Johannes Calvijn over Geloof en Wedergeboorte

De Heidelberger Catechismus stelt de bekende vraag: „Hoeveel stukken zijn u nodig te weten, opdat gij in deze troost zaliglijk leven en sterven moogt?", met het antwoord over de drie stukken, namelijk die van ellende, verlossing en dankbaarheid. We leven in een tijd dat, meer dan ooit, over dit eerste stuk heen gestapt wordt en men meent zonder doorleving daarvan, deel te hebben aan de verlossing, die in Christus Jezus is.

In onze Gereformeerde Gezindte is men, Gode zij dank, in het algemeen gesproken, zich wel bewust van de noodzakelijkheid dit stuk te doorleven. Doch in zeer brede kring wordt het doorleven van het stuk der ellende, voor zover het aan het stuk der verlossing vooraf gaat, gewaardeerd op een wijze die niet in overeenstemming is met Schrift en Belijdenis. Men stelt dit dan voor als een vrucht van wedergeboorte, als een blijk van door God geschonken leven. De oorzaak van deze onschriftuurlijke zienswijze is gelegen in het feit dat men het onafscheidelijk aan elkander verbonden zijn van geloof en wedergeboorte loochent, zodat men gaat spreken van een wedergeboorte vóór het geloof. Waaronder men dan verstaat dat een mens dagen, weken, maanden of jaren lang wedergeboren kan zijn, gedurende welke tijd men in overtuiging leeft, zonder tot het geloof te zijn gekomen dat Christus als persoonlijke Borg aanneemt en waardoor men het stuk der verlossing leert kennen.

„Indien wij met het Bloed van Christus door de Geest besprengd worden tot reinigmaking, laat ons dan niet menen, dat wij vóór zulk een besprenging anders zijn, dan een zondaar, die zonder Christus is. De wedergeboorte, het nieuwe leven, begint bij het stuk der verlossing. Deze Schriftuurlijke, reformatorische waarheid vindt in onze dagen in de Gereformeerde Gezindte helaas weinig geloof meer. Daarom is het onze heilige roeping tot deze waarheid met alle kracht en liefde die in ons is, terug te roepen. Het gaat om de zuivere weergave van de weg des heils, om de zuivere vertolking van Gods Woord en om het geestelijk welzijn van Gods gemeente.

Johannes Calvijn over Geloof en Wedergeboorte

Wil men van wedergeboorte vóór het geloof spreken? Dit kan, mits men er aan toevoegt dat men met minstens evenveel recht kan spreken dat een mens door het geloof wedergeboren wordt, zoals Calvijn doorgaans doet. En al gebruikt Calvijn het woord wedergeboorte vaak in zeer ruim verband, zodat het gehele verdere leven van Gods kind er onder begrepen wordt, dit sluit dan toch zeker de wedergeboorte in engere zin in. Geloof en wedergeboorte, ze zijn wel te onderscheiden, doch onafscheidelijk aan elkander verbonden.

Klare taal over het verband tussen geloof en wedergeboorte doet Calvijn ons horen in zijn commentaar op het Johannes Evangelie. Mogen wij u deze taal doorgeven, zoals ze doorklinkt in onderstaande citaten? Ze mochten wel biddend gelezen en herlezen worden, opdat God de lezing hiervan mocht zegenen tot wegneming van beschouwingen, die met de Waarheid in strijd zijn.

Calvijn's Uitleg van Johannes 1:13

Bij Johannes 1:13 schrijft Calvijn onder andere: „Nochtans schijnt de Evangelist averechts te doen, als hij de wedergeboorte vóór het geloof stelt, daar ze toch veel meer een werk des geloofs is en daarom op het geloof volgt. Ik antwoord, dat het beide zeer wel overeenstemt: want door het geloof ontvangen we het onvergankelijk zaad, waardoor we in een nieuw en Goddelijk leven herboren worden; en nochtans is nu het geloof zelf een werk des Heiligen Geestes, welke niet dan in de kinderen Gods woont. Zo is dan het geloof, achtervolgens de verschillende opzichten, ten eerste een deel onzer wedergeboorte en een ingang in het Koninkrijk Gods, opdat Hij ons onder Zijn kinderen telle".

En iets verder schrijft Calvijn, waarvan hij zelf zegt dat het nog klaarder en helderder is, het volgende: „Want als ons God het geloof inblaast, zo wederbaart Hij ons heimelijk, op een verborgen en ons onbekende wijze. Maar als ons nu het geloof is geschonken, zo nemen wij aan met een levendig gevoel der consciëntie, niet alleen de genade der aanneming, maar ook de nieuwigheid des levens en alle andere gaven van de Heilige Geest. Want aangezien het geloof Christus aanneemt, zo leidt het ons om zo te zeggen, in het bezit van al Zijn goederen. Daarom zoveel ons gevoel aangaat zo beginnen we niet eerder kinderen Gods te worden, voordat we geloven".

Johannes Calvijn - portret van de theoloog

Calvijn over het Trekken van de Vader (Johannes 6:44)

Het volgende onderwijs geeft Calvijn ons bij Johannes 6:44 („Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke"): „daarom, gelijkerwijs Christus tevoren gezegd heeft, dat de mensen niet bekwaam zijn om te geloven, zolang ze door God niet getrokken worden, zo zegt Hij nu, dat de genade des Geestes krachtig is, waarmede zij alzo getrokken worden, dat ze noodzakelijk moeten geloven".

En iets verder: „want van God wordt in waarheid gezegd ons te trekken, wanneer Hij de kracht Zijns Geestes ontsteekt tot een volkomen werk des geloofs".

Calvijn over Komen tot Christus (Johannes 7:38)

Bij Johannes 7:38 schrijft Calvijn in verband met het komen tot Christus: „komen is niet anders dan geloven, behoudens nochtans, dat ge het woord geloven recht uitlegt, gelijkerwijs te voren gezegd is, dat wij in Christus geloven, wanneer we Hem aannemen gelijk Hij ons in het Evangelie Zichzelf voor ogen stelt, nl. vervuld zijnde met kracht, wijsheid, rechtvaardigheid, zuiverheid, leven en alle gaven des Geestes".

Calvijn over het Bezitten van het Leven (Johannes 17:3)

Tenslotte merkt Calvijn bij Johannes 17:3 op: „wij zijn alle te samen in de dood, tot de tijd toe dat God ons verschijnt. Die alleen het leven is; en wanneer Hij verschenen is, doordien we Hem met het geloof bezitten, zo treden we meteen in het bezit van het leven".

Het Geloof als Kenmerk van de Wedergeboorte

Hoe blijkt uit de bovenstaande citaten dat het kenmerk van de wedergeboorte het geloof is, waaraan noodzakelijk zal zijn vooraf gegaan het ontdekkende werk van Gods Geest. Geloof is het kenmerk van de wedergeboorte. Zonder dit Christus-aannemende geloof mogen we niet veronderstellen dat er reeds wedergeboorte óf nieuw leven aanwezig is.

Onze vaderen beseften dit. Vandaar dat in het formulier van het Heilig Avondmaal, welk sacrament toch uitsluitend ingesteld is voor degenen die reeds wedergeboren zijn (zie art. 35 van onze Nederl. Geloofsbelijdenis), opgewekt wordt zich te beproeven of men in het geloof is. Juist omdat dit waarachtige geloof het onmisbare kenmerk van de wedergeboorte is.

Het heet daar immers: „ten andere, onderzoeke een iegelijk zijn hart, of hij ook deze gewisse belofte van God gelooft, dat hem al zijn zonden, alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus, vergeven zijn; en de volkomen gerechtigheid van Christus hem als zijn eigen toegerekend en geschonken is, ja, zo volkomen, alsof hij zelf in eigen persoon, voor al zijn zonden betaald, en alle gerechtigheid volbracht had".

Wanneer men het leven in overtuiging beschouwt als kenmerk van wedergeboorte, dan zal men bij de erkenning dat het nodig is dat God verder leidt en ook tot geloof brengt, toch in die overtuiging reeds het leven menen te vinden en dat... terwijl de geestelijke dood nog heerst. Zo nadert men tot de Dis des Heeren, terwijl men volgens Calvijn „de mond en de maag des geloofs" mist, die noodzakelijk zijn om te eten en te drinken overeenkomstig de instelling des Heeren.

Schema van de relatie tussen geloof, wedergeboorte en verlossing volgens Calvijn

De Strik van Satan

Zou het niet een strik van satan kunnen zijn (en dit is het zeker!), om het zó voor te stellen, dat men reeds wedergeboren is, terwijl men met Christus door het geloof nog niet is verenigd? Dat geloof en wedergeboorte onafscheidelijk aan elkander verbonden zijn, daarvoor wil de vorst der duisternis het oog zo lang mogelijk gesloten doen blijven. Hij heeft niets liever dan dat men de dood voor het leven aanziet. En hierin wederstaat hij de Heilige Geest, Die bij Zijn ontdekkend werk juist de mens van zijn doodstaat wil overtuigen, opdat het een afgesneden zaak worde en hij als een goddeloze door het geloof moge gerechtvaardigd worden.

Satan tracht zo lang mogelijk te voorkomen dat uit een verlost zondaarshart in ootmoed en aanbidding het nieuwe lied opklinke, dat het Lam verheerlijkt. Laat ons de duivel wederstaan. Ook hierin, dat we trachten hem te verhinderen de ontdekte mens een blinddoek voor te doen, zodat deze meent zich reeds op het smalle pad te bevinden, zonder dat er in werkelijkheid staatsverandering heeft plaats gehad.

De Enige Weg tot Redding

Er is voor de zondaar, ook voor de ontdekte zondaar, slechts één mogelijkheid tot redding: „geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden". Dat is de rijke aanbieding van Gods genade.

Zonder het, door de kracht des Geestes gewerkte geloof, hetwelk met de wedergeboorte gepaard gaat, zal er geen overgang kunnen zijn van de dood tot het leven, van de duisternis tot Gods wonderbaar licht. In de duisternis was er wel licht, doch het was het ontdekkende licht des Geestes dat verschrikte. Eerst bij de wedergeboorte, bij de overgang van dood tot leven, ontvangt en schouwt de ziel het wonderbare licht, hetgeen iets van de hemel doet smaken.

Door deze kennis van onszelf, die ons onze nietigheid toont, wordt ons, wanneer zij waarlijk in het hart is doorgedrongen, de toegang tot de ware kennis van God vergemakkelijkt. God heeft dan als ’t ware de eerste poort van Zijn Rijk geopend, wanneer Hij deze twee ergste belemmeringen wegneemt: de hoop veilig te zijn voor Zijn wraak, en het valse vertrouwen op onszelf. Nu beginnen wij de blik, die tot nog toe op de aarde was gericht tot de hemel te verheffen en hopen op de Heere, naar Wie wij tot nog toe niet wilden luisteren, maar ons tegen Hem verhardden. En tegelijk openbaart zich aan ons de bedroefde en ontroerde, de ontfermende Vader in Zijn onuitsprekelijke goedheid uit eigen beweging, hoewel onze verdorvenheid anders verdiende.

Geloof Rust op het Woord van God

Dat is de stellige overtuiging van Johannes Calvijn (1509-1564). Niet ons gevoel of onze wisselende stemmingen zijn de grond waarop wij rusten. Volgens Calvijn was de verkondiging van de Bijbelse boodschap zo belangrijk, dat hij elke dag preekte. Een christen is een man van het Woord, daarom is er onderwijs nodig.

In zijn uitleg van de Bijbel leert Calvijn christenen niet te rusten op hun eigen goede werken of gevoeligheden. In Johannes verklaart hij dat christenen zich er geen zorgen over hoeven te maken dat zij maar met weinig zijn ten opzichte van de rest van de wereld. Zij hebben namelijk een stevige basis; Gods Woord. Calvijn: „Al weigerde heel de wereld geloof aan het Evangelie, zo moet dit de goeden niet weerhouden God te gehoorzamen. Ook zij hebben een grond waarop zij veilig kunnen rusten, omdat zij weten, dat het Evangelie te geloven niets anders is dan de uitspraken van God te onderschrijven. Intussen concluderen wij hieruit, dat dit aan het geloof eigen is om op God zich te verlaten en vast te staan in Zijn Woord. Wie de Heere op Zijn Woord gelooft, staat stevig. Volgens Calvijn verschillen we daarmee met hen die het moeten hebben van allerlei menselijke overwegingen en zwevende meningen. Geloof rust op de waarheid van Gods Woord.

Wie de Heere op Zijn Woord leert geloven, eert Hem daarmee. Calvijn: „Want zoals Hem niets meer waard is dan Zijn waarheid, zo kan ook van ons aan Hem geen aangenamere verering worden toegebracht, dan als wij door ons geloof belijden dat Hij daadwerkelijk is. Pas dan komt Hij werkelijk aan Zijn eer. Ook in zijn uitleg van Psalm 43 wijst Calvijn op het feit dat we dienen te rusten op het Woord van God. De beloften van de Heere laten een gelovige niet bedrogen uitkomen. Calvijn: „Ofschoon namelijk de kennis van Gods genade kan gezocht worden uit het Woord en het geloof slechts vaststaat, wanneer het zijn steun vindt in het Woord."

De Heere strekt daarin als het ware Zijn hand uit om ons te helpen. Hoe wonderlijk het ook mag schijnen, het is nochtans waar, dat van ons geen werk uitgaat, dat volmaakt en zonder enig gebrek zou zijn. Daarom moeten wij, die allen zondaars zijn en talrijke sporen der zonde dragen, buiten ons rechtvaardiging vinden, d.w.z. wij hebben Christus nodig opdat Zijn volmaaktheid onze onvolmaaktheid bedekke, opdat Zijn reinheid onze bevlektheid uitwisse, opdat Zijn gehoorzaamheid onze ongerechtigheid goedmake, opdat ons tenslotte Zijn gerechtigheid onverdiend toegerekend worde, zonder te zien op onze werken, die in het oordeel van God niet kunnen bestaan. Worden nu onze gebreken - die anders onze werken voor God bevlekken - op zo’n wijze bedekt, dan ziet de Heere in onze werken slechts een vlekkeloze reinheid en heiligheid. Daarvoor beloont Hij hen met grote namen en lof. Hij noemt ze rechtvaardig, neemt hen als zodanig aan en belooft een onmetelijke beloning.

Leven en leer van Johannes Calvijn

tags: #quote #johannes #calvijn