De Geschiedenis van de Protestantse Gemeente Hellendoorn

Inleiding

Dit artikel biedt een gedetailleerd overzicht van de geschiedenis van de protestantse gemeente in Hellendoorn, met speciale aandacht voor de periode van de Afscheiding in de 19e eeuw. De informatie is gebaseerd op diverse historische bronnen, waaronder archiefstukken, kerkelijke notulen en publicaties.

Vroege Geschiedenis van Hellendoorn

Hellendoorn duikt voor het eerst op in de geschiedenis in het jaar 1275, waar in oude bisschoppelijke rekeningen melding wordt gemaakt van de pastoor/vicaris van Hellendoorn (destijds geschreven als Hellendere) die geld schonk ten behoeve van de kruistochten. Na deze vermelding verdwijnt Hellendoorn weer ruim 100 jaar uit beeld. In 1381/1383 worden, opnieuw in bisschoppelijke rekeningen, een aantal erven in Hellendoorn genoemd, waaronder Lentfordinck, Schurink en Roessingh.

De kerk van Hellendoorn is echter waarschijnlijk ouder dan 1275. Waarom een kerk juist in Hellendoorn en op exact die plek gebouwd is, blijft gehuld in de mysteriën van het verleden. De opgraving van 1961 bracht aan het licht dat op de plek van het Romaanse middengedeelte van de kerk een ander houten gebouwtje heeft gestaan. Uit het feit dat onder dit gebouwtje een pre-Romaans graf werd gevonden, kan met enige zekerheid gesteld worden dat er voor de Romaanse kerk al een ander kerkgebouwtje gestaan heeft. De plek lag immers hoger dan de onmiddellijke omgeving, dus als de Regge buiten zijn oevers trad, bleef het daar droog.

Het dorp Hellendoorn treedt vervolgens pas echt in de geschiedenis naar voren via de activiteiten van ‘goedsheeren’ en ‘erfgenamen’, oftewel de mensen die binnen het dorp de erven bezaten en daarmee de touwtjes in handen hadden. De markestatuten dateren uit 1502 en bezitten we via een afschrift van 1604.

De Afscheiding in Hellendoorn

Aanloop naar de Afscheiding

In het begin van de 19e eeuw was Hellendoorn nog overwegend agrarisch; ongeveer 80% van de bevolking vond zijn middel van bestaan in de landbouw, aangevuld met enkele molenaars en schaapherders. Sociaal gezien leek de Afgescheiden Gemeente, afgezien van de schoenmakers en schaapherders, op de burgerlijke gemeente. Het grootste deel van de landbouwers behoorde waarschijnlijk tot de keuterboeren, wat wordt ondersteund door gegevens over de financiële positie van de emigranten.

Een rapport van de hervormde ring Ommen, gedateerd april 1836, geeft aan dat in Hellendoorn bij sommigen reeds lang een separatistische geest heerste, al bleef men tot voor kort trouw in kerkgang en Avondmaalsbezoek. Dit wordt bevestigd doordat in 1835 en 1836 verscheidene toekomstige of reeds werkelijke Afgescheidenen hun kind nog in de hervormde kerk lieten dopen. De notulen van de hervormde kerkeraad geven hierover echter geen inlichtingen.

Een schrijven van de burgemeester J.C. aan de Gouverneur van de provincie, gedateerd augustus 1847, stelt dat een groot gedeelte van de Afgescheidenen op het punt stond naar Amerika te emigreren. De burgemeester sprak over “den invloed en onder de leiding van den zogenaamden leraar dier gemeente en andere volksmenners” die ertoe had geleid dat een groot deel van de gemeente besloten had het vaderland te verlaten.

Op zaterdag 25 juli 1835 was de burgemeester naar de buurtschap Marle geweest. Op de terugweg, bij de boerderij de Schuilenburg, merkte hij dat daar ‘veele personen zoo mannen als vrouwen passeerden’ (kennelijk op weg naar een conventikel). Naar hem werd verteld, kwam dit op zaterdag vaker voor. Toen de burgemeester aan Gerrit Pastink, wonende in de buurtschap Elen, vroeg waar die ‘vergadering’ zou plaatsvinden, kreeg hij als antwoord: ‘bij Soepenberg’ (een boerderij). De burgemeester besloot poolshoogte te nemen en ging naar het huis van G.J. Immink. Bij Soepenberg gearriveerd, hoorden beide mannen ‘een sterk Psalm gezang’ uit het huis komen. Ze gingen naar binnen en troffen daar een vergadering aan van ongeveer 50 tot 70 personen, geleid door een ‘onbekend’ persoon. De komst van de burgemeester veroorzaakte grote spanning, vooral toen deze de vreemdeling wilde ‘arresteren’. Na de naam van de spreker, Van der Veen, te hebben vernomen, werden alle lampen en lichten uitgeblazen om de burgemeester een pak slaag te geven. De burgemeester besloot zijn rapport aan de Gouverneur met de wens uit te spreken dat de ‘houders’ van dergelijke bijeenkomsten ‘behoorlijk wierden gestraft’.

De Vorming van de Afgescheiden Gemeente

De eerste officiële kerkeraadsvergadering van de Christelijke Afgescheiden Gemeente van Hellendoorn werd, blijkens de notulen, gehouden op 6 februari 1837. Vóór die datum werden er echter ook al godsdienstoefeningen gehouden, waarvan geen aantekeningen aanwezig zijn. Bekend is wel dat Ds. A.C. Van Baalte op 22 november 1836 in een samenkomst van de gemeente voorging en toen drie kinderen doopte. Een ander aanknopingspunt is de rekening van ontvangsten en uitgaven van de armengelden, die aanvangt op 1 mei 1836. Het “Jaarboek van de Gereformeerde kerken in Nederland” vermeldt dat de gemeente van Nijverdal (de voortzetting van de kerk van Hellendoorn) in 1836 werd geïnstitueerd, zonder nadere aanduiding.

De dagtekening van de “Verbintenis-Akte”, opgemaakt in de kerkeraadsvergadering van 5 juni 1837, is merkwaardig. In deze Akte, vergelijkbaar met de “Akte van Afscheiding of Wederkeering”, verklaart de “kerkeraad van de gemeente onzes Heeren Jezu Christi te Hellendoorn” zich te zullen houden aan de leer der kerk, zoals die overeenkomstig Gods Woord is vervat in de Drie formulieren van Enigheid. Het is niet geheel duidelijk waarom men pas meer dan een jaar na het verbreken van de band met de Hervormde kerk met deze officiële verklaring kwam. Mogelijk wilde men de weg terug zo lang mogelijk openhouden om bij een verandering ten goede in de Grote kerk de afscheiding ongedaan te kunnen maken.

Bij het institueren van de gemeente telde men 44 belijdende leden; met inbegrip van de doopleden kan het totaal aantal zielen op ruim 100 worden gesteld. Zonder uitzondering dient een onderscheid gemaakt te worden voor de beide molenaars en voor Wormser. De molenaar van Schuilenburg, een van de buurtschappen in de gemeente Hellendoorn, was beslist welgesteld. Hij bezat niet alleen een groot huis dat als plaats van samenkomst voor de gemeente werd gebruikt, maar verstrekte de kerkeraad ook een lening van f 900,- om de bouw van een kerk en pastorie mogelijk te maken. Ook Wormser kon tot de meer gegoeden gerekend worden.

Onder de bezielende leiding van Hendrik Wormser trachtte de jonge gemeente in de eerste jaren haar weg te vinden. Zolang er geen predikant was, nam Wormser alle werkzaamheden voor zijn rekening. Hoewel hij aanvankelijk geen kerkeraadslid was, woonde hij iedere kerkeraadsvergadering bij om de notulen op te maken. Des zondags kwam de gemeente tweemaal bijeen.

In de eerste jaren ontbrak een kerkgebouw, waardoor de godsdienstoefeningen afwisselend bij de gemeenteleden thuis werden gehouden, mits men over vergaderruimte beschikte. Dit was voornamelijk het geval bij de (grotere) boeren, die de deel van hun boerderij ter beschikking stelden. In de regel las een van de ouderlingen een preek; zelden kon men op zondag een predikant laten optreden. Wel slaagde men er meer dan eens in een dominee te krijgen voor een godsdienstoefening op een avond in de week.

Omdat de gemeente zich uitstrekte over een groot aantal buurtschappen, werden enkele centrale punten aangewezen waar de kinderen uit de omliggende buurtschappen konden samenkomen om onderwijs te ontvangen. Ook Wormser gaf in zijn woning te Noetsele catechetisch onderricht. Deze situatie duurde tot 1841, toen men in Hellendoorn zelf een eigen kerkgebouw in gebruik nam en de catechisaties voortaan daar werden gehouden. De notulen vermelden nog een verzoek van een lidmaat uit Egede, dat kerkelijk bij Hellendoorn hoorde, om zijn kind ter catechisatie te mogen zenden naar Den Ham bij Ds. De Moen, aangezien Den Ham “oneindig meer nabij zijn woning ligt dan Hellendoorn en het voor zijn kind bezwaarlijk is steeds zo’n grote afstand af te leggen”.

De kerkeraadsvergaderingen werden in het begin afwisselend bij de verschillende kerkeraadsleden thuis gehouden. In 1839 werd echter besloten daarvoor een vast adres te gebruiken, namelijk in het dorp Hellendoorn bij een lidmaat der gemeente. De vergaderingen werden voortaan vrij toegankelijk voor de gehele gemeente, terwijl de manslidmaten, die belijdenis des geloofs hadden afgelegd, een raadgevende stem zouden hebben.

De houding van de bevolking ten opzichte van hun dorpsgenoten die het gewaagd hadden de band met de Vaderlandse kerk te verbreken en een scheur te maken in de dorpsgemeenschap, is niet uitgebreid gedocumenteerd. Waarschijnlijk was er weinig begrip voor de motieven van de Afgescheidenen en had de stemming jegens hen vaak een onvriendelijk karakter. In het eerste jaar na de ingebruikneming van het kerkgebouw ondervond men tijdens de diensten vaak stoornis van jongelui die herrie maakten in het portaal van de kerk.

Er is weinig sprake geweest van vervolgingen zoals Afgescheidenen die op andere plaatsen te verduren hebben gehad. Slechts één geval is bekend waarin de Overheid optrad tegen een samenkomst der gemeente. Dat gebeurde op Hemelvaartsdag 1837. De gemeente was toen nog niet officieel erkend; de aanvraag daartoe werd gedaan in 1839 en pas op 1 april 1841 werd de kerk als zodanig toegelaten. Vóór die tijd werden de bijeenkomsten der Afgescheidenen als onwettig beschouwd wanneer ze met meer dan twintig personen werden gehouden.

Aan het optreden van Ds. Van Raalte op 4 mei 1837 was van tevoren enige bekendheid gegeven. De kerkeraad meende dat ook buiten de gemeente van Hellendoorn belangstelling zou bestaan voor de rondreizende predikant. Op de bewuste dag bleek de toeloop zo groot te zijn dat er voor iedereen nauwelijks plaats was. De morgendienst had een ongestoord verloop. Halverwege de middagdienst echter kwamen de burgemeester van Hellendoorn, vergezeld van de veldwachter, binnen en sommeerden Ds. Van Raalte de dienst te staken. Deze weigerde beslist aan het bevel te voldoen en zette de godsdienstoefening voort. De overheidsdienaren trokken zich toen terug in het woonvertrek van het huis en wachtten daar het einde van de dienst af. De veroordeling volgde enige weken later door de rechtbank te Deventer, die Ds. Van Raalte een boete oplegde van f 100,-, terwijl de bewoner van het huis tot het betalen van f 20,- werd veroordeeld.

Door de groei van de gemeente werd de behoefte aan een eigen kerkgebouw steeds meer gevoeld. Begin 1839 werd in de kerkeraad voor het eerst gesproken over de noodzakelijkheid om in het dorp Hellendoorn een stuk grond te kopen ten einde daarop een gebouw te plaatsen, geschikt als plaats van samenkomst voor de gemeente. Deze bouwplannen vormden een vast punt op de agenda’s van de volgende kerkeraadsvergaderingen. Verschillende pogingen werden ondernomen om tot een aanvaardbare oplossing te komen, maar de meeste liepen op niets uit. Toch slaagde men erin de zaak tot een goed einde te brengen. Op een gemeentevergadering stelde de kerkeraad voor tot aankoop over te gaan.

Niet veel later werd het huis, met een stukje bouwland, gekocht voor f 550,-. Aangezien de gemeente toen nog niet officieel erkend was door de Overheid en dus niet als eigenaar kon optreden, werd het gebouw op naam gesteld van enkele gemeenteleden. Bij de werkzaamheden tot verbetering van de woning bleek al spoedig dat verbouwing niet mogelijk of gewenst was. Daarom werd besloten het huis volledig af te breken en een geheel nieuwe kerk te bouwen.

Had de uitbreiding van de gemeente geleid tot de noodzaak van een eigen kerkgebouw en was het streven daarnaar met succes bekroond, diezelfde omstandigheid was de oorzaak dat de behoefte aan een “herder en leraar” steeds groter werd. Hoewel Wormser de eerste jaren veel pastoraal werk had verricht, werd deze last hem op den duur te zwaar naast zijn arbeid als boekhouder bij de factorij te Nijverdal. Hij drong er bij de gemeente op aan een predikant te beroepen.

De Komst van Predikanten en de Verdere Ontwikkeling

In Den Ham kwam Hendrik Wormser in 1839 in aanraking met Seine Bolks, een boerenjongen die ook tot de kring der Afgescheidenen behoorde. Bolks had als opgroeiende knaap veel met de schapen over de heide gezworven en daarbij ruimschoots gelegenheid gehad de Bijbel te bestuderen. Op twintigjarige leeftijd trad hij reeds op als oefenaar in de samenkomsten der gelovigen, waar hij zich spoedig een goede naam verwierf. Op deze man van “singuliere gaven” vestigde Wormser de aandacht van de kerksraad, die unaniem instemde met het voorstel Seine Bolks voor te dragen als leraar der gemeente. Bolks verklaarde zich bereid het beroep aan te nemen en betuigde zijn instemming met de voorstellen van de kerkeraad. Hij had altijd graag willen studeren, maar de financiële omstandigheden van zijn ouders waren daarvoor steeds een beletsel geweest.

Bijna anderhalf jaar bracht Bolks in Ommen door, zich onder leiding van Ds. Van Raalte voorbereidend op het predikantschap. Echter, de kosten van f 2,- per week betekenden voor de kleine gemeente een zware financiële last. Toen de opleiding langer duurde dan men verwacht had (na een half jaar), gaf de kerkeraad blijk van ongeduld en schreef aan Ds. Van Raalte “te meenen, dat het de bedoeling was deze lieden slechts zooveel te bekwamen, dat zij op eenvoudige wijze het Evangelie verkondigen en de Sacramenten bedienen konden”. Blijkbaar heeft de kerkeraad daarna meer geduld betracht, want Bolks beëindigde zijn studie pas een jaar later. Hoewel hij zelf graag nog wat langer had willen studeren, werd het verlangen van de gemeente, die hem onderhield, naar een predikant zo sterk, dat hij meende niet langer te kunnen wachten.

Dit verliep niet geheel zonder strubbelingen. In deze jaren werden de afgescheiden gemeenten geteisterd door twisten over de Dordtse kerkorde. De Synode van Utrecht (1837) had een herziene kerkorde aanvaard waar lang niet alle gemeenten het mee eens waren. Scheuringen waren dikwijls het gevolg en vele gemeenten kwamen apart te staan. Bolks, en met hem Wormser, behoorde blijkbaar tot degenen die geen overwegende bezwaren hadden tegen de revisie van de Dordtse Kerkorde.

Later kreeg Bolks van een van die twee predikanten een brief “welke vermaningen en raadgevingen behelsde, om toch niet af te wijken van de Dordtsche Kerkorde van 1619 en toe te zien, dat hij niet verleid wordt door den ouderling Wormser”. De bevestiging en intrede van Ds. Seine Bolks vonden plaats op 19 december 1841, tegelijk met de ingebruikneming van het kerkgebouw. Bevestiger was Ds. Van Raalte, de man die zoveel had bijgedragen tot de vorming van de nieuwe herder en leraar. Nadien leidde Ds. Bolks met vaste hand de gemeente, waarbij Wormser enigszins op de achtergrond kwam. Handschrift, taal en stijl geven de indruk dat we met een ontwikkeld man te maken hebben. Op de eerste vergadering na de intrede nam de kerkeraad ten aanzien van de aan Ds. Bolks toe te kennen vergoedingen een besluit dat afweek van de oorspronkelijke plannen: in plaats van hem te belonen met hulp op zijn boerderij, besloot men Ds. Bolks een tractement toe te kennen ten bedrage van f 500,- per jaar, te betalen in drie-maandelijkse termijnen.

Onder leiding van Ds. Bolks nam de groei van de gemeente steeds verder toe en kwam het kerkelijk leven tot bloei; de notulen van de kerkeraadsvergaderingen leggen daarvan getuigenis af. De kerkelijke activiteiten werden zoveel mogelijk geconcentreerd in het kerkgebouw: de catechisaties, voorheen verspreid over de verschillende buurtschappen, werden nu gegeven in de consistorie, waar eveneens, eenmaal per veertien dagen, de kerkeraad bijeen kwam; ook de gemeentevergaderingen werden voortaan in de kerk gehouden. Ten aanzien van de godsdienstoefeningen werd bepaald dat de gemeente op de rustdag in principe driemaal zou bijeenkomen: tweemaal zou er gepreekt worden, terwijl des avonds de predikant een bijbellezing zou verzorgen. Aan deze laatste bepaling werd niet altijd de hand gehouden, omdat omliggende gemeenten, die vacant waren, dikwijls een beroep op Ds. Bolks deden om daar in de dienst voor te gaan.

Een historische foto van de gereformeerde kerk in Hellendoorn, mogelijk met de 'glas-in-betonraam' die behouden moest blijven.

De Gereformeerde Kerk en het Samen-op-Weg Proces

Het ‘glas-in-betonraam’ in de voormalige gereformeerde kerk te Hellendoorn werd door het CDA-raadslid Jeroen Piksen voorgesteld te behouden voor het nageslacht “als monument voor gereformeerd Hellendoorn”. Het CDA was ook de initiatiefnemer voor het behoud van het kunstwerk.

De gereformeerde kerk aan de Hofmanstraat te Hellendoorn, die in 1963 in gebruik genomen werd, werd op zondag 25 april 2004 buiten gebruik gesteld, toen daar de laatste kerkdienst werd gehouden. Dit was een gevolg van het Samen-op-Wegproces van de Gereformeerde Kerk en de Hervormde gemeente te Hellendoorn. De kerkdiensten worden sindsdien gehouden in de Dorpskerk.

Emigratie naar Noord-Amerika

In 1847 is een groot aantal leden, als kerk georganiseerd, naar Noord-Amerika vertrokken en heeft zich daar in een nog onontgonnen gebied in Michigan gevestigd. In een boekje is te lezen hoe het de emigranten de afgelopen 125 jaar is vergaan. In 1847 vertrokken zestien gezinnen van landbouwers, waarvan er vier tot de “welgestelden” gerekend werden. Van de overige gemeenteleden kan evenmin gezegd worden dat zij behoorden tot de “edelen en rijken”.

De Rooms-Katholieke Kerk in Hellendoorn

In oktober 1812 werd Hellendoorn afgescheiden van de parochie Haarle en kreeg het de officiële naam van 'statie'. Kerk en parochie bleven voorlopig nog zeer gering in omvang. De eerste pastoor was Aegedius van Schouterden (1812-1816). In 1833 kwam er een betere kerk, maar deze brandde in 1836 af, tegelijk met vele andere huizen. In de twee daaropvolgende jaren was het ‘behelpen en worstelen’. In 1838 werd de kerk herbouwd aan de Schapenmarkt. In 1855 kreeg de statie Hellendoorn van de Aartsbisschop de titel van parochie, toegewijd aan de H. Sebastianus. In 1870 was de kerk al weer te klein. Van de huidige kerk kwamen de toren en het middenschip in 1877 tot stand. In 1934 moest er weer gebouwd worden en werd aan de bestaande kerk een nieuw voorstuk en priesterkoor gebouwd.

Tot de geloofsgemeenschap behoren het dorp Hellendoorn en de buurtschappen Hancate, Elen en Rhaan, de Hellendoornse Berg en een stukje van het Hellendoornse Broek, de Collenstaartsweg en omgeving Hulsen, Marle, Schuilenburg en Overwater. Inwoners van de Kruidenwijk kunnen zowel bij deze geloofsgemeenschap als die van de H. aan St. Sebastianus en St. Fabianus terecht.

Historische Gebouwen en Locaties

De oude kerk van Hellendoorn, waarvan de Romaanse delen nog aanwezig zijn, werd omstreeks 1150 gebouwd met veldkeien. Het materiaal voor de muren, die meer dan 1 meter dik zijn, werd lokaal in het Reggedal gewonnen en naar Hellendoorn getransporteerd. De toren is pas veel later aangebracht en kreeg in 1485 klokken, ter plaatse gegoten. In 1485 besloot men tot de bouw van een nieuw gotisch koor.

De huidige kerk is een gebouw dat grotendeels uit de middeleeuwen dateert. Het oorspronkelijke gebouw werd omstreeks 1150 gebouwd en bestond uit veldkeien. De muren zijn meer dan 1 meter dik.

Een plattegrond of schematische weergave van de historische ontwikkeling van de kerk van Hellendoorn.

Archiefmateriaal en Gebruik

Het Utrechts Archief beschikt over een grote collectie boeken, kranten en tijdschriften over de geschiedenis van de stad en provincie Utrecht. Om items in te zien, is het noodzakelijk deze aan te vragen via de bibliotheekcatalogus. Het aanvraagnummer dient vervolgens te worden gebruikt om het item in de studiezaal te raadplegen. Ter plekke kan ook een aanvraag worden gedaan.

Een archieftoegang biedt uitgebreide informatie over een bepaald archief en bestaat over het algemeen uit kenmerken van het archief, een inleiding, een inventaris of plaatsingslijst, en eventueel bijlagen. De kenmerken omvatten omvang, vindplaats, beschikbaarheid en openbaarheid. De inleiding bevat informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en aanwijzingen voor het gebruik. De inventaris is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken.

tags: #protestante #gemeente #hellendoorn