De Gereformeerde Kerk van Enter: Een Historisch Overzicht

De geschiedenis van de Gereformeerde Kerk in Enter kent verschillende predikanten en belangrijke ontwikkelingen. Na het vertrek van ds. J. stond zijn opvolger pas ruim anderhalf jaar later op de preekstoel.

Ds. J.

Over de vijfjarige arbeid van ds. J. in Enter is weinig bekend, aangezien een deel van de notulen van zijn verblijf verdwenen is. Hij mocht zijn werk steeds met opgewektheid verrichten en stond bekend als een humorist in de goede zin van het woord. Hij was rijk bedeeld met een volle, klankrijke stem, de gave der improvisatie, een sterk geheugen en een helder verstand met logische denkkracht.

Naast de gebruikelijke pastorale kwesties speelde zich aanvankelijk niet veel bijzonders af. Wel moest de kerkenraad ingrijpen bij een ruzie tussen twee gemeenteleden. Enkele gemeenteleden werden 'schuldig aan ongeoorloofde huwelijkse gemeenschap', waarvoor schuldbelijdenis diende te worden afgelegd. Tevens werden enkele leden het lidmaatschap van de kerk ontzegd.

Ds. A.J.

De vacante periode duurde bijna anderhalf jaar en werd beëindigd door de intrede van ds. A.J. Op 16 juni 1878 deed hij intrede in Enter, waar hij bijna drie jaar werkzaam was. Vanwege interne spanningen binnen de gemeente werd ds. Zantinge in februari 1881 losgemaakt van de gemeente van Enter. In het gedenkboek wordt alleen dat laatste over hem vermeld.

Ds. Zantinge werd op 9 februari 1881 van de gemeente losgemaakt en kwam financieel gezien sindsdien voor rekening van de kerk van Enter, tot hij een beroep van een andere kerk zou krijgen en dat zou aannemen. De kerk van Breukelen beriep hem, en daar deed hij nog in hetzelfde jaar intrede.

Ds. G. Brunemeijer

De opvolger van ds. Zantinge was ds. G. Brunemeijer (1818-1912) uit Nieuwleusen, die al eerder in Enter gestaan had van 1856 tot 1861. Op 18 december 1882 deed hij zijn tweede intrede in Enter. Ds. Brunemeijer was 63 jaar oud.

Hem wachtte een moeilijke tijd, want de interne spanningen die in de gemeente tijdens het predikantschap van ds. Zantinge waren ontstaan, vroegen om een oplossing. Ook de financiële kant van de zaak vroeg de aandacht van de kerkenraad. Het onderhoud van de 'losgemaakte' predikant kwam immers enige tijd voor rekening van de kerk van Enter.

De kerkenraad vroeg de classis daarom of de gemeente van Enter om die reden mocht worden vrijgesteld van de collectes voor de Theologische School te Kampen en van die ten behoeve van emeriti-predikanten, maar daar kon de classis zich niet mee verenigen. Gelukkig deed ds. Zantinge al op 4 juni 1881 intrede in Breukelen.

De Doleantie en de kerkenfusie

In 1886 had in de hervormde kerk de tweede orthodoxe uittocht, de Doleantie, plaatsgevonden onder leiding van dr. A. Kuyper (1837-1920). De oorzaak van deze kerkscheuring moest onder meer gezocht worden in de vrijzinnigheid die in die tijd in de hervormde kerk rondging en waartegen door de kerkelijke besturen niet of nauwelijks werd opgetreden. Ze werd bovendien veroorzaakt door een beheerskwestie in Amsterdam, en bevorderd door het Algemeen Reglement van de hervormde kerk, dat in 1816 door de Regering (!) aan de kerk was opgelegd, met terzijdestelling van de aloude gereformeerde Dordtse Kerkorde. Mede door de grote macht van de Algemeene Synode werd de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeenten zeer beperkt.

De synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk en die van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (doleerende) gingen al vrij snel in overleg om te komen tot landelijke eenheid ('ineensmelting'). Uiteindelijk kon op 17 juni 1892 in de Keizersgrachtkerk de ineensmelting van beide Kerken worden geproclameerd. De verenigde kerk kreeg de naam: De Gereformeerde Kerken in Nederland.

Pastorale Arbeid en Gemeentelijke Aangelegenheden

Ondertussen bleef de kerkenraad haar pastorale arbeid serieus nemen. Gemeenteleden die op zondag werkten, zoals postbodes en tolgaarders, werden opgeroepen om de kerkdiensten niet te verzuimen, of anders een andere betrekking te zoeken. De kermis bleef ook een heet hangijzer.

Ds. F. Rispens

Ds. Brunemeijer nam op 1 oktober 1903 afscheid van de gemeente te Enter. Zijn opvolger was ds. F. Rispens (1862-1926) uit het Friese Suawoude. Hij deed op 27 november 1904 intrede in Enter.

Toen bekend werd dat de predikant het beroep naar Enter had aangenomen, besloot de kerkenraad de aardappels in de pastorietuin alvast door de meisjes der gemeente te laten rooien. Verder werd afgesproken in de kerk een vulkachel te plaatsen in verband met de naderende winter. De koster moest daarvoor meer werk verrichten, zodat men besloot zijn salaris van fl. 6 op fl. 15 te brengen.

Een orgel was er nog niet (dat kwam pas in 1917), zodat de gemeentezang geleid werd door de voorzanger, br. H. Morsink. Zijn taak was de te zingen psalm indien gewenst geheel voor te zingen of anders alleen de eerste toon aan te geven, zodat de gemeente op de juiste toonhoogte begon en voortging. Overigens las de voorzanger ook de Wet en de Schriftlezingen. Bij zijn afscheid ontving hij een beloning van fl. 12.50.

Net als enige jaren eerder werd door de gereformeerde winkeliers in Enter geklaagd over het feit dat de door de diaconie bedeelde gemeenteleden hun ontvangen diaconale ondersteuning buiten de kerkelijke gemeente besteedden. Dat kon niet de bedoeling zijn, vonden ze. Vandaar dat de kerkenraad de armen verplichtte 2/3 deel van hun ondersteuning in natura te kopen bij de gereformeerde winkeliers in het dorp. De diaconie had trouwens een zware taak omdat de gemeente merendeels uit 'kleine luyden' bestond en er nog geen sociale voorzieningen waren.

Toen een ouderling tijdens een avonddienst een preek moest lezen in verband met de afwezigheid van de predikant, las hij - want de volgende week werd het avondmaal gevierd - een zogenaamde 'voorbereidingspreek'. De predikant had dat echter in de ochtenddienst zelf ook al gedaan.

Ds. Rispens werd op 25 juli 1912 door de kerkenraad voor de tijd van zes maanden geschorst op grond van artikel 79 en 80 van de Dordtse Kerkorde - die handelen over 'het bedrijven van een openbare ernstige zonde' en over 'openbare scheurmakerij' - en hij werd op 30 oktober 1912 afgezet. De kerk was toen dus vacant.

Vier jaar lang moest men een predikant missen. Het eerste beroep werd in juni 1913 uitgebracht, maar de beroepen predikant bedankte. Er volgden nog tien uitgebrachte beroepen, het laatste in maart 1916. Het feit dat het beroepingswerk zo moeizaam verliep, had ongetwijfeld te maken met de roerige periode die de gemeente kennelijk meemaakte door de in 1912 geschorste en afgezette ds. Rispens.

Het traktement was aanvankelijk vastgesteld op fl. 1.000 met vrije woning, vrij gebruik van de opbrengst van de pastorietuin en 'vrijdom van belasting'. Toen nog meer predikanten bedankten, besloot men er fl. 100 bij te doen en - als het kon - nog eens fl. 100 als extraatje. In 1915 werd echter afgesproken er toch maar fl. 1.400 van te maken.

Het feit van de jarenlange vacature had ook een voordeel. Financieel betekende het immers dat in de vacaturetijd geen traktement behoefde te worden betaald. Vandaar dat de kerkenraad spoed zette achter de bouw van een nieuwe pastorie aan de Rijssenseweg. In 1912 werd daartoe besloten, en in 1914 was het huis klaar. Zonder predikant als bewoner, want die was er nog niet.

Ds. M.B. Parlevliet

Uiteindelijk werd de opvolger van ds. Rispens gevonden in ds. M.B. Parlevliet (1873-1961) van het Drentse Sleen. De vergadering waarin hij beroepen werd, op 19 maart 1912, werd besloten met psalm 42 vers 5.

Ds. Parlevliet heeft veel gedaan voor de Christelijke School. Hoewel hij wist dat de arbeid in Enter moeilijker zou zijn dan in Sleen, is hij daarheen gegaan. Hij bleek de rechte man op de rechte plaats. Er ging stuwkracht van hem uit. Velen, die moeite hadden met de viering van het Avondmaal, werden door het Evangelie gesterkt en over hun schroom heen geholpen. 'Avondmaalmijders' waren bang 'niet waardig te zijn aan de Disch des Heeren aan te gaan', reden waarom ze die verzuimden.

Zijn belangstelling ging niet alleen uit naar het eigen kerkelijk leven, maar het getuigt van een brede blik als hij, na het vertrek van een arts uit het dorp, alle moeite doet om een gereformeerd arts zich hier te doen vestigen.

Als pastor wist hij velen door zijn zachtmoedig optreden te winnen. Enerzijds trok hij rechte lijnen en met grote ernst wekte hij de gemeente op tot heiliging des levens, maar hij deed dit tactisch en met grote zachtmoedigheid.

In augustus 1919 besloot de kerkenraad de avondmaalsviering aan te passen. Afgesproken werd dat deze zou worden gehouden aan drie tafels voorin de kerk, ter voorkoming van het gedrang bij het plaatsnemen. Bij wijze van proef werd twee jaar later besloten om ook in de middagdienst het avondmaal te vieren voor hen die ’s ochtends om een of andere reden verhinderd waren.

De vrouwelijke gemeenteleden en de kinderen zaten in het midden van de kerkzaal op stoelen, gescheiden van de mannen, die aan weerszijden van hen in banken plaats namen.

Nieuwbouw van de kerk

In januari 1923 bracht ds. Parlevliet het voorstel naar voren om - gezien het tekort aan zitplaatsen dat binnen enkele jaren te verwachten was - over te gaan tot uitbreiding van de kerk, dan wel tot nieuwbouw. Nieuwbouw leek hem het best, omdat de grondoppervlakte voor uitbreiding ongeschikt was en bovendien was de bouwkundige toestand van de bestaande kerk niet om over naar huis te schrijven.

In juni 1923 werd er verder over doorgepraat en werd een bouwcommissie benoemd, die moest trachten manieren te vinden om voldoende geld bijeen te brengen. Na advies van de bouwcommissie besloot de kerkenraad voorlopig in te stemmen met de bouw van een nieuwe kerk. Ook ging men vooralsnog akkoord met het verzoek aan de leden de kerkelijke bijdragen te verhogen, om onder de schoolkinderen een 'halve stuiververeniging' op te richten, en alvast een begin te maken met het vetweiden van schapen.

Uiteindelijk verzocht de kerkenraad de bouwcommissie eerst bij de gemeenteleden steun te zoeken voor de plannen. Daaruit bleek (een jaar later) dat zij leden gesproken hadden die best goed wilden bijdragen, maar anderen bij wie dat niet zo duidelijk was. Daaruit vloeide op 22 september 1924 een gemeentevergadering voort om de 'misverstanden' weg te nemen en om de gemeenteleden te informeren over de plannen. De vergadering werd door ds. Parlevliet geopend met het lezen van psalm 132 de verzen 1 tot 8.

"Ook wij behoren met dat verlangen vervuld te zijn", vond ds. Parlevliet. Toen ook nog een onderzoeksrapport naar de bouwkundige toestand van de huidige kerk werd voorgelezen, waaruit bleek dat het dak zeer slecht was, was ook de gemeentevergadering overtuigd en vervuld met het vurige verlangen een nieuwe kerk te bouwen.

Eerste steenlegging van de nieuwe Gereformeerde Kerk aan de Rijssenseweg te Enter

Voor fl. 150 werd een stuk grond achter de pastorie aan de Rijssenseweg gekocht, waarop prima een kerk gebouwd kon worden. Ook ten westen van de pastorie werd een stuk land gekocht, aansluitend op het eerder aangekochte perceel.

De gereformeerden in het aanpalende dorp Ypelo vonden de kerk echter te ver weg liggen. Ze schreven een brief aan de kerkenraad met de mededeling dat ze niet akkoord gingen met de locatie van de nieuwbouw en dat de gemeente onnodig met hoge kosten werd opgezadeld, omdat verbouw huns inziens best mogelijk was.

In totaal zouden de bouwkosten bijna fl. 18.000 bedragen, zo bleek uit berekeningen van architect J.B. Radstake. Samen met de opbrengst van de oude kerk en de pastorie zou een groot deel van de kosten kunnen worden betaald. De gemeenteleden droegen ook goed bij.

De volgende kerkenraadsvergaderingen hielden zich vooral bezig met de bijzonderheden omtrent de kerkbouw. Ook werden de schilders, de timmerlui, enz. via een inschrijving aangewezen. De kerk zou driehonderd zitplaatsen tellen en de kosten van het interieur zouden ongeveer fl. 2.500 bedragen.

Het orgel in de oude Gereformeerde Kerk aan de Dorpsstraat

Het orgel in de oude kerk werd naar de nieuwe kerk overgebracht en bovendien werd besloten op het instrument 'een windmotor' aan te sluiten, zodat er geen orgeltrappers meer nodig waren om door hun noeste lichamelijke arbeid de blaasbalg van het orgel van lucht te voorzien.

Evangelisatie en Crisisjaren

De kerkenraad vond het in 1931 dienstig om in het nabijgelegen dorp Goor een evangelisatiegebouw te stichten. Aan alle classes in de provincie werd verzocht voor dat doel te collecteren, al kon niet elke classis aan die wens voldoen; het geld groeide in deze crisisjaren '30 immers niet aan de boom.

In oktober 1929 was de New Yorkse aandelenbeurs op Wall Street onderuit gegaan, waardoor een wereldwijde jarenlang durende economische crisis ontstond. Geen wonder dat de diaconie op onderzoek uitging of in Enter ook sprake was van grote armoede. Gelukkig bleek daaruit onder meer dat er in Enter in ieder geval geen kinderen waren die geen onderkleding tot hun beschikking hadden, zoals was gemeld en gevreesd.

De classes Deventer, Zwolle en Ommen brachten voor de bouw van het lokaal in totaal fl. 2.750 bijeen, waarvan Deventer het merendeel bij elkaar collecteerde. Het evangelisatiegebouwtje kwam er in 1932. Het stond aan de Wheeme, en voor de gereformeerden van Goor werd in het evangelisatiegebouw ’s ochtends 'een kerkelijke samenkomst' en ’s avonds een evangelisatiebijeenkomst gehouden.

Het kerkelijk leven in de crisisjaren voor de Tweede Wereldoorlog geeft een divers beeld te zien: vanwege de kosten besloot de kerkenraad vooralsnog te wachten met de aanleg van een centrale verwarming in de kerk.

In de hooitijd viel het de kerkenraad op dat sommige gemeenteleden tijdens de preek nogal eens zaten te slapen.

Het interieur van de nieuwe Gereformeerde Kerk

tags: #samenhang #gereformeerde #kerk #enter