De gereformeerde gezindte heeft volgens uitgever Pieter Rouwendal te lang de kop in het zand gestoken als het gaat om de verhouding tussen de evolutietheorie en de Bijbel. Hij acht het van groot belang dat de theologische bezinning hierover doorgaat, en dat er ruimte komt voor het stellen van de juiste vragen, zelfs als de antwoorden nog niet direct beschikbaar zijn. Dit is de kern van zijn recent verschenen boek, uitgegeven onder het wetenschappelijke label Summum van zijn eigen uitgeverij Brevier.

Noodzaak van Theologische Bezinning over Evolutie en Bijbel
Het boek richt zich voor een groot deel op de vraag hoe de eerste drie hoofdstukken van Genesis geïnterpreteerd kunnen worden op een manier die niet in conflict komt met de evolutietheorie. Rouwendal verwacht kritiek vanuit de rechterflank van de gereformeerde gezindte, maar benadrukt dat het stellen van de juiste vragen momenteel belangrijker is dan het direct vinden van de juiste antwoorden.
Filosoof Rik Peels, theoloog William den Boer en bioloog René Fransen vormden de eindredactie van het boek. De aanleiding voor de uitgave was een studiedag in 2017 over het boek "En de aarde bracht voort" van Gijsbert van den Brink. Op deze studiedag werden 25 vragen geformuleerd, waarop 25 vakwetenschappers antwoorden gaven. Deze antwoorden waren voor de redactie zelfs verrassend, en er is geen sprake van een verborgen agenda.
Peels benadrukt dat het boek hard nodig is, omdat eerdere publicaties volgens hem geen grondige theologische bezinning bieden. Hij constateert dat veel mensen de evolutietheorie als een bedreiging zien en dat christelijke jongeren vaak een beeld meekrijgen dat niet strookt met wat ze op de universiteit leren. Hij maakt zich zorgen over het feit dat mensen de kerk de rug toekeren omdat ze bepaalde vragen niet durven te stellen of omdat er mythes en stereotypen in stand worden gehouden.
Het boek laat de biologische vragen grotendeels rusten en focust op de interpretatie van de Bijbel. Centraal staat de vraag hoe de Bijbellezer om moet gaan met de evolutionaire opvatting dat er altijd al dood en lijden in de wereld was. Andere belangrijke vragen die in de bundel aan bod komen, zijn de betekenis van het woord 'goed' in Genesis 1 in het licht van voorafgaand lijden, en de relatie tussen de eerste en tweede Adam in Romeinen 5.
Gijsbert van den Brink sluit niet uit dat het doordenken van het ontstaan van moraal en religie door natuurlijke selectie kan leiden tot een levensbeschouwelijke verschuiving. Oudtestamenticus Mart-Jan Paul benadrukt dat het hier niet slechts gaat om enkele Bijbelhoofdstukken, maar om fundamentele exegetische vragen over de verhouding tussen geloof en wetenschap.
Knelpunten in de Interpretatie van Genesis
Paul wijst op specifieke passages in Genesis die uitdagingen vormen voor een integratie met de evolutietheorie. Zo wordt in Genesis 2 beschreven hoe Adam uit de aarde wordt gevormd en de levensadem krijgt ingeblazen, wat afwijkt van een mogelijk scenario waarin God een dier neemt en dit nieuwe eigenschappen geeft. Hij verwijst naar de negentiende-eeuwse theoloog Benjamin Warfield, die al aangaf dat het scheppingsverslag van Eva een serieuze hindernis vormt voor een leer van schepping door evolutie.
Ook de vervloeking van de aarde in Genesis 3, die de intrede van de dood en het voortbrengen van dorens en distels markeert, wordt door Paul als een belangrijk punt gezien. Hij merkt op dat in diverse bijdragen in de bundel wordt gesuggereerd dat de dood er al langer was en dat er ook al dorens en distels waren. Dit roept de vraag op wat er dan precies is veranderd na de vervloeking, een vraag die in de bundel slechts wordt aangeduid maar niet volledig wordt behandeld.
Paul is kritisch op de manier waarop de geslachtsregisters worden behandeld in het licht van de vermeende hoge ouderdom van de kosmos. Hij mist een serieuze poging om deze te herinterpreteren. Ook de consequenties van de zondvloed en de spraakverwarring voor de mensheid blijven volgens hem buiten beschouwing.
Een ander cruciaal punt dat Paul aanstipt, is de betekenis van Gods spreken in Genesis 1, waarbij de directe gevolgen het ontstaan van kosmos, planten, dieren en mensen zijn. Als alles geleidelijk ontstond, wanneer heeft God dan gesproken? Hij vraagt zich af wat het betekent dat God spreekt in deze context, aangezien de meeste Bijbellezers dit letterlijk opvatten.
Paul maakt zich zorgen over het Schriftgezag in de bundel en vraakt waarom er zo gemakkelijk wordt afgeweken van de orthodoxe inspiratieleer. Hij beschouwt de alternatieven voor een nieuwe uitleg van de eerste hoofdstukken van Genesis als fragmentarisch, speculatief en hermeneutisch inconsistent.
Statenvertaling A.D. 2019: Een Pleidooi voor Revisie
Naast de theologische bezinning op evolutie, richt Pieter Rouwendal zich ook op de actualiteit van de Statenvertaling. Hij heeft enkele jaren gewerkt aan een revisie van de tekst van het Bijbelboek Genesis in de Statenvertaling, wat resulteerde in zijn boek "Statenvertaling A.D. 2019", uitgegeven door Brevier.
Rouwendal, die zelf uitgever is en ervaring heeft als docent godsdienst, constateert dat veel zinsconstructies en woorden in de Statenvertaling vandaag de dag verkeerd geïnterpreteerd kunnen worden. Hij pleit daarom voor een revisie van de Statenvertaling en richt zich daarbij specifiek tot de Gereformeerde Bijbelstichting (GBS).
Hij stelt de vraag of de GBS wel een dienst aan God bewijst door vast te houden aan verouderde woorden. Hoewel hij erkent dat de GBS handelt vanuit goede bedoelingen en streeft naar een zo zuiver mogelijke vertaling, benadrukt hij dat een goede vertaling de woorden en grammatica van de doeltaal gebruikt. Woorden die in 1657 een goede vertaling waren, zijn dat niet automatisch meer in 2019, omdat de betekenis van woorden verandert.
Rouwendal illustreert dit met voorbeelden. Het Nederlands kent sinds 1934 geen naamvallen meer, behalve in staande uitdrukkingen, maar deze komen nog wel voor in de GBS-editie van de Statenvertaling. Ook woorden die in de loop der jaren van betekenis zijn veranderd, zoals 'jokken' (vroeger: schertsen, tegenwoordig: liegen), vormen een probleem.
Hij bekritiseert de beslissing van de GBS om verouderde woorden niet te vervangen, maar in een verklarende woordenlijst uit te leggen. Hij wijst erop dat in de uitgave van 1888 al veel verouderde woorden waren vervangen, zoals 'ende' en 'wijf', en dat de GBS deze wijzigingen wel heeft overgenomen. Nu wordt gedaan alsof elke nieuwe wijziging afbreuk doet aan de zuiverheid van Gods Woord.
Rouwendal vindt het onlogisch dat 'wassen' in het dagelijks leven 'schoonmaken' betekent, maar in de Statenvertaling 'groeien'. Dit, zo stelt hij, zorgt ervoor dat de Bijbeltaal los komt te staan van het dagelijks leven.

Historische Context en Kritiek op de Statenvertaling
Rouwendal legt uit dat de statenvertalers niet zo stringent werkten als soms wordt gedacht. Hij verwijst naar de concordantie van Trommius, waaruit blijkt dat hetzelfde woord soms wordt vertaald met 'en', 'ook' of 'mitsgaders'.
Hij belicht de geschiedenis van revisies van de Statenvertaling. In de jaren zeventig verscheen een revisie van het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG), de zogenaamde Tukkerbijbel, die door de GBS werd afgekeurd. De GBS-editie, waar veel kerkgenootschappen zich aan verbonden, is bovendien niet gebaseerd op de editie uit 1657, maar op de door liberale theologen gereviseerde editie uit 1888. Deze revisie is volgens Rouwendal inconsequent.
Hij haalt het voorbeeld aan van 1 Koningen 14:10, waar de Statenvertaling van 1657 bewust vertaalde met "die aen de wandt pist" om Gods verachting voor Jerobeam te tonen. Het eufemisme "wateren" doet volgens Rouwendal geen recht aan het grondwoord en de keuze van de statenvertalers.
Rouwendal benadrukt dat de kanttekeningen bij de Statenvertaling bedoeld zijn als onderdeel van de vertaling zelf. Als men de Statenvertaling echt recht wil doen, moeten de kanttekeningen in een revisie worden meegenomen, hoewel dit ook leidt tot andere vraagstukken, zoals gedateerde uitleg van geldeenheden of wetenschappelijke inzichten.
Hoewel Rouwendal een gereviseerde versie van het Bijbelboek Genesis in zijn boek heeft opgenomen, is het een eenmalige demonstratie van de mogelijkheden. Hij erkent dat het een monnikenwerk is en dat andere mensen meekijken nodig is vanwege zijn eigen blinde vlekken. Hij wil hiermee aantonen dat een revisie van de Statenvertaling die recht doet aan de principes van de statenvertalers, lastig maar zeker mogelijk is. Hij hoopt hiermee een voorbeeld en argumenten te bieden voor het voorstel dat op de synode van de Gereformeerde Gemeenten ligt om de verouderde taal aan te passen, mocht de GBS blijven weigeren.
Is de Bijbel verkeerd overgeschreven?
Korte Biografie van Pieter Rouwendal
Pieter Rouwendal (46) werd geboren in Apeldoorn in een gezin dat behoorde tot de Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Hij studeerde theologie in Utrecht en promoveerde in 2017 op een onderzoek naar predestinatie en prediking in de gereformeerde theologie van Genève. Hij was negen jaar docent godsdienst aan de Jacobus Fruytier Scholengemeenschap en heeft sinds 2012 zijn eigen uitgeverij, Brevier.
Zijn werkzaamheden omvatten ook een periode als acquirerend redacteur bij uitgeverij Kok en als Associate Researcher kerkgeschiedenis aan de Theologische Universiteit Kampen. Per september 2020 is hij benoemd als methodoloog aan de Theologische Universiteit Apeldoorn.
Rouwendal houdt zich bezig met academische theologie, met name historische systematische theologie, en probeert daarbij de relevantie voor de kerk van vandaag in het oog te houden. Zijn publicaties zijn bedoeld voor een divers publiek, van academische liefhebbers tot een breder publiek dat geïnteresseerd is in actuele kwesties.