Liturgische Gezangen in het Liedboek: Een Diepgaande Analyse van Lied 94

Inleiding: Het Ordinarium en de Rol van Liturgische Gezangen

Bij de samenstelling van het Liedboek, zingen en bidden in huis en kerk, was het de ambitie van de redactie om de gemeente te voorzien van alles wat nodig is om de liturgie tot een gezongen liturgie te maken. Daarom was het vanzelfsprekend dat naast strofische liederen ook andere zangvormen een plaats zouden krijgen. Een van die andere vormen is de toonzetting van de vaste gezangen van de liturgie, het zogenaamde ordinarium. Voor meer achtergrondinformatie kan men terecht bij het artikel 'Het ordinarium in het Liedboek'.

De liturgische gezangen die verzameld zijn als nr. 270 in het Liedboek, zijn voornamelijk afkomstig uit de lutherse traditie en worden over het algemeen in gemeenten van lutherse oorsprong gezongen. Bij de plaatsing van de verschillende ordinariumtoonzettingen is ervoor gekozen dit 'luthers ordinarium' als een geheel onder één liedboeknummer onder te brengen, zodat de eenheid van een ordinarium herkenbaar is. De onderdelen van de overige toonzettingen van het ordinarium zijn te vinden in de betreffende subrubrieken.

De verschillende onderdelen van het lutherse ordinarium hebben niet dezelfde oorsprong. Wel kennen verschillende melodieën een vroeg-reformatorisch ontstaan. Daarover meer in de melodietoelichtingen.

Historische Ontwikkeling van Liturgische Gezangen in Nederland

De verzameling liturgische gezangen, die nu als Liedboek 270 is opgenomen, gaat terug op het Gezangboek der Evangelisch-Lutherse Kerk (1955). In dit gezangboek vinden we naast gezangen ook een voor die tijd vernieuwde liturgie. In datzelfde jaar ziet ook het Dienstboek voor de Nederlandse Hervormde Kerk het licht, met de toevoeging ‘in ontwerp’. Deze status zou het altijd behouden. Ook daarin treffen we verschillende liturgische gezangen aan, maar dat zijn andere toonzettingen dan die in het lutherse gezangboek, met uitzondering van het Agnus Dei (‘Christus, heilig Godslam’), dat al bekend was uit de ‘Hervormde Bundel van 1938’.

Ook binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland groeit in die jaren de liturgische bewustwording. De synode van Middelburg van 1965-1966 geeft orden van dienst vrij voor gebruik in de eredienst, waarin in beperkte mate enkele gezongen acclamaties en liturgische gezangen voorkomen, waaronder het hierboven genoemde ‘Christus, heilig Godslam’.

Het Liedboek voor de kerken, dat in 1973 aan vijf participerende kerken wordt gepresenteerd, bevat alleen strofische liederen. Men was van mening dat liturgische gezangen niet in een liedboek, maar in een dienstboek thuishoren. Dit had vooral een praktische reden: de liturgische vormgeving was in de participerende kerken verschillend. Na verschijning van het Liedboek voor de kerken bieden de onderscheiden kerken voor hun achterban katernen met orden van dienst aan.

In de katernen Bijlage ten gebruike in de eredienst van de Nederlandse Hervormde Kerk (z.p., z.j. [1974?]) en Orden van dienst en Heidelbergse Catechismus voor gebruik in de eredienste van de Gereformeerde Kerken in Nederland (z.p., z.j. [1974]) treffen we verschillende liturgische gezangen aan, die corresponderen met het lutherse gezangboek. Van het gereformeerde katern verschijnt in 1981 een herziene uitgave. In 1988 verschijnt een uitgebreid liturgisch katern voor de Evangelisch-Lutherse Kerk. De liturgische gezangen uit het gezangboek van 1955 worden daarin nagenoeg ongewijzigd overgenomen.

In 1998 biedt de Commissie voor het Dienstboek van het Samenwerkingsorgaan voor de Eredienst van de Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken en de Evangelisch-Lutherse Kerk, het eerste deel van het Dienstboek aan, bestemd voor de hoofddienst en de getijden. Deze uitgave heeft aanvankelijk de status van ‘een proeve’. Jaren later krijgt dit Dienstboek een officiële status. Ook daarin vinden we weer dezelfde liturgische gezangen als in de uitgaven van 1955 en 1988. Hoewel deze liturgische gezangen wortelen in de lutherse traditie, komen ze nu ook ten goede aan hervormden en gereformeerden. Ook in het Dienstboek I (1998) zijn de teksten van de verschillende onderdelen ten opzichte van de uitgaven van 1955 en 1988 weer (nagenoeg) ongewijzigd overgenomen.

De Onderdelen van het Lutherse Ordinarium in het Liedboek 270

De opname van dit lutherse ordinarium in het Liedboek had niet alleen tot doel de vanouds lutherse gemeenten te bedienen, maar ook dat andere gemeenten hiermee konden leren kennismaken. Dat is van belang omdat het een gemeente-ordinarium betreft, waaraan medewerking van een cantor of cantorij niet nodig is. Archaïsmisch taalgebruik kan de introductie echter belemmeren.

De twee melodieën van dit Kyrie en Gloria behoren vanouds niet bij elkaar.

Het Kyrie

De melodie van het Kyrie is van de hand van Martin Luther en voor het eerst gepubliceerd in zijn Deutsche Messe (1526). Daarin schrijft hij, na enkele opmerkingen gemaakt te hebben over de misgewaden en de positie van de priester in de kerk: ‘Bij het begin echter zingen wij een geestelijk lied of een Duitse psalm in de eerste toon, op de volgende manier…’ waarna een voorbeeldtekst volgt, genoteerd op de eerste gregoriaanse psalmtoon. Dan vervolgt Luther: ‘Hierop het Kyrie Eleison, ook in dezelfde toon, driemaal en niet negenmaal als volgt:’

In het gregoriaans is het Kyrie een negenvoudig gezang: driemaal ‘Kyrie eleison’, driemaal ‘Christe eleison’ en weer driemaal ‘Kyrie eleison’. Met zijn opmerking ‘driemaal en niet negenmaal’ schaft Luther deze gewoonte af en wordt het een drievoudig gezang, bestemd voor de gemeente.

Na het Kyrie volgt in Luthers Deutsche Messe niet het Gloria, maar reciteert de priester het collectagebed op één toon, de f’ (recto tono).

Door melodieën te gebruiken waarmee de gemeente vertrouwd was, konden nieuwe gezangen meteen gepraktiseerd worden. Zo bewerkte Luther ook Latijnse hymnen tot Duitse gezangen, bijvoorbeeld Liedboek 433. Dat is ook bij dit Kyrie het geval. De Griekse tekst werd later in dorpskerken, maar ook in steden als Nürnberg en Straatsburg door een Duitse tekst vervangen: ‘Herre Gott, erbarme dich’. Momenteel worden in Duitsland beide tekstversies gezongen.

De syllabische melodie is met nagenoeg uitsluitend secundeschreden zeer eenvoudig en toont veel overeenkomst met Luthers Agnus Dei (Liedboek 270g).

Het Gloria

In het midden van de zestiende eeuw ontstonden diverse melodieën voor het Gloria met een Duitse tekst, gebaseerd op het gregoriaans. Een voorbeeld is het ‘Straßburger Kyrie en Gloria’ (zie Liedboek 299h).

In Kirchengesänge Deutsch (1545) publiceert Johann Spangenberg een Gloria waarvan hij de melodie mogelijk zelf heeft geschreven. Deze melodie staat in de lydische modus, en contrasteert daarmee met de dorische modus van het Kyrie.

Schema van de melodische modus van het Kyrie en Gloria

De uitgave van de liturgische orde van Rheinland en Westfalen van de toenmalige Evangelische Kirche der altpreußischen Union (eerste helft twintigste eeuw) kende naast het ‘Straßburger Gloria’ ook een verkort Gloria met de tekst van de engelenzang (Lucas 2,14): ‘Ehre sei Gott in der Höhe! Und Frieden auf Erden, und den Menschen ein Wohlgefallen’.

Wie de Duitse uitgaven van dit Kyrie en Gloria beziet, zal ontdekken dat het Gloria een kwart hoger staat dan in de Nederlandse uitgaven vanaf 1955. Het is onduidelijk waarom in de Nederlandse uitgaven het Gloria lager is genoteerd dan in de Duitse uitgaven. Als het Gloria een kwart hoger wordt genoteerd dan in het Liedboek en eerdere uitgaven, sluit de lydische melodie beter aan op de dorische melodie van het Kyrie. Het Gloria krijgt bovendien veel meer glans als het, net als in Duitsland, een kwart hoger gezongen wordt.

In het Evangelisches Gesangbuch (vanaf 1993) is alleen het Kyrie als nr. 178.3 te vinden. De inzet van het Gloria vinden we wel in het Evangelisches Gottesdienstbuch (2000).

De Gezongen Groet

De melodie van de gezongen groet is gelijk aan een van de vele melodieën in het gregoriaans (onder andere Graduale Romanum, 1974).

Er zijn twee tekstvarianten opgenomen in het Liedboek. De eerste is volgens de lutherse orden, de tweede is door de liedboekredactie toegevoegd en is ontleend aan het Dienstboek.

Het Halleluja

Voor het Halleluja zijn twee melodieën opgenomen, beide met een psalmtoon om een psalm- of evangelievers te reciteren. Zie het artikel Halleluja.

De eerste melodie is overgenomen uit de eerdere lutherse orden van dienst en het gereformeerde liturgiekatern (1974/1981). In het Dienstboek is het liturgisch gezang 42.

De melodie is afkomstig uit de Codex Hartker, het manuscript uit de Stiftsbibliotheek van St. Gallen, en geschreven rond het jaar 1000. Het Bijbelvers wordt gereciteerd op de negende gregoriaanse psalmtoon, de zogenaamde ‘tonus peregrinus’. In afwijking met de andere gregoriaanse psalmtonen heeft deze twee verschillende reciteertonen: in de eerste vershelft de b’ (mi), in de tweede vershelft de a’ (re, of na mutatie sol).

Deze negende psalmtoon is vooral in het Duitse spraakgebied veelvuldig toegepast en daarom ook in de lutherse traditie vertrouwd. In de vespers wordt het Magnificat vaak op deze psalmtoon gezongen.

Illustratief voor de bekendheid van de tonus peregrinus in de lutherse traditie is dat Johann Sebastian Bach de melodie verschillende keren heeft toegepast: in zijn Magnificat (BWV 243); in de cantate Meine Seel erhebt den Herren (BWV 10) en in twee orgelbewerkingen (BWV 648 en 733).

Dit Halleluja is in het Evangelisches Gesangbuch als nr. 178.5 te vinden.

De tweede melodie komt niet uit de eerdergenoemde lutherse orden van dienst, maar is door de liedboekredactie toegevoegd. Het is een gregoriaanse melodie die alom bekend is. Zie bijvoorbeeld Dienstboek liturgisch gezang 56 en 139 en Gezangen voor Liturgie 249.

Deze acclamatie komt in twee tekstvarianten voor: ‘Lof zij U, o Christus’ en ‘Lof zij U, o Here’. In de orde van dienst in het lutherse gezangboek van 1955 wordt de eerste gebruikt. Daarbij wordt bij de aankondiging van het evangelie op dezelfde wijze ‘Eer zij U, o Here’ gezongen (het Halleluja is in deze orde niet de aankondiging van het evangelie, maar de acclamatie na het epistel, waarna het zondagslied volgt). Het lutherse katern van 1988 beperkt zich tot ‘Lof zij U, o Here’. Het Dienstboek (1988, blz. 162) noemt deze tekstversie ook, maar vermeldt als alternatief een beurtzang: ‘Lof zij U, Christus! / in eeuwigheid. Amen’ en verwijst daarnaast ook naar de acclamatie ‘U komt de lof toe’ (zie Liedboek 339a, 339b en 339c; in het Dienstboek als liturgisch gezang 58 met een melodie van Jan D. van Laar).

De Gezongen Prefatie

Deze gezongen prefatie vinden we ook in het Duitse Evangelisches Gottesdienstbuch (blz. 110).

Ook deze melodie is van gregoriaanse oorsprong. We vinden deze onder andere in het Graduale Romanum van Solemnes (1974).

De vereenvoudiging van de melodie voor gemeentezang is van de hand van Hermann Wilken (ook genoemd Witekind (1522-1603)), gemaakt voor de Kirchernordnung van Neuenrade (1564). Ook Martin Luther baseerde zijn bewerking voor het Sanctus op deze melodie (zie gezang 24 in het Liedboek voor de kerken). Aanvankelijk ging de melodie gepaard met de Latijnse tekst, in de negentiende eeuw vinden we haar met de Duitse tekst in dienstboeken en gezangboeken.

Dit Sanctus is in het Evangelisches Gesangbuch als nr. 178.4 te vinden.

Het Agnus Dei

Met de melodie van het Agnus Dei keren we weer terug naar Martin Luther en zijn aanpassingen van de Latijnse gezangen voor de gemeentezang. Vanwege de duidelijke overeenkomst tussen de beginmotieven van het Kyrie (Liedboek 270a) en dit Agnus Dei, is het zo goed als zeker dat Luther ook deze melodie schreef. In zijn Deutsche Messe (1526) is die niet opgenomen. Daar beperkt Luther zich tot de vermelding dat tijdens het rondgaan van de beker een van de door hem eerdergenoemde liederen (‘Jesaja dem proheten das geschah’, Liedboek voor de kerken gezang 24, ‘Gott sei gelobet’, Liedboek 375 en ‘Jesus Christus unser Heiland’, Evangelisches Gesangbuch nr. 215) of het Duitse Agnus Dei wordt gezongen. Welk lied Luther met het laatste bedoelt, is niet bekend. Mogelijk werd het reciterend gezongen.

Het Agnus Dei van Luther verscheen voor het eerst in de Kirchenordnung van Braunschweig (Wittenberg 1528). De melodie verloopt, evenals die van het Kyrie, uitsluitend in secundeschreden, en staat in de eerste gregoriaanse psalmtoon.

Doordat de melodie drie keer wordt gezongen, ontstaat een liedachtige vorm van drie strofen. In Nederland wordt het in de loop van de twintigste eeuw populair als ‘Christus, o Lam Godes’ in Hendrik Haspers verzameling Psalmen en Geestelijke Liederen (1936, nr. 156) en als ‘Christus, heilig Godslam’ in de ‘Hervormde bundel van 1938’ (gezang 37). In deze bundels krijgt het een plaats in de rubriek ‘Lijdenstijd’ en staat het buiten de avondmaalsliturgie. In gereformeerde kringen wordt de bekendheid gestimuleerd doordat het gezang een plaats heeft in de orden die door de synode van 1965-1966 waren vrijgegeven.

De Nederlandse tekst uit de uitgaven van 1955, 1988 en 1998 is een letterlijke vertaling van Luthers Duitse tekst. Daardoor ontstond een niet fraai melisme op ‘Gods’. Omdat het gehele gezang van oorsprong syllabisch is, heeft de liedboekredactie daarom de aanhef van de drie tekstdelen gewijzigd in ‘Lam van God, o Christus’.

Postcommunio, Zending en Zegen

Avondmaalsdiensten worden in de lutherse liturgie besloten met een gezongen postcommunio, waarna een slotgebed wordt uitgesproken of gereciteerd. De tekst van dit gezang is ontleend aan Psalm 136,1. De beide psalmvershelften klinken op een reciteertoon (bes’), waarna een Halleluja klinkt. Het Halleluja wordt niet in de veertigdagentijd gezongen. Het lijkt dan vanzelfsprekend om in die periode de laatste twee lettergrepen van ‘eeuwigheid’ een terts lager te zingen (op g’). Zo vinden we het ook in uitgaven van Landeskirchen van het Evangelisches Kirchengesangbuch (1950), waaraan dit liturgisch gezang is ontleend en overgenomen werd in de lutherse orden van dienst van 1955 en 1988 en het Dienstboek I (blz. 172-173), en later in het Duitse Evangelisches Gottesdienstbuch (blz. 131).

In dezelfde bronnen vinden we de gezongen zending en zegen. Ook deze vorm is ontleend aan de Duitse praktijk (zo ook opgenomen in het Evangelisches Gottesdienstbuch, blz. 131).

Opvallend is dat in de orden van dienst van 1955 en 1988 geen slotlied wordt vermeld. De dienst wordt besloten met de postcommunio, het slotgebed en de zegen. Het Dienstboek vermeldt een slotlied tussen het slotgebed en de zegen, waarbij is aangetekend: ‘Het slo...

tags: #lied #94 #uit #liturgische #gezangen #heili