Gereformeerde kerken in Nederland: Afscheiding, Doleantie en Pluraliteit

De Nederlandse bevolking was aan het eind van de negentiende eeuw alleszins godsdienstig. Slechts 2,25 procent gaf zich bij de volkstelling van 1899 op als tot 'geen kerk' te behoren. Nederland kende toen meer kerkgenootschappen dan aan het begin van die eeuw. Met name in het Nederlandse protestantisme had zich een proces van diversificatie voltrokken, dat zich in de twintigste eeuw onverminderd heeft voortgezet. Dit weerspiegelde de wijzigingen die zich in de negentiende eeuw in kerk en godsdienstigheid hadden voltrokken - ondermeer veroorzaakt door nieuwe theologische en kerkelijke inzichten - en gaf hun veranderde plaats in de samenleving aan.

Opwekkingsbewegingen kregen aanhang en probeerden de massa van het kerkvolk te onderwijzen, te disciplineren, te kerstenen. De politieke situatie en de sociale verhoudingen vormden uitdagingen voor de kerkelijke stromingen. Dit proces van diversificatie had zich in het bijzonder in de Nederlandse hervormde kerk (aan het begin van de negentiende eeuw het kerkelijk tehuis van ruim 55 procent van de bevolking) voltrokken. In de loop van die eeuw waren de tegenstellingen tussen de kerkelijke richtingen namelijk steeds groter geworden.

De opleving van de orthodoxe beweging en de Afscheiding

Het meest opmerkelijk was de opleving van een orthodoxe beweging. Deze beweging wilde het confessioneel calvinistische karakter van de Nederlandse hervormde kerk herstellen, die in 1816 op koninklijk gezag onder een hiërarchisch bestuur was gesteld, dat geen leertucht handhaafde tegen opvattingen die strijdig waren met de klassieke belijdenis. De dominante elite in het jonge koninkrijk der Nederlanden wenste een algemene protestantse kerk, voedster van de gemeenschappelijke normen en waarden, hoedster van de nationale identiteit en eenheid.

De orthodoxe beweging liep geheel uit de pas bij de geest der eeuw. Haar voorstanders vond men gewoonlijk niet onder de maatschappelijk en intellectueel invloedrijken; zij waren introvert en piëtistisch gezind, lijdelijk en wereldmijdend, en ook nog eens onderling verdeeld. In 1834 verlieten duizenden gelovigen en enkele jonge predikanten de hervormde kerk om vrije gereformeerde kerken te stichten. Overheid en publieke opinie beantwoordden die afscheiding met discriminatie en vervolging, maar noch daardoor, noch door de onderlinge twisten en tegenstellingen, die grote verdeeldheid veroorzaakten, werd de groei van de beweging gestuit.

Vooral na 1869, toen de meeste afgescheidenen verenigd werden in de christelijke gereformeerde kerk, bleek deze kerk grote aantrekkingskracht uit te oefenen. In de twintig jaar na 1869 groeide zij uit van 3 tot 4,2 procent van de Nederlandse bevolking, ofwel van 107.000 tot 189.000 zielen. De afgescheidenen kenmerkten zich door hun eenvoud, teruggetrokkenheid en bevindelijke inslag. Die bevindelijke, ‘zware’ orthodoxie werd in het bijzonder aangetroffen in het in 1869 niet-verenigde afgescheiden deel: diverse plaatselijke vrije gereformeerde gemeenten en ‘gereformeerde kerken onder het kruis’ (die na 1869 in hun naam het lijden onder het kruis van discriminatie en vervolging levend hielden).

In de christelijke gereformeerde kerk kwam na 1869 een minder lijdelijke mentaliteit tot ontwikkeling en er vond een heringroeien in de Nederlandse samenleving plaats. In de schaduw van de afscheiding ontstond ook een meer evangelisch gezinde richting, duidelijk beïnvloed door de (nationale en internationale) réveilbeweging. Dit réveil heeft veel betekend als stimulans tot praktische christelijke actie, maar had - aristocratisch en sterk individualistisch als zij was - niet de mogelijkheid uit te groeien tot een massabeweging.

Historische illustratie van een gereformeerde kerkdienst in de 19e eeuw.

Abraham Kuyper en de Doleantie

Sinds 1867 kreeg die stroming in dr. A. Kuyper een nieuwe voorman. Kuyper was een ongewoon begaafd, actief en ambitieus man, predikant te Beesd, kort daarna te Utrecht en vanaf 1870 te Amsterdam. Hij verwierf zich als theoloog, journalist en politicus een centrale plaats in de orthodoxe beweging. Kuyper streefde doelbewust een reformatie van de hervormde kerk na door de confrontatie met de kerkelijke organisatie aan te gaan.

In 1834 hadden trekschuit, diligence en paard-en-wagen het tempo en de actieradius van de afscheidingsbeweging bepaald. In 1886 was de situatie anders: er was een goed ontwikkeld spoorwegverkeer, een snel werkend telegraafnet en er waren drie postbestellingen per dag. Hadden Hendrik de Cock en H.P. Scholte hun aanhang moeten mobiliseren met wat brochures, wekenlange preekreizen en een enkel weekblad, Abraham Kuyper had een heel netwerk aan dag- en weekbladen tot zijn beschikking.

Net als een halve eeuw eerder vonden er ook bij de kerkscheuring in 1886 rellen plaats. Wie zijn opposanten leest, is er haast van overtuigd dat Kuyper inderdaad een groter gevaar voor de samenleving vormde dan de socialist Domela Nieuwenhuis, wiens volgelingen in diezelfde tijd regelmatig met de ordehandhavers slaags waren. Slechts een smaldeel van de orthodoxie volgde Kuyper op het pad der doleantie, een tweede afscheiding: ongeveer 181.000 zielen in plusminus 200 gemeenten (eind 1889). Binnen enkele jaren wist Kuyper echter zijn kerken samen te laten gaan met de hoofdstroom uit de afscheiding, de christelijke gereformeerde kerk.

Portret van dr. Abraham Kuyper.

Pluraliteit en diversiteit binnen het gereformeerde protestantisme

Afscheiding en doleantie hebben destijds en ook in de historiografie veel opschudding veroorzaakt, veel meer dan de andere protestantse stromingen en kerkgenootschappen die in diezelfde tijd ontstonden: de baptisten, de vrije evangelische gemeenten, de vergadering van gelovigen en het leger des Heils. Nederland kent dus sindsdien calvinisten die zich hervormd dan wel gereformeerd noemen, die zich onderscheiden in spiritualiteit, mentaliteit en kerkvisie.

In feite is de pluriformiteit nog groter: er zijn ook nog hervormd-gereformeerden (gereformeerd gezinden die beslist binnen de Nederlandse hervormde kerk wilden blijven). Een andere grove indeling gaat uit van de volgende hoofdtypen: hervormd-gereformeerden, bevindelijke gereformeerden en neo-calvinisten ofwel Kuyperiaanse gereformeerden. Kerkelijk zijn zij thans verdeeld over ten minste een tiental kerkgenootschappen die alle het woord gereformeerd in hun naam voeren.

De Bevindelijken en de 'Kleine Luyden'

Ter gelegenheid van de elkaar snel opvolgende jubileumjaren van afscheiding, doleantie en vereniging is het afgelopen decennium een grote hoeveelheid nieuwe literatuur verschenen. Een recente inleiding tot de denkwereld en mentaliteit van die bevindelijke gereformeerden is 'De stille luyden'. F.A. van Lieburg heeft vier deskundigen een dertigtal piëtistische (auto)biografieën uit de negentiende eeuw voorgelegd. Gezamenlijk distilleerden zij daaruit een geestesportret, het beeld van de bevindelijke mentaliteit en houding. C. Graafland beschreef de theologie van het conventikel, waarin de verhouding van mens tot God centraal staat, de omgang met Zijn Woord, het werk van de Geest, de bekering van zondaren. Het is traditionele calvinistische dogmatiek, die echter sterke eigen accenten heeft gekregen door de nadruk op de piëtistische persoonlijke gevoelservaring.

De bevindelijken behielden altijd al afstand tot de officiële kerk, maar W. van 't Spijker constateerde dat de conventikelvroomheid in de loop van de negentiende eeuw nog in toenemende mate vervreemdde van de hervormde kerk; veel bevindelijken vonden bovendien de weg naar een vrije gemeente of de afscheiding. Niet alleen het kerkelijk instituut, de gehele samenleving was voor de bevindelijken bijkomstig. Hun hele bestaan was gericht op slechts één ding: hun leven werd door God geleid. Daarom typeerde Van Deursen de bevindelijke vromen als vreemdelingen en bijwoners, als pelgrims met een buiten deze wereld gelegen reisdoel. Dat bond hun aardse levenswandel aan strenge normen, vergde beperkingen en leidde zelfs tot onttrekking aan veel ‘gewoon’ leven. De bevindelijken verzetten zich tegen de groeiende communicatie en het contact in het moderne Nederland en kwamen zo in conflict met de hen omringende dominante cultuur.

Van Lieburgs knappe en zeer leesbare boek is niet alleen waardevol als portret van de bevindelijke vromen. Het biedt ook mogelijkheden om deze stille luyden met een verwante orthodoxe subgroep, de kleine luyden (de term stille luyden is een recente nieuwvorming, uit ‘de stillen in den lande’ en ‘de kleine luyden’) te vergelijken. In dit artikel staan die kleine luyden, Kuypers voetvolk, centraal.

Historiografie en nieuwe perspectieven

Wie een beknopt maar zaakrijk overzicht van de godsdienstige ontwikkelingen in Nederland in de negentiende eeuw zoekt, komt aardig aan zijn trekken in Michael Wintie's Pillars of Piety. Bij hem zijn vernieuwing en traditie de centrale termen ter verklaring van die ontwikkelingen. De orthodoxie greep in reactie op de liberale vernieuwing terug op de traditie: wat men haar ook kon ontnemen, niet het zich vastklampen aan de vroomheid en theologie van voorheen. De sociaal en cultureel onterfde, reactionaire orthodoxie, was in haar eis van erkenning en streven naar gelijkberechtiging tevens vernieuwend. Zij stimuleerde in feite de groei van pluriformiteit en verzuiling, de modernisering van Nederland.

Zijn beknopte schets laat op diverse onderdelen natuurlijk nadere invulling en nuancering toe, zoals bijvoorbeeld door een Utrechts bundeltje opstellen over het Nederlandse protestantisme ten tijde van de Camera Obscura, waarin de auteurs niet beweren, dat kerk en theologie in die tijd een bloeiperiode doormaakten, maar waarin zij zich wel verzetten tegen het overheersende, voornamelijk van hun tegenstanders, het réveil en de afgescheidenen, afkomstige negatieve beeld. Zij proberen met bijdragen over de kerkgeschiedschrijving van Chr. Sepp en H.J. Royaards, de universitaire missiologie en de gewijde oranjepreken, de aard en functie van het Algemeen Reglement van 1816 en de denkwereld van de theologen E. Kist, J. Heringa Ezn. en N. Beets nader te komen tot de toenmalige theologie. Naar de mening van deze auteurs zocht men toen op niet onverdienstelijke wijze naar nieuwe, eigentijdse kerkelijke vormen. Die vormen vallen ons inderdaad vooral op door hun tijdgebondenheid: een ietwat evangelisch gekleurd supranaturalisme, een conservatief-nationaal protestantisme en een gehoorzaam, orde- en vaderlandslievend elitair kerkbewustzijn. Dat alles had destijd stellig betekenis en functie en het heeft zin dat te beseffen.

Volgens de gangbare historiografie bestond er een grote samenhang en overeenstemming tussen 1834 en 1886. Afscheiding en doleantie waren twee punten op dezelfde ontwikkelingslijn, weliswaar naar de vorm enigszins van elkaar verschillend maar inhoudelijk gelijk, twee verschijningsmomenten van de ene orthodoxe beweging die in 1892 de gereformeerde kerken voortbracht. Bij Wintle vindt men die historiografie beknopt samengevat. Het is de klassieke visie van de betrokken kerken zelf, pregnant verwoord door J.C.

Heel wat redacties van recente herdenkingsbundels gingen bewust of onbewust uit van die traditionele visie. Hun onderwerp was anderhalve eeuw gereformeerd plaatselijk kerkelijk leven; het gereformeerde godsdienstig-kerkelijke type onderscheiden van het hervormde. Van zulke boeken, waarvan er in 1984 en volgende jaren heel wat zijn verschenen, moet men, naar één auteur ruiterlijk erkende, ‘geen diepgaande analyses of verrassende historische vondsten’ verwachten. Enkele berusten op diepgaander spitwerk, zoals bijvoorbeeld Gereformeerd Amsterdam sedert 1835. Dit werk biedt geen doorlopend overzicht, maar bevat een reeks opstellen over typerende personen en facetten. Zo karakteriseert C. Augustijn de afgescheidenen van het eerste uur en hij beschrijft ook de opbouw van de dolerende gemeente. M. Telgenhof-Otter vertelt over de kerkgebouwen van de Amsterdamse dolerenden, die groot moesten zijn om veel mensen een plaats te geven en de wereld te imponeren, en die ook nog eens snel gebouwd moesten worden.

Gereformeerd Amsterdam omvatte allerlei soorten mensen, heren zo goed als arbeiders; J. Rijper informeert ons over de door dolerenden gedomineerde Amsterdamse afdeling van het werkliedenverbond Patrimonium. Het grootste deel van het boekje is aan de twintigste eeuw gewijd: het zijn korte schetsen van enkele typerende gereformeerde personen (ds. C. Lindeboom en zijn vrouw), instellingen (jeugdverenigingen, de kerkeraad, de diaconie in de crisisjaren) en bevat een beknopte bijdrage van D.

De twintigste eeuw krijgt ook de meeste aandacht in het jubileumboekje dat de gereformeerde kerk van Velp uitgaf. Kerkhistorische fijnproevers zullen niet verrast zijn door de constatering, dat beide genoemde ‘synodaal’ gereformeerde boekjes een heel andere twintigste-eeuwse gereformeerde wereld lijken te beschrijven dan soortgelijke boekjes met een ‘vrijgemaakt’ gereformeerde achtergrond. Die kerkelijke tweedeling vormt ook de achtergrond van een tweetal landelijke herdenkingsbundels over de jaren '34, '86 en '92. De leesbare bundels Doleantie - wederkeer en De doleantie van 1886 en haar geschiedenis vatten de bestaande kennis en visies samen. Doleantie - wederkeer begint met een summier overzicht van het kerkelijk conflict, maar de betekenis van de bundel ligt in enkele behandelde deelonderwerpen, zoals het verschil in kerkelijke organisatie tussen dolerenden en afgescheidenen (D. Deddens), de ambitieuze visie op het diaconaat van de dolerenden (C. Trimp) en in drie schetsen van bekende dolerende predikanten: W. van den Bergh (M.J. Arntzen), J.J.A. Ploos van Amstel (J. Wesseling) en J.C. Sikkel (C. Smits) - alle drie vertegenwoordigers van een contra-stem onder de dolerenden tegen het optimistische, cultuurveroverende Kuyperiaanse neo-calvinisme.

De bundel De doleantie van 1886 en haar geschiedenis biedt een meer algemeen overzicht. Zij begint met de achtergrond: samenleving (W.J. Wieringa) en kerk en godsdienst in Nederland (C. Augustijn) sinds ongeveer 1870. Dan volgen het feitelijke ontstaan van de doleantie (C.H.W. van den Berg), de landelijke uitbreiding (W. Bakker) en de maatschappelijke doorwerking (D.Th. Kuiper). De schets van de betekenis van de doleantie voor de Nederlandse hervormde kerk (W. Nijenhuis) laat zien, hoe veel op dat terrein nog onderzocht moet worden. Hetzelfde geldt in nog sterkere mate voor het verschil in spiritualiteit tussen hervormden en dolerenden (P.L. Schram).

Familiehistoricus: Archieven van de Nederlandse Gereformeerde Kerk

tags: #smilde #presidente #gereformeerde #vrouwenvereniging