Zorgen over de prediking
Ds. A.T. schreef een brief waarin hij zijn diepe bezorgdheid uit over de prediking van een student in hun Gereformeerde Gemeente (Ger. Gem.). Hij ervaart dit als bedroevend en uit zijn verdriet over het feit dat de prediking van de student niets over Christus zei. Dit is voor hem persoonlijk van groot belang, omdat hij steeds weer van zichzelf wordt afgewezen en op Christus wordt gewezen. Hoewel de student wel sprak over de naderende dood, werd er niet gewezen op wat er bij de Heere te verkrijgen is en dat er een Zaligmaker is voor zondaren.
Ds. A.T. vraagt zich af of predikanten tegenwoordig niet meer weten wat ze moeten preken vanuit hun armoede. Hij vergelijkt dit met de studenten uit de jaren '60 en '70, die volgens hem wel een boodschap voor zondaren hadden: een rijke Christus voor een arme zondaar. Als voorbeeld van de huidige prediking noemt hij een andere student die Gods kinderen vergeleek met treurwilgen, bomen die op een begraafplaats te vinden zijn. Dit noemt hij geen kanseltaal en vindt het niet best als Gods kinderen op treurwilgen lijken.
De nood is groot, aangezien de kinderen van Ds. A.T. ouder worden en soms niet meer naar de kerk willen luisteren, maar liever luisteren naar een preek via de cassette of elders kerken. Hij vraagt om raad wat hij als gezin moet doen.

Advies en reflectie
In reactie op de brief van Ds. A.T. wordt verwezen naar een voorval met Ds. Lamain, die werd benaderd door een man uit een naburige gemeente met de vraag om iets te doen aan zijn predikant die naar zijn mening de waarheid niet preekte. Er wordt voorgesteld om studenten die gehoord worden, direct aan te spreken op hun prediking. Daarnaast is het belangrijk om de bezorgdheid te bespreken met de eigen kerkenraad, die de taak heeft om opzicht te houden over de prediking.
De schrijver herinnert zich uit zijn eigen studententijd dat zijn leraar, Ds. Vogelaar, op- of aanmerkingen kreeg op zijn preken, die hij vervolgens met hem doorsprak. Sommige opmerkingen kwamen van de leden, en zo leerde hij veel, hoewel het niet altijd gemakkelijk was.
Verder wordt overwogen om de vraag door te sturen naar de rector van de theologische school, maar de schrijver vindt dat dit ook op de weg van Ds. A.T. ligt en vraagt hem dringend om dit zelf te doen.
De brief van Ds. A.T. wordt als oprecht ervaren, met een duidelijke bezorgdheid, met name voor zijn kinderen die tekenen van weerzin en opstand beginnen te tonen. Het is inderdaad een grote zorg als de prediking van het volle Evangelie haar volheid verliest.
Er wordt een artikel van Ds. G. Wisse aangehaald, die schreef dat er te allen tijde predikers zijn geweest die wel de ernst van het oordeel aanzeiden, maar niet in diezelfde mate verkondigden dat ons leven en behoudenis Gods lust is. Dit wordt geïllustreerd met een citaat uit Ezechiël 33:11. Ds. Wisse stelt dat als de verkondiging van Gods welgemeende roepstem en nodiging tot behoud ontbreekt, de predikant maar een half ernstige dominee is. Hij vergelijkt dit met een bazuinblazer die nalaat om iets goeds van God te verkondigen.
De schrijver van de reactie kan zich hier van harte mee instemmen en herkent in deze balans ook de prediking van zijn eigen vader, Ds. A.
Kinderen en kerkgang
Wat betreft de onwilligheid van kinderen om naar de kerk te gaan, merkt de schrijver op dat hij nog nooit met deze motivatie te maken heeft gehad; meestal zijn er andere redenen waarom jongeren niet naar de kerk willen. Hij adviseert Ds. A.T. om een ernstig gesprek aan te gaan met zijn kerkenraad en hierin ook zijn kinderen te betrekken. Het is goed om ouderlingen uit te nodigen voor een gesprek waarin dezelfde toon van bezorgdheid wordt uitgesproken, omdat hier veel van geleerd kan worden.

Bevestiging en achtergrond van P.C. Vlot
In een ander deel van de tekst wordt melding gemaakt van de bevestiging van Kandidaat P.C. Vlot tot predikant van de Gereformeerde Gemeente te Krabbendijke. De dienst werd geleid door zijn schoonvader, ds. W.J. Karels, die sprak over 2 Timotheüs 2:1 met als thema "Paulus’ raad aan Timótheüs". Bij de handoplegging waren diverse andere predikanten en ouderling J.A. Bliek aanwezig.
Tijdens de intrededienst sprak ds. Vlot over Numeri 16:48 met als thema "De hogepriester tussen God en het volk". Er waren toespraken namens de classis Goes, de particuliere synode Zuid, het curatorium, de studenten van de Theologische School, de gemeente Reimerswaal en namens de gemeente en kerkenraad.
Verder is er een discussie over het curatorium van de Ger. Gem. en de verantwoordelijkheid voor beslissingen. Er wordt gesproken over het feit dat er meerdere studenten de eerste keer werden afgewezen en dat dit soms werd gezien als "toen was het Gods tijd nog niet". Ook wordt de rol van familiebanden binnen het kerkverband van de Ger. Gem. besproken, waarbij opgemerkt wordt dat het opmerkelijk is hoeveel familieverbanden er zijn onder de predikanten, ondanks dat het kerkverband met meer dan 100.000 leden niet extreem groot is.
Er wordt de vraag gesteld of Dhr. Vlot door vrienden door het leven gaat als Peter of Pieter. Een citaat uit "The Lion, the Witch and the Wardrobe" wordt gebruikt om aan te geven dat iets niet per se "safe" hoeft te zijn om toch "goed" te zijn.