad lam. De diaconie bleef wel functioneren, al kostte het enige moeite de dolerende diakenen te verwijderen en kon Van Aken pas in mei 1887 overreed worden de diaconieboeken en de kas af te staan’.

Op 25 maart 1887 kwam dr. W. van den Bergh, dolerend predikant van Voorthuizen, naar Harderwijk om daar na een kerkdienst de inmiddels verkozen ouderlingen en diakenen in het ambt te bevestigen. Omdat men natuurlijk nog niet direct een predikant had, werd dr. Uit: ‘De Heraut’ van 11 september 1887. Vijf dagen later, op 30 maart, besloot de Dolerende kerkenraad de niet-dolerende hervormde kerkenraadsleden ‘uit de kerkenraad der Hervormde Gemeente te Harderwijk’ te zetten (de Dolerenden beschouwden zichzelf immers als de wettige voortzetting van de hervormde kerkenraad). Ook werd de Vereeniging ‘De Kerkelijke Kas’ opgericht. De Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) kon door bepaalde wettelijke regels geen rechtspersoonlijkheid krijgen. Maar voor een ongestoord kerkelijk leven was het hebben van rechtspersoonlijkheid noodzakelijk. Tot november 1887 werden de Dolerende kerkdiensten gehouden in het lokaal van de (hervormde) zondagsschoolvereniging ‘Timotheüs’ (het bestuur van die vereniging werd al enige tijd door Dolerenden gedomineerd). Maar enkele weken nadat de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) te Harderwijk geïnstitueerd was, besloot de kerkenraad een echte kerk te bouwen. Aan de Smeepoortstraat was een terrein te koop, dat geschikt was voor kerkbouw; de kerkenraad besloot het perceel in mei 1887 te kopen, en voor fl. 3.

In Harderwijk bestonden in 1887 dus twee Gereformeerde Kerken: de ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’ (uit de Afscheiding van 1834) en de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk’ uit de Doleantie. Lándelijk gingen beide kerken op 17 juni 1892 officieel ‘bij elkaar’ en vervolgden hun weg als ‘De Gereformeerde Kerken in Nederland’. Pláatselijk was het echter nog lang niet overal zover.

De Weg naar Vereniging

Nu had de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken van 1892 besloten dat, waar de plaatselijke eenheid nog niet direct bereikt kon worden, beide kerken tóch alvast ‘Gereformeerde Kerk’ genoemd zouden worden. Al enkele maanden nadat de Doleantie in Harderwijk plaatsvond, begonnen beide kerkenraden met het voeren van correspondentie, waarin overlegd werd over de voorwaarden tot vereniging. Het initiatief voor die briefwisseling ging uit van de Dolerende kerkenraad. De Dolerenden hadden trouwens best wel bezwaren tegen de volgens hen ‘te slappe tuchtpraktijk’ die men er in de Christelijke Gereformeerde Gemeente op na hield. Ds. W. Maar ook het standpunt van dr. Van den Bergh werkte niet mee om tot snelle samenvoeging te komen. Ds. Van den Bergh was voorstander van het van binnenuit verbeteren van de Hervormde Kerk.

Toen de Dolerende Kerk van Harderwijk kandidaat (of liever gezegd: student, want hij moest nog geëxamineerd worden) W. Mulder wilde beroepen, ontstond verwijdering tussen Van den Bergh en de kerkenraad van Harderwijk. Mulder was volgens Van den Bergh niet geschikt om als predikant te worden beroepen. Toen hij door de kerk van Harderwijk beroepen was, werd hij namelijk voorgedragen om op Artikel 8 van de Kerk Orde (‘singuliere gaven’) te worden toegelaten tot het predikambt. Maar omdat Mulder al geruime tijd de oude talen bestudeerde om langs de gewone weg tot het predikambt te komen, adviseerden de deputaten van de voorlopige Dolerende Synode (1888) dat hij zijn studie zou voortzetten, en ondertussen als ‘oefenaar’ in Harderwijk dienst zou doen. Maar de classis en de kerkenraad van de Dolerende Kerk van Harderwijk volgden dit advies niet op en zo werd hij door de classis op 18 juli 1888 geëxamineerd en ‘op Art. Op 5 augustus 1888 deed kandidaat Mulder in Harderwijk intrede in de Dolerende kerk. Sindsdien verliepen de onderhandelingen tussen beide kerken voorspoediger. Zo kon in oktober 1888 besloten worden te beginnen met het houden van gezamenlijke weekdiensten (kerkdiensten op door de weekse avonden). Beide predikanten zouden om en om in elkaars kerk preken.

De tweede Dolerende predikant: ds. L. Ds. L. Ds. Mulder vertrok per 3 mei 1898; de vraag was wie hem moest opvolgen. Men had kunnen kiezen voor het beroepen van ds. J. van Mantgum van Kerk A, maar de kerkenraad van Kerk B piekerde er niet over, vooral op aandringen van ouderling Ferwerda. In dat geval zou de samenvoeging van beide kerken vermoedelijk heel vlot verlopen zijn. De dolerenden beriepen echter ds. L. Spoel van Kampen, die op 6 november 1892 intrede deed en op 24 januari 1898 afscheid nam. Die ‘ineensmelting’ was er trouwens ook nog lang niet. Na het beëindigen van de weekdiensten vielen de onderhandelingen tussen beide kerken stil. Maar - lag het aan het feit dat ouderling Ferwerda niet in de kerkenraad zat? - in 1895 nam de Dolerende kerkenraad ineens het initiatief tot overleg. En - o, wonder - toen ouderling Ferwerda een jaar later opnieuw in de kerkenraad gekozen werd ijverde ook híj voor een spoedige samenvoeging en wilde de kwestie daarom aan de gemeenteleden voorleggen. Kerk B hield wél zo’n gemeentevergadering. En zie, daar bleek bezwaar te bestaan tegen samenvoeging van beide kerken. Het gevolg was dat de onderhandelingen tussen de kerkenraden opnieuw stil kwam te liggen. Uiteindelijk werden de onderhandelingen een half jaar later weer hervat, waarna snel overeenstemming bereikt werd. In totaal slechts vijf leden van beide kerken hadden toen nog bezwaren. Op 1 mei 1898 kon de verenigde ‘Gereformeerde Kerk te Harderwijk’ van start gaan. De ‘Acte van Ineensmelting’ werd bij alle gemeenteleden in de bus gegooid. Daarin stond onder meer dat de kerk aan de Smeepoortstraat in het vervolg voor de kerkd...

tags: #harderwijk #vrijgemaakte #kerk